Geschil over blijvend letsel na carpaal tunneloperatie en informatievoorziening vooraf

De Geschillencommissie Zorg




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: -    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 574806/772840

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

In dit geschil beklaagt de cliënte zich over blijvend letsel aan haar rechterhand na een operatie in 2017 voor carpaal tunnel syndroom, uitgevoerd door een plastisch chirurg van het Amsterdam UMC. Zij stelt dat de ingreep onzorgvuldig is uitgevoerd en dat zij onvoldoende is geïnformeerd over het risico op blijvend letsel, waaronder zenuwbeschadiging en atrofie. Daarnaast stelt zij dat geen rekening is gehouden met een mogelijk bifide verloop van de nervus medianus, wat volgens haar extra risico met zich bracht. De zorgaanbieder ontkent dat er sprake is van medisch onzorgvuldig handelen en stelt dat de ingreep volgens protocol is verlopen. De cliënte werd vooraf geïnformeerd over mogelijke complicaties, waaronder zenuwletsel. Uit het medisch dossier blijkt dat de ingreep ongecompliceerd verliep en dat pas later klachten als pijn en atrofie optraden. Er is geen duidelijk causaal verband aangetoond tussen de ingreep en het blijvende letsel. De cliënte heeft een second opinion laten aanvragen, maar geen informatie daaruit of van een onafhankelijk expertonderzoek ingebracht. Ook heeft zij afgezien van een gezamenlijke deskundigenanalyse. De commissie erkent de ernst van de klachten, maar kan niet vaststellen dat deze het gevolg zijn van foutief medisch handelen. Daarom verklaart de commissie de klacht ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

De uitspraak

in het geschil tussen

mevrouw [naam], wonende te [plaatsnaam] (hierna te noemen: de cliënte)

en

Stichting Amsterdam UMC, gevestigd te Amsterdam
(hierna te noemen: de zorgaanbieder)
gemachtigde: de heer [naam], jurist medische zaken.

Behandeling van het geschil

Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 24 januari 2025 te Den Haag.

Partijen hebben aangegeven dat zij geen prijs stellen op een mondelinge behandeling van het geschil. Partijen zijn dan ook niet voor de zitting opgeroepen.

Onderwerp van het geschil

De cliënte heeft in het ziekenhuis van de zorgaanbieder een ingreep ondergaan vanwege een carpaal tunnel syndroom. De cliënte verwijt de zorgaanbieder dat die ingreep onzorgvuldig is uitgevoerd, waardoor zij ernstig en blijvend letsel aan haar rechterhand heeft opgelopen. De cliënte verwijt de zorgaanbieder voorts dat zij onvoldoende is geïnformeerd over de mogelijke risico’s van blijvend letsel als gevolg van de ingreep.

Standpunt van de cliënte

Voor het standpunt van de cliënte verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De cliënte is in april 2017 in het ziekenhuis van de zorgaanbieder door een plastisch chirurg geopereerd vanwege een carpaal tunnel syndroom. Tegelijkertijd is een ganglion (een cyste) verwijderd.
De cliënte heeft aan die ingreep blijvend letsel overgehouden aan haar rechterhand. Zo is sprake van bewegingsbeperking, pijn, atrofie en krachtverlies. De cliënte verwijt de chirurg van de zorgaanbieder onzorgvuldig handelen. Daarbij verwijt de cliënte de zorgaanbieder dat zij onvoldoende is geïnformeerd over het mogelijke risico van blijvend letsel.

Tussen partijen is zeer veel gecorrespondeerd, maar dit heeft voor de cliënte niet tot opheldering of een bevredigend resultaat geleid.

De cliënte heeft haar klachten dan ook voorgelegd aan de klachtencommissie van de zorgaanbieder, die de klachten in een uitspraak van 21 mei 2024 ongegrond heeft verklaard. De cliënte kan zich niet vinden in die beslissing en vraagt een onafhankelijk oordeel van de commissie over de volgende drie klachtonderdelen:

1. De chirurg heeft tijdens de operatie op 5 april 2017 onzorgvuldig gehandeld;
2. De cliënte is voorafgaand aan de ingreep niet geïnformeerd over mogelijk blijvend letsel/atrofie;
3. Tijdens de operatie is ten onrechte geen aandacht besteed aan het bifide verloop van de nervus medianus, hoewel dit een verhoogd risico op letsel/atrofie met zich brengt.

Als gevolg van het blijvend letsel is de cliënte afgekeurd voor haar werk. De cliënte moet nu rondkomen van een uitkering in plaats van een inkomen uit werk. Zij heeft vele operaties moeten ondergaan om de klachten te verminderen. Naast een erkenning van haar klachten vraagt de cliënte een schadevergoeding die recht doet aan het functieverlies dat zij heeft opgelopen. De functiebeperking van haar rechterhand heeft een enorme impact op het dagelijks leven van de cliënte.

Standpunt van de zorgaanbieder

Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De cliënte heeft op 5 april 2017 een ingreep in het ziekenhuis van de zorgaanbieder ondergaan vanwege een carpaal tunnelsyndroom. Tevens werd tijdens die ingreep een ganglion verwijderd. De ingreep verliep ongecompliceerd. Aanvankelijk ondervond de cliënte een vermindering van klachten (de tintelingen waren afgenomen), maar gaandeweg maakte de cliënte melding van pijnklachten aan de duimbasis. Vanwege aanhoudende klachten werd op 26 juni 2017 een röntgenfoto gemaakt. Hierop was geen artrose van het duimbasisgewricht of een andere verklaring voor de pijnklachten zichtbaar. Vanwege de pijnklachten werd aan de cliënte een Kenacort injectie toegediend, waardoor de pijnklachten tijdelijk afnamen. Bij lichamelijk onderzoek op 16 november 2017 was een afgenomen spiervolume van de duimmuis (thenar atrofie) zichtbaar. Omdat niet duidelijk werd waardoor de atrofie werd veroorzaakt, vond een nader onderzoek door een andere chirurg van de zorgaanbieder plaats op 6 december 2017, waarna werd geconcludeerd dat de pijnklachten passend waren bij het postoperatieve beloop en de thenar atrofie mogelijk het gevolg was van een zenuwbeschadiging. Er werd een afwachtend beleid ingezet en er werd een controleafspraak gemaakt voor enkele maanden later. Een EMG-onderzoek op 8 mei 2018 toonde lichte geleidingsstoornissen van het gevoel en de motoriek, maar liet tevens een normaal oppervlak en volume van de zenuw zien. Met de cliënte werd de mogelijkheid van een ingreep besproken om de oorzaak van de pijnklachten te kunnen achterhalen en indien mogelijk weg te kunnen nemen. De cliënte heeft echter verzocht om een verwijsbrief voor een second opinion door een handchirurg in het Rode Kruis Ziekhuis in Beverwijk. De cliënte heeft het ziekenhuis van de zorgaanbieder vervolgens niet meer bezocht.

Op 7 februari 2020 heeft de cliënte de zorgaanbieder aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van de op 5 april 2017 uitgevoerde ingreep. De zorgaanbieder heeft de cliënte voorgesteld om gezamenlijk een expertise te laten verrichten door een onafhankelijke deskundige, maar de cliënte heeft daarvan afgezien. Op een uitnodiging voor een gesprek heeft de cliënte na een aanvankelijk positieve reactie niet meer gereageerd.

De zorgaanbieder stelt zich op het standpunt dat bij de ingreep zorgvuldig is gehandeld en geen fout is gemaakt. Na een ingreep kunnen klachten en complicaties optreden. Hoewel de oorzaak van de klachten van de cliënte na onderzoek niet bleek vast te stellen, kan niet worden uitgesloten dat haar klachten het gevolg zijn van de ingreep. De cliënte is echter op de mogelijkheid van zenuwschade en een verstoring van de duimbewegingen gewezen. Een bifide verloop van de nervus medianus leidt niet tot een verhoogd risico bij een carpaal tunnel release. Bij deze ingreep wordt alleen de carpale tunnel geopend die zich boven de nervus medianus bevindt.

De zorgaanbieder betreurt het dat de cliënte pijnklachten ondervindt waardoor zij beperkingen ervaart in haar dagelijks leven. Van medisch onzorgvuldig of verwijtbaar handelen is echter geen sprake.

Beoordeling van het geschil

Bij de beoordeling van deze klacht geldt het volgende beoordelingskader. De overeenkomst die is gesloten tussen de cliënte en de zorgaanbieder, is aan te merken als een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Bij de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet de hulpverlener – in dit geval de chirurg – de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen. Daarbij moet de hulpverlener handelen in overeenstemming met de op hem/haar rustende verantwoordelijkheid die voortvloeit uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 van het BW), die mede bepaald wordt door onder meer de stand en inzichten van de medische wetenschap, richtlijnen en protocollen. Deze zorgplicht houdt in dat de hulpverlener die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot/hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

De zorgplicht houdt in beginsel geen resultaatsverplichting in, maar wordt aangemerkt als een inspanningsverplichting. Van een tekortkoming kan dan ook pas worden gesproken indien komt vast te staan dat de hulpverlener zich onvoldoende heeft ingespannen of bij de inspanning een fout heeft gemaakt.
De commissie dient te onderzoeken of de chirurg bij de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst in de gegeven omstandigheden al dan niet de hiervoor omschreven zorgplicht heeft nageleefd.

De commissie heeft het volgende overwogen.

Uit het medisch dossier blijkt dat de cliënte sinds 2016 onder behandeling was van de polikliniek Reumatologie van de zorgaanbieder wegens verschillende klachten, waaronder last van pijn en tintelingen in de rechterpols. Een EMG-onderzoek op 13 oktober 2016 duidde op een carpaal tunnel syndroom en op 22 februari 2017 werd op de polikliniek Neurochirurgie de operatie carpaal tunnel release met de cliënte besproken. Daarbij werden voorts mogelijke complicaties zoals infectie, wonddehiscentie en zenuwletsel besproken. Op 1 maart 2017 werd met de cliënte besproken dat de operatie zou worden uitgevoerd door een plastische/hand chirurg, omdat de cliënte naast de carpaal tunnel release ook de wens had tot het verwijderen van een ganglion op haar rechterpols. Op 16 maart 2017 werd op de polikliniek Plastische Chirurgie aanvullend (lichamelijk) onderzoek verricht en werd de cliënte geïnformeerd over de procedure en de behandeling. De cliënte heeft zich op die datum met de ingreep akkoord verklaard, waarna de operatie op 5 april 2017 door de plastisch chirurg plaatsvond.

Uit het operatieverslag blijkt dat de ingreep volgens de geldende protocollen en richtlijnen is uitgevoerd en zonder complicaties is verlopen. Van enig onzorgvuldig handelen van de chirurg voor of tijdens de ingreep is de commissie dan ook niet gebleken.

De cliënte heeft na de ingreep klachten van verminderde duimkracht ervaren (duimmuis atrofie), die van blijvende aard zijn gebleken. De cliënte verwijt de zorgaanbieder dat die klachten zijn toe te schrijven aan de ingreep die zij op 5 april 2017 in het ziekenhuis van de zorgaanbieder heeft ondergaan.

De commissie is echter van oordeel dat niet kan worden vastgesteld hoe en wanneer de klachten van partiële atrofie bij de cliënte zijn ontstaan. Uit het dossier blijkt dat de cliënte zich voor een second opinion heeft gewend tot het Rode Kruis Ziekenhuis in Beverwijk. De zorgaanbieder heeft de cliënte daartoe bij brief van 18 mei 2018 doorverwezen. In het dossier bevindt zich echter geen informatie over een nader onderzoek of bevindingen uit dat ziekenhuis of van een andere zorgverlener. De cliënte heeft niet weersproken dat zij geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om een expertise door een onafhankelijke deskundige te laten verrichten zoals de zorgaanbieder heeft voorgesteld.

Een causaal verband tussen de klachten van de cliënte en de ingreep van de zorgaanbieder kan dan ook niet worden vastgesteld. Een dergelijk verband kan echter ook niet met zekerheid worden uitgesloten.
Voor zover de blijvende klachten van de cliënte zijn terug te voeren op de ingreep die door de zorgaanbieder is uitgevoerd, betreft het echter een zeldzame complicatie. De cliënte heeft zich op het standpunt gesteld dat zij niet over mogelijk blijvend letsel is geïnformeerd. Voor de commissie is gelet op de aantekening in het medisch dossier van 22 februari 2017 – waarbij de cliënte is geïnformeerd over de operatie en de mogelijke complicaties met haar zijn besproken – vast komen te staan dat de cliënte op die datum over mogelijk zenuwletsel is geïnformeerd.
Daarbij is aan de cliënte een informatiebrochure overhandigd waarin is genoteerd dat een zenuwtakje beschadigd kan raken, waardoor de duimbewegingen wat gestoord kunnen raken. De commissie is dan ook van oordeel dat de zorgaanbieder de cliënte op juiste wijze heeft voorgelicht over de te verwachten gevolgen en risico’s van de behandeling zoals artikel 7:448, lid 2, sub b, van het BW voorschrijft.

De cliënte verwijt de zorgaanbieder dat bij de ingreep op 5 april 2017 geen rekening is gehouden met het ‘bifide verloop van de nervus medianus’. Voor zover bij de cliënte sprake is van een dergelijk bifide verloop van de zenuw, dan is dat voor de beoordeling van de klacht van de cliënte en deze ingreep niet relevant. Bij een carpaal tunnel release wordt een incisie gemaakt in het kapsel/ weefsel dat het dak vormt van de carpaal tunnel. Het doel van deze incisie is dat de structuren die liggen in deze carpale tunnel meer ruimte krijgen. De structuren zelf, waaronder de nervus medianus, worden verder ongemoeid gelaten.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht in alle onderdelen ongegrond is. Het verzoek tot het toekennen van schadevergoeding wordt dan ook afgewezen.

De commissie hecht eraan op te merken dat niet wordt getwijfeld aan de ernst van de klachten van de cliënte en de dagelijkse beperkingen die zij daardoor ondervindt. Dat staat niet ter discussie. De commissie heeft echter niet vast kunnen stellen dat die klachten op enigerlei wijze zijn toe te rekenen aan het handelen of nalaten van de zorgaanbieder.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie:
– verklaart de klacht van de cliënte in alle onderdelen ongegrond;
– wijst het verzoek tot het toekennen van schadevergoeding af.

Overeenkomstig het reglement van de commissie is de zorgaanbieder aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit de heer mr. H.A. van Gameren, voorzitter, de heer dr. T.H.J. Nijhuis en de heer mr. P.O.H. Gevaerts, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. J.C. Quint, secretaris, op 24 januari 2025.