Geschil over hormoonbehandeling, medicatieverstrekking en communicatie met zorgaanbieder

De Geschillencommissie Zorg




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: -    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 307343/478604

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

In deze zaak klaagt de cliënt over de kwaliteit van de zorg die hij ontving van het Amsterdam UMC. Volgens hem is zijn Androgel-behandeling onterecht stopgezet, werd hydrocortison te laat voorgeschreven, en werd medicatie verkeerd geleverd. Ook klaagt hij over gebrekkige communicatie, waaronder het niet beantwoorden van berichten, onjuiste registratie van zijn apotheek en beledigend gedrag tijdens telefonisch contact. De zorgaanbieder stelt dat het stoppen met Androgel een bewuste medische proef was, gevolgd door herstart na lage testosteronwaarden. De hydrocortison werd pas voorgeschreven toen daar een medische noodzaak voor bestond, wat pas in 2019 het geval was. De wijziging van de apotheek was bij de zorgaanbieder niet bekend en het voorschrijven van de pompversie van Androgel werd als praktischer ingeschat. Excuses voor eventuele onduidelijkheden en communicatieproblemen zijn aangeboden. De klachtencommissie van het ziekenhuis had eerder al erkend dat de communicatie via MijnDossier beter kon. De geschillencommissie oordeelt dat de medische keuzes van het ziekenhuis verdedigbaar en volgens de professionele standaard zijn genomen. Ook de overige klachten, zoals de apotheekfout en het telefoongesprek, worden ongegrond verklaard. Alleen het klachtonderdeel over niet reageren op berichten wordt niet-ontvankelijk verklaard, omdat dit eerder al gegrond was bevonden. De commissie ziet geen grond voor schadevergoeding of verdere maatregelen.

De uitspraak

in het geschil tussen

[naam], wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de cliënt)

en

Stichting Amsterdam UMC, gevestigd te Amsterdam
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Samenvatting

De klacht betreft de kwaliteit van de verleende zorg. De commissie deelt het standpunt van de klachtencommissie dat de besluiten van de zorgaanbieder rondom het (stoppen met) toediening van de Androgel en de overwegingen met betrekking tot het voorschrijven hydrocortison medisch geaccepteerd zijn. Dat geldt evenzeer ten aanzien van de klachten over het registreren van een verkeerde apotheek en het voorschrijven van een doseerpomp Androgel in plaats van zakjes. Niet is gebleken dat de handelwijze van de zorgaanbieder te dien aanzien onzorgvuldig is geweest. Ook de klacht van cliënt met betrekking tot de onvoldoende telefonische hulpverlening en het beledigen wordt ongegrond verklaard.

Behandeling van het geschil

Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

De mondelinge behandeling heeft zonder aanwezigheid van partijen plaatsgevonden op 28 maart 2025 te Utrecht.

Onderwerp van het geschil

De klacht betreft de kwaliteit van de verleende zorg.

Standpunt cliënt

Voor het standpunt van cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dat op het volgende neer.

De zorgaanbieder heeft in het jaar 2020/2021 onterecht de Androgel stopgezet bij cliënt, waardoor cliënt een medicatietekort ondervond. De zorgaanbieder was in 2023 weigerachtig hierover vragen van cliënt te beantwoorden, heeft niet gerapporteerd aan de huisarts en het uiteindelijke recept is niet, dan wel naar de verkeerde apotheek verstuurd. Ook is zonder overleg de verkeerde verpakking, een pompfles in plaats van zakjes, voorgeschreven. Voorts is bij cliënt na de operatie aan de hypofyse in 2008, in verband met de verwijdering van een macroadenoom, te laat opgemerkt dat het toedienen van hydrocortison nodig was. Daarnaast heeft de zorgaanbieder begin 2023 cliënt (telefonisch) onvoldoende geholpen en zich beledigend jegens cliënt opgesteld bij vragen over het recept.

Cliënt wenst een erkenning van de omstandigheid dat hij een hormoontekort heeft geleden door toedoen van de zorgaanbieder. De schade is niet meer terug te draaien. Cliënt is veel van zijn levenskwaliteit kwijtgeraakt. Zo loopt cliënt heel moeilijk, heeft hij depressies gehad en is zijn mobiliteit enorm achteruitgegaan.

Standpunt van de zorgaanbieder

Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dat op het volgende neer.

De zorgaanbieder heeft op 31 januari 2022 te kennen gegeven dat cliënt zou kunnen stoppen met het gebruik van Androgel (testosteronsuppletie), omdat deze waarde vanaf een bepaalde leeftijd vaak laag is en het dagelijks smeren van de gel wellicht belastend is voor cliënt en voor de mensen die hem verzorgen.
Door te stoppen met de Androgel zou kunnen worden bekeken wat de eigen productie van het testosteron bij cliënt zou zijn. Een controleafspraak drie maanden later wees echter uit dat het testosteron te laag was. Voorgesteld is daarom om opnieuw te starten met het gebruik van de Androgel. Hiermee is lege artis gehandeld.

Nu door de klachtencommissie is geoordeeld dat het verwerken van patiëntenberichten aangaande het recept beter had gekund en de zorgaanbieder de werkwijze heeft verbeterd, alsmede de omstandigheid dat excuses zijn aangeboden, kan de klacht over het afhandelen van berichten via MijnDossier buiten beschouwing blijven nu cliënt daarbij geen belang meer heeft. Bovendien is de huisarts van cliënt wel degelijk op de hoogte gebracht van de medicatie van cliënt.

De zorgaanbieder stelt dat het herhaalrecept is verstuurd naar de apotheek van cliënt die bij de zorgaanbieder bekend was. De nieuwe apotheek van cliënt was niet bekend bij de zorgaanbieder. Het valt onder de verantwoordelijkheid van cliënt zelf om dit aan de zorgaanbieder door te geven. Het kan de zorgaanbieder dan ook niet worden aangerekend dat het herhaalrecept is verstuurd naar de verkeerde apotheek. De toedieningsvormen van een zakje Androgel en Androgel met een doseerpomp zijn medisch equivalent: de gel dient vervolgens uitgesmeerd te worden over het lichaam. De zorgaanbieder meende dat dit met een doseerpompje gemakkelijker zou zijn voor cliënt, maar heeft dit niet vooraf met hem kunnen bespreken. Verontschuldigingen zijn aangeboden en de huisarts is vervolgens geïnformeerd.
De cortisolwaarde is volgens de zorgaanbieder na de ingreep in 2008 voldoende gemonitord en er is een behandeling ingezet op het moment dat de cortisolwaarde door de ondergrens zakte. Het beloop van de klachten van cliënt, zoals zelfmoordneigingen en achteruitgang van de motoriek, past overigens niet bij een tekort aan cortisol, maar is naar alle waarschijnlijkheid het gevolg van de vasculaire dementie waar cliënt aan lijdt. Overigens zou een te laag cortisol niet tot onomkeerbare schade leiden. Zodra een te laag cortisol wordt behandeld, verdwijnen de klachten die daardoor kunnen optreden. De conclusie is dan ook dat de zorgaanbieder niet eerder dan in 2019 hydrocortison hoefde voor te schrijven aan cliënt. Tijdens de daaraan voorafgaande controles ontbrak telkens de indicatie om te denken aan een ernstig verstoorde hypofyse bij cliënt en bestond er geen noodzaak tot het voorschrijven van hydrocortison. Er is lege artis door de zorgaanbieder gehandeld.

Het is nooit de bedoeling van de zorgaanbieder geweest om cliënt op een verkeerde manier aan te spreken over een recept. Indien dit wel zo is overgekomen dan vindt de zorgaanbieder dit spijtig. Excuses zijn daarvoor aangeboden, welke door cliënt zijn geaccepteerd. Cliënt heeft kennelijk geen behoefte gehad om in te gaan op het aanbod van de zorgaanbieder om een en ander telefonisch te bespreken. Een dergelijk gesprek had kunnen bijdragen aan het herstel van de relatie.
Overigens is het aannemelijk dat de polimedewerkers cliënt telefonisch maar beperkt konden helpen met vragen over recepten. Het is immers de taak van de voorschrijvend arts om recepten te schrijven en door te sturen.

De zorgaanbieder concludeert dan ook dat de klacht voor afwijzing gereed ligt. Er is geen sprake van onzorgvuldig handelen door de zorgaanbieder. Een grondslag voor schadevergoeding ontbreekt dan ook.

Beoordeling
De commissie heeft het volgende overwogen.

De commissie dient zich allereerst ambtshalve uit te spreken over de ontvankelijkheid van cliënt, nu een klachtonderdeel al door de klachtencommissie van de zorgaanbieder gegrond is verklaard. Ingevolge artikel 5 lid 1 sub f van het Reglement Geschillencommissie Ziekenhuizen kan de commissie een cliënt in zijn klacht ambtshalve niet-ontvankelijk verklaren, indien hij geen redelijk belang heeft bij een uitspraak van de commissie. Uit vaste jurisprudentie van de commissie (bijvoorbeeld de uitspraak met referentiecode 225170/248421) blijkt dat klachtonderdelen die reeds gegrond zijn verklaard in de interne klachtenprocedure, in beginsel niet opnieuw door de commissie kunnen worden behandeld. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de klacht over het niet reageren op patiëntenberichten al door de klachtencommissie van de zorgaanbieder gegrond is verklaard. De zorgaanbieder heeft praktisch gevolg gegeven aan die uitspraak door zijn werkwijze te verbeteren. Ook zijn excuses aan cliënt aangeboden. De commissie verklaart cliënt dan ook niet-ontvankelijk in voormelde klacht.

Blijkens artikel 21 lid 1 sub b van de Wkkgz kan de commissie een klacht wel behandelen, indien het oordeel van de zorgaanbieder op een klacht, de klacht naar het oordeel van een klager in onvoldoende mate wegneemt. Nu dit ten aanzien van de overige klachtonderdelen het geval is, gaat de commissie over tot inhoudelijke beoordeling van deze klachtonderdelen.

Op grond van de zorgovereenkomst moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 van het Burgerlijk Wetboek). Deze zorgplicht houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot/hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht. Voor aansprakelijkheid van de zorgaanbieder is vereist dat voldoende aannemelijk is dat de zorgaanbieder, dan wel ieder die werd ingeschakeld bij de uitvoering van de voor de zorgaanbieder uit de behandelingsovereenkomst voortvloeiende verplichting, is tekortgeschoten in de uitvoering van die verplichting. De tekortkoming moet aan de zorgaanbieder kunnen worden verweten (toerekenbare tekortkoming) en cliënt moet daarvan nadeel hebben ondervonden.

In de uitspraak van de klachtencommissie van de zorgaanbieder is bevestigd dat de huisarts door de zorgaanbieder op de hoogte is gebracht van de medicatie van cliënt. Desondanks handhaaft cliënt zijn klacht bij de commissie. Nu cliënt verder geen nadere onderbouwing geeft van zijn klacht die tot een ander oordeel zou moeten leiden, zal de commissie dit klachtonderdeel ongegrond verklaren.

Ten aanzien van de toediening van Androgel heeft de klachtencommissie van de zorgaanbieder overwogen dat uit het medisch dossier van cliënt niet kan worden afgeleid dat de Androgel is stopgezet. De overweging van de zorgaanbieder om bij cliënt bij wijze van proef te stoppen met de toepassing van Androgel is medisch navolgbaar en geaccepteerd

Door de klachtencommissie van de zorgaanbieder is eveneens geoordeeld dat het aannemelijk is dat de zorgaanbieder niet eerder dan in 2019 hydrocortison heeft voorgeschreven aan cliënt. Na de operatie in 2008 is de vinger aan de pols gehouden doordat er regelmatig onderzoek werd gedaan naar de cortisolwaarden van cliënt.

Hierbij was er telkens geen indicatie om te denken aan een ernstig verstoorde hypofyse bij patiënt en er bestond dus geen noodzaak voor het voorschrijven van hydrocortison.

Gelet hierop is de klachtencommissie van oordeel dat de besluiten van de zorgaanbieder rondom het (stoppen met) toediening van de Androgel en de overwegingen met betrekking tot het voorschrijven hydrocortison medisch geaccepteerd zijn. De commissie deelt dit standpunt. Door cliënt is geen nadere onderbouwing gegeven die tot een ander oordeel zou moeten leiden. Deze klachtonderdelen zijn dan ook eveneens ongegrond.

Dat geldt evenzeer ten aanzien van de klachten over het registreren van een verkeerde apotheek en het voorschrijven van een doseerpomp Androgel in plaats van zakjes. Niet is gebleken dat de handelwijze van de zorgaanbieder te dien aanzien onzorgvuldig is geweest. Ook deze onderdelen van de klacht van cliënt zijn dan ook ongegrond.

Tot slot zal de commissie ook de klacht van cliënt met betrekking tot de onvoldoende telefonische hulpverlening en het beledigen ongegrond verklaren. Het enkele feit dat het gesprek tussen (de zoon van) cliënt wellicht een minder vriendelijk verloop heeft gehad hoeft niet per se aan de medewerker van de zorgaanbieder te wijten zijn. Dat sprake is geweest van onvoldoende hulpvaardigheid en/of beledigende uitlatingen heeft de commissie op grond van het dossier niet kunnen vaststellen.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

Verklaart cliënt in het klachtonderdeel over het niet reageren op patiëntenberichten niet-ontvankelijk;

Verklaart de overige klachtonderdelen ongegrond.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit mevrouw mr. dr. E. Venekatte, voorzitter, de heer prof. dr. T.W.J. Huizinga, de heer mr. R.P. Gerzon, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. I. van der Kamp, secretaris, op 28 maart 2025.