Commissie: Ziekenhuizen
Categorie: -
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: bindend advies
Uitkomst: ongegrond
Referentiecode:
368556/476866
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De cliënte diende een klacht in tegen Stichting Diakonessenhuis over een lumbaalpunctie die op 5 december 2016 bij haar werd uitgevoerd. Zij stelt dat deze zonder medische noodzaak werd verricht en dat de uitvoering onzorgvuldig was. Sindsdien ervaart zij neurologische klachten zoals spierschokken en evenwichtsproblemen. De cliënte vermoedt dat deze klachten het gevolg zijn van de punctie, mede vanwege haar eerder opgelopen rugletsel. Ze betwist de diagnose van een hersenvliesontsteking en vraagt om erkenning en schadevergoeding voor gemaakte zorgkosten. De zorgaanbieder stelt dat de punctie noodzakelijk was vanwege ernstige ziekteverschijnselen die pasten bij een bacteriële meningitis. Uit het hersenvocht werd deze diagnose ook daadwerkelijk bevestigd. Volgens het ziekenhuis werd de punctie technisch correct uitgevoerd en zonder complicaties. Uit het medisch dossier blijkt dat de cliënte al eerder, in 2012, bekend was met vergelijkbare neurologische klachten (myoclonieën). De commissie concludeert dat de zorgaanbieder heeft gehandeld volgens de professionele standaard. Er is geen bewijs voor een direct verband tussen de punctie en de huidige klachten. De klacht wordt ongegrond verklaard en de schadevergoeding afgewezen.
De uitspraak
in het geschil tussen
[naam], wonende te [plaats] (hierna te noemen: de cliënte)en
Stichting Diakonessenhuis, gevestigd te Utrecht
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).
Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.
De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.
De behandeling heeft plaatsgevonden op 24 januari 2025 te Den Haag.
Partijen hebben aangegeven dat zij geen prijs stellen op een mondelinge behandeling van het geschil. Partijen zijn dan ook niet voor de zitting opgeroepen.
Onderwerp van het geschil
De cliënte verwijt de zorgaanbieder dat zonder medische noodzaak een lumbaalpunctie bij haar is uitgevoerd. Voorts verwijt de cliënte de zorgaanbieder dat die punctie onzorgvuldig en ondeskundig is uitgevoerd. Sinds de punctie heeft de cliënte last van schokken en spiertrekkingen en is haar evenwicht gestoord.
Standpunt van de cliënte
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De cliënte is in de nacht van 4 op 5 december 2016 gevallen in haar huis en werd wakker in de gang. De cliënte voelde zich die dag (5 december 2016) niet goed en heeft contact opgenomen met de huisarts. De huisarts adviseerde de cliënte een bezoek te brengen aan de Spoed Eisende Hulp (SEH) afdeling van de zorgaanbieder, waarop de cliënte een vriend heeft gevraagd haar daarnaartoe te brengen. Op de SEH werd een lumbaalpunctie bij de cliënte uitgevoerd, die pas lukte na meerdere pogingen. Volgens de vriend brak er paniek uit en de cliënte belandde vervolgens op de IC. De vriend werd gevraagd de kinderen van de cliënte te waarschuwen, omdat zij in levensgevaar verkeerde. Sinds de lumbaalpunctie heeft de cliënte last van schokken en spastische spiertrekkingen en raakt zij uit evenwicht bij het draaien van haar hoofd.
De cliënte is van mening dat volstrekt ten onrechte een lumbaalpunctie is uitgevoerd. Volgens de zorgaanbieder was daar een noodzaak toe, omdat sprake zou zijn geweest van een hersenvliesontsteking, maar dat is onjuist. De cliënte had wat last van een pijnlijke pols door de val, maar was verder niet erg ziek.
De cliënte heeft in 1963, op 24-jarige leeftijd, een ernstig auto-ongeluk meegemaakt waarbij zij rugletsel heeft opgelopen ten gevolge waarvan haar ruggengraat vervormd is geraakt. De cliënte heeft het vermoeden dat haar ruggengraat als gevolg van de lumbaalpunctie als het ware een ‘open zenuw’ is geworden, waardoor iedere beweging en aanraking krampen en schokken geeft. Tot vóór de opname in het ziekenhuis was de cliënte een sportieve vrouw die 20 km op een dag kon lopen. De klachten van de cliënte beperken haar zeer in haar dagelijks leven. De cliënte verwijt de zorgaanbieder dat bij haar een volstrekt onnodige behandeling is uitgevoerd, die haar ernstige klachten heeft gegeven. De cliënte heeft om opheldering gevraagd, maar zij heeft van de zorgaanbieder nooit een bevredigend antwoord gekregen op haar vragen.
Om haar klachten wat te verminderen, heeft de cliënte meerdere zorgverleners bezocht aan wie zij naar schatting € 400,– heeft betaald. Naast een erkenning van haar klachten vraagt de cliënte dat bedrag bij wijze van schadevergoeding terug van de zorgaanbieder.
Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De cliënte heeft bij de zorgaanbieder een klacht ingediend met betrekking tot de zorg die zij op 5 december 2016 in het ziekenhuis van de zorgaanbieder heeft ontvangen. Het betreft een uitgevoerde lumbaalpunctie om een hersenvliesontsteking vast te stellen. De cliënte heeft aangegeven dat zij sinds de opname klachten van haar evenwicht ervaart en daarnaast last van schokken heeft.
De cliënte heeft zich na een val in haar huis op 5 december 2016 op de SEH afdeling van de zorgaanbieder gemeld. In het ziekenhuis namen de klachten van de cliënte toe. Zij had hoofdpijn, verhoogde infectieparameters en zij ontwikkelde in korte tijd hoge koorts. De cliënte werd steeds zieker en er was een verdenking van een bacteriële meningitis, een hersenvliesontsteking. Er werd overlegd met de afdeling Intensive Care en besloten werd om een lumbaalpunctie uit te voeren om de hersenvliesontsteking te kunnen vaststellen. Inderdaad bleek uit het afgenomen vocht dat sprake was van een hersenvliesontsteking en werd de cliënte op de IC afdeling opgenomen en behandeld. In de gesprekken die de zorgaanbieder met de cliënte heeft gevoerd, heeft zij te kennen gegeven dat zij zich niet herkent in het door de zorgaanbieder geschetste ziektebeeld. Zij voelde zich niet lekker maar was niet doodziek, aldus de cliënte. Na de lumbaalpunctie is de cliënte buiten bewustzijn geraakt en werd zij wakker op de IC afdeling. De cliënte wijt het verlies van bewustzijn aan de punctie, maar dit was een gevolg van de ernstige hersenvliesontsteking.
Met de door de zorgaanbieder geboden behandeling is de cliënte vervolgens goed hersteld. Helaas heeft de cliënte sinds de opname klachten. Zij heeft hiervoor een neuroloog bezocht en een second opinion gevraagd in het AMC. Helaas is niet bekend geworden wat de oorzaak is van de klachten. De cliënte verlangt een verklaring van haar klachten. De zorgaanbieder heeft de cliënte in meerdere gesprekken uitgelegd welke behandeling bij haar is uitgevoerd en waarom. Ook op het kantoor van de commissie heeft daartoe een gesprek tussen partijen plaatsgevonden. De zorgaanbieder betreurt het dat ook dat gesprek kennelijk niet tot voldoende duidelijkheid voor de cliënte heeft geleid.
Beoordeling van het geschil
Bij de beoordeling van deze klacht geldt het volgende beoordelingskader.
De overeenkomst die is gesloten tussen de cliënt en de zorgaanbieder, is aan te merken als een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Bij de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet de hulpverlener de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen. Daarbij moet de hulpverlener handelen in overeenstemming met de op hem/haar rustende verantwoordelijkheid die voortvloeit uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 van het BW), die mede bepaald wordt door onder meer de stand en inzichten van de medische wetenschap, richtlijnen en protocollen. Deze zorgplicht houdt in dat de hulpverlener die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot/hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.
De zorgplicht houdt in beginsel geen resultaatsverplichting in, maar wordt aangemerkt als een inspanningsverplichting. Van een tekortkoming kan dan ook pas worden gesproken indien komt vast te staan dat de hulpverlener zich onvoldoende heeft ingespannen of bij de inspanning een fout heeft gemaakt.
De commissie dient te onderzoeken of de zorgaanbieder bij de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst in de gegeven omstandigheden al dan niet de hiervoor omschreven zorgplicht heeft nageleefd.
De commissie heeft het volgende overwogen.
De cliënte verwijt de zorgaanbieder dat op 5 december 2016 een lumbaalpunctie is uitgevoerd, hoewel daar geen noodzaak toe bestond. Uit het medische dossier van de cliënte leidt de commissie af dat op 5 december 2016 sprake was van een ernstige verdenking van een bacteriële meningitis. Om die diagnose te kunnen stellen, heeft de zorgaanbieder op dat moment op juiste gronden een lumbaalpunctie uitgevoerd. De aanwezige ontstekingscellen duidden op een evidente hersenvliesontsteking, waarna aan de cliënte op intraveneuze wijze (via een infuus) antibiotica is toegediend. De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder zowel ten aanzien van het diagnostisch onderzoek van de cliënte als ten aanzien van het uitvoeren van de lumbaalpunctie en de behandeling van de meningitis heeft gehandeld zoals van een redelijk handelend zorgverlener in vergelijkbare omstandigheden verwacht mag worden.
De cliënte verwijt de zorgaanbieder dat de lumbaalpunctie op ondeskundige wijze is uitgevoerd, omdat zij daar klachten aan heeft overgehouden, zo begrijpt de commissie. De cliënte benoemt klachten van schokken en spiertrekkingen en evenwichtsproblemen. Uit het dossier van de cliënte blijkt echter dat zij al in 2012 bekend was met myoclonieën en daarvoor onder behandeling was bij de afdeling neurologie van de zorgaanbieder. Bij een myoclonische aanval trekken de spieren in de armen en/of benen plotseling samen waardoor schokjes optreden. De cliënte was dan ook eerder bekend met vergelijkbare neurologische klachten.
Uit het dossier blijkt dat de lumbaalpunctie op 5 december 2016 lege artis en zonder complicaties is verlopen. De commissie begrijpt goed dat de cliënte veel hinder ondervindt van de neurologische klachten die zij dagelijks ervaart. Van enig causaal verband tussen de punctie en de klachten van de cliënte of enig verwijtbaar of onzorgvuldig handelen van de zorgaanbieder is de commissie echter niet gebleken. Op 5 december 2016 bestond er een onmiskenbare noodzaak tot het uitvoeren van een lumbaalpunctie, die tot een levensreddende behandeling van de cliënte heeft geleid.
Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is. Het verzoek tot het toekennen van schadevergoeding wordt dan ook afgewezen.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
– verklaart de klacht van de cliënte ongegrond;
– wijst het verzoek tot het toekennen van schadevergoeding af.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit de heer mr. H.A. van Gameren, voorzitter, mevrouw dr. M.C. Visser MBA en de heer mr. P.O.H. Gevaerts, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. J.C. Quint, secretaris, op 24 januari 2025.