Geschil over complicaties na navelbreukoperatie

De Geschillencommissie Zorg




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: -    Jaartal: 2024
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 479801/618433

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Een patiënt onderging in maart 2022 een navelbreukoperatie in het IJsselland Ziekenhuis, maar bleef langdurig pijnklachten houden. Ondanks meerdere bezoeken aan het ziekenhuis werden zijn klachten aanvankelijk afgedaan als littekenweefsel. In april 2024 ontdekte de patiënt zelf een stukje hechtdraad dat uit zijn navel stak. Hierop werden drie hechtingen verwijderd, maar de vierde – die de meeste pijn veroorzaakte – bleef zitten en werd pas een maand later alsnog verwijderd. De patiënt voelde zich niet serieus genomen en eiste € 10.000 schadevergoeding wegens pijn en inkomensverlies. Het ziekenhuis stelde dat de operatie volgens de richtlijnen was uitgevoerd en dat de klachten een bekende complicatie waren. De Geschillencommissie oordeelde dat er geen sprake was van nalatigheid, omdat de chirurg zorgvuldig had gehandeld en de complicatie niet te voorkomen was. De klacht werd ongegrond verklaard en de schadevergoeding afgewezen. De patiënt kreeg geen erkenning of compensatie, maar het ziekenhuis moest wel de behandelingskosten aan de commissie betalen. Hiermee werd de zaak afgesloten zonder verdere gevolgen voor het ziekenhuis.

De uitspraak

in het geschil tussen

[naam], wonende te [plaats] (hierna te noemen: de cliënt)

en

IJsselland Ziekenhuis, gevestigd te Capelle aan den IJssel
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil

Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 18 december 2024 te Utrecht. Partijen zijn ter zitting verschenen en hebben hun standpunt nader toegelicht. De cliënt werd daarbij vergezeld door zijn vader. Ter zitting werd de zorgaanbieder vertegenwoordigd door [naam], stafmedewerker klachtenmanagement. Zij heeft de zitting digitaal bijgewoond.

Onderwerp van het geschil

De cliënt verwijt de zorgaanbieder dat een navelbreukoperatie onzorgvuldig is uitgevoerd waardoor hij veel last heeft ondervonden van aangebrachte hechtingen. De klachten werden weggewuifd maar uiteindelijk heeft de cliënt twee ingrepen moeten ondergaan om vier hechtingen te laten verwijderen. De cliënt verwijt de zorgaanbieder dat hij onnodig veel pijn en eveneens schade heeft geleden omdat hij langere tijd niet heeft kunnen werken.

Standpunt van de cliënt

Op 2 maart 2022 is de cliënt in het ziekenhuis van de zorgaanbieder geopereerd aan een navelbreuk. Een half jaar na de ingreep bleef de cliënt vervelende klachten houden van pijn rond de navel na inspanning. De huisarts heeft de cliënt weer naar het ziekenhuis verwezen. Op de polikliniek van de afdeling chirurgie heeft de cliënt duidelijk aangegeven waar de pijnlijke plekken zaten en te kennen gegeven dat hij vermoedde dat achtergebleven hechtingen de pijn veroorzaakten. Aan de cliënt werd echter verteld dat sprake was van littekenweefsel en dat hij de huid zachtjes moest masseren. De pijn bleef aanhouden en in april 2024 voelde de cliënt een scherp stukje uit zijn navel steken; het bleek om een stuk hechtdraad te gaan. Weer werd de cliënt doorverwezen naar het ziekenhuis waar ditmaal inderdaad werd geconstateerd dat het hechtdraad de boosdoener was. Op 7 mei 2024 is de cliënt op de OK van de polikliniek geopereerd en zijn drie hechtingen verwijderd. Het wondje in de navel wilde maar niet genezen en na drie weken ontdekte de cliënt tot zijn stomme verbazing dat juist het hechtdraad dat hem de meeste pijn had gegeven en uit de navel stak niet verwijderd was. Op 4 juni 2024 is de vierde hechting uiteindelijk alsnog operatief verwijderd. De cliënt begrijpt niet waarom niet eerder adequaat is opgetreden toen hij zich met klachten meldde. De cliënt voelde zich niet serieus genomen. Al met al heeft de cliënt ruim twee jaar met klachten rondgelopen en heeft hij drie ingrepen moeten ondergaan. De cliënt is van mening dat veel pijn en ellende hem bespaard hadden kunnen blijven als de zorgaanbieder hem zorgvuldiger had behandeld.
De cliënt had gehoopt op erkenning en excuses van de zorgaanbieder maar die heeft hij niet ontvangen. Daarom heeft de cliënt zijn klacht voorgelegd aan de commissie. De cliënt heeft door de pijn gedurende meerdere periodes niet kunnen werken -hij is kraanmachinist- of sporten. De cliënt houdt de zorgaanbieder verantwoordelijk voor de schade die hij als gevolg daarvan heeft geleden. De cliënt verlangt hiervoor een vergoeding van € 10.000, –.

Standpunt van de zorgaanbieder

De cliënt is op 2 maart 2022 door de chirurg van de zorgaanbieder geopereerd aan een navelbreuk. Aangezien de breukpoort kleiner was dan 2 cm is de breuk volgens geldende protocollen en richtlijnen gesloten met niet oplosbaar hechtdraad. Na een dergelijke operatie treedt soms een complicatie op waar de cliënt over is geïnformeerd; een zogenoemde draadfistel. Die complicatie heeft zich bij de cliënt voorgedaan. Op 7 mei 2024 heeft de chirurg getracht de cliënt van zijn klachten af te helpen en had hij de intentie de vier geplaatste hechtingen te verwijderen. Bij de ingreep waren echter slechts drie van de vier hechtingen te traceren en zijn die drie hechtingen verwijderd in de hoop dat daarmee de klachten van de cliënt verholpen zouden zijn. De cliënt is er op dat moment meteen op gewezen dat hij zich bij aanhoudende klachten weer moest melden om zo nodig ook de vierde hechting te verwijderen. Helaas heeft de vierde hechting de cliënt ook klachten gegeven waarna de chirurg op 4 juni 2024 ook die laatste hechting, die op dat moment wel traceerbaar was, heeft verwijderd. De zorgaanbieder betreurt het dat de cliënt twee jaar na de ingreep last heeft ondervonden van de hechtingen en het in eerste instantie niet gelukt is de vier hechtingen te verwijderen. Van een medische fout is echter geen sprake.

Beoordeling van het geschil

Bij de beoordeling van deze klacht geldt het volgende beoordelingskader. De overeenkomst die is gesloten tussen de cliënt en de zorgaanbieder, is aan te merken als een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Bij de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet de hulpverlener – in dit geval de chirurg – de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen. Daarbij moet de hulpverlener handelen in overeenstemming met de op hem/haar rustende verantwoordelijkheid die voortvloeit uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 van het BW), die mede bepaald wordt door onder meer de stand en inzichten van de medische wetenschap, richtlijnen en protocollen. Deze zorgplicht houdt in dat de hulpverlener die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot/hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

De zorgplicht houdt in beginsel geen resultaatsverplichting in, maar wordt aangemerkt als een inspanningsverplichting. Van een tekortkoming kan dan ook pas worden gesproken indien komt vast te staan dat de hulpverlener zich onvoldoende heeft ingespannen of bij de inspanning een fout heeft gemaakt.
De commissie dient te onderzoeken of de chirurg bij de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst in de gegeven omstandigheden al dan niet de hiervoor omschreven zorgplicht heeft nageleefd.

De commissie heeft het volgende overwogen.

Door de chirurg van de zorgaanbieder is bij de cliënt een ingreep tot het sluiten van een navelbreuk uitgevoerd. Een kleinere breuk wordt gesloten met niet oplosbaar hechtdraad, ter voorkoming van een recidief (het opnieuw optreden van de breuk). Een grotere breuk wordt gesloten middels het aanbrengen van een ‘matje’. In het geval van de cliënt was sprake van een kleinere breuk. De commissie is van oordeel dat de chirurg van de zorgaanbieder de juiste operatietechniek voor deze breuk heeft toegepast. Een terugkeer van de breuk heeft zich niet voorgedaan.

Het hechtdraad dat bij de ingreep wordt gebruikt wordt bij de meeste patiënten ingekapseld door het lichaam zonder dat noemenswaardige klachten optreden. Patiëntgebonden factoren zoals de anatomie en de fysiologie van de patiënt en het individueel herstellend vermogen kunnen maken dat het hechtdraad niet voldoende ingekapseld raakt en toch klachten geeft. De cliënt is over deze mogelijkheid, die een complicatie wordt genoemd, geïnformeerd. Bij de cliënt heeft deze complicatie zich voorgedaan waarna hij zich opnieuw in het ziekenhuis heeft gemeld. De cliënt verwijt de zorgaanbieder dat op dat moment, op 7 mei 2024, slechts drie hechtingen zijn verwijderd hoewel juist de vierde hechting hem veel last gaf. De vierde hechting is pas op 4 juni 2024 onder narcose (‘een roesje’), verwijderd. De commissie heeft niet vast kunnen stellen dat het niet kunnen traceren of verwijderen van de vierde hechting op 7 mei 2024 de chirurg kan worden verweten. Op 7 mei 2024 vond de ingreep plaats onder lokale verdoving die zoals de cliënt heeft toegelicht pijnlijk en ongemakkelijk was. De chirurg heeft de drie hechtingen die op dat moment zichtbaar waren verwijderd, in de hoop de klachten van de cliënt daarmee afdoende op te lossen, zo begrijpt de commissie. De commissie begrijpt goed dat het pijnlijk en belastend is geweest voor de cliënt dat hij vervolgens alsnog een ingreep heeft moeten ondergaan om ook de vierde en laatste hechting te laten verwijderen. Van enig verwijtbaar of onzorgvuldig handelen is de commissie echter niet gebleken.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is. Het verzoek tot het toekennen van schadevergoeding wordt dan ook afgewezen.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie:
– verklaart de klacht van de cliënt ongegrond;
– wijst het verzoek tot het toekennen van schadevergoeding af.
– overeenkomstig het reglement van de commissie is de zorgaanbieder aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, de heer prof. dr. J.A. van der Hage, de heer mr. P.O.H. Gevaerts, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. J.C. Quint, secretaris, op 18 december 2024.