Geschil over abortusbehandeling: commissie vraagt eerst medisch dossier op

De Geschillencommissie Zorg




Commissie: Zorg Algemeen    Categorie: (On)zorgvuldigheid    Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Tussen Advies   Uitkomst: Aanhouding beslissing   Referentiecode: 1314599/1334208

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Deze zaak gaat over een cliënte die eind 2021 bij een zorgaanbieder een zwangerschapsafbreking heeft ondergaan. Volgens de cliënte was de behandeling niet goed uitgevoerd, omdat later bleek dat er nog zwangerschapsweefsel was achtergebleven. Daardoor moest zij bij een andere zorgaanbieder een tweede medische ingreep ondergaan. Zij stelt dat zij hierdoor lichamelijke en psychische schade heeft geleden en vraagt een schadevergoeding van € 2.000,-. De zorgaanbieder is het daar niet mee eens en stelt dat de behandeling volgens de geldende medische regels is uitgevoerd en dat bekende risico’s vooraf met de cliënte zijn besproken. De commissie kon nog geen oordeel geven over de klacht, omdat de zorgaanbieder het medisch dossier en het verslag van de ingreep niet had overgelegd. Zonder deze informatie kan de commissie niet beoordelen of de zorgaanbieder zorgvuldig heeft gehandeld. Daarom krijgt de zorgaanbieder de gelegenheid om deze stukken alsnog aan te leveren. Daarna mag de cliënte daarop reageren en zal de commissie de zaak verder behandelen. Er is dus nog geen definitieve beslissing genomen over de klacht of de gevraagde schadevergoeding.

De volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft de behandeling die door de zorgaanbieder bij de cliënte is uitgevoerd.

Standpunt van de cliënte

Voor het standpunt van de cliënte verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De cliënte heeft op 29 december 2021 een abortus provocatus ondergaan bij de zorgaanbieder.
Deze bleek achteraf onvolledig; bij een andere zorgaanbieder werd op 31 januari 2022 een zwangerschapsrest (3,5×1,3 cm) met hCG 793 vastgesteld.
Op 2 februari 2022 heeft een tweede curettage plaatsgevonden. Pathologie toonde placentaweefsel en vliezen. Resultaat: ontstekingswaarden (CRP 22, leukocyten 11,2, neutrofielen 9,45).

De cliënte is van mening dat de behandeling door de zorgaanbieder onzorgvuldig is uitgevoerd.
Zij verzoekt de commissie haar een schadevergoeding van € 2.000,- toe te kennen voor de tweede medische ingreep, de ontsteking en een herstelperiode, alsmede voor de daaruit voortvloeiende psychische schade (angst, onzekerheid en het ontbreken van erkenning).

Standpunt van de zorgaanbieder

Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De cliënte heeft eind december 2021 een zwangerschapsafbreking onder sedatie middels een instrumentele vacuümcurettage ondergaan.
De behandeling is lege artis uitgevoerd. Er zijn altijd (hoe klein dan ook) risico’s aan chirurgische ingrepen verbonden (zoals bijvoorbeeld infectie), die mogelijk nopen tot het zoeken van specialistische hulp. Hierover is de cliënte tijdens het intakegesprek uitvoerig ingelicht. Zij heeft een zogeheten ‘informed consent’ ondertekend.

Na de behandeling is de cliënte na instructie en met antibiotica in goede conditie naar huis gegaan. Zij heeft conform het advies van de zorgaanbieder na ongeveer een maand (normaal drie weken) haar nacontrole bij de huisarts laten uitvoeren. Deze heeft zonder overleg met de zorgaanbieder contact gezocht met een andere zorgaanbieder. Aldaar heeft een tweede curettage plaatsgevonden. De ingezette vervolgacties van de huisarts en het handelen van de andere zorgaanbieder liggen buiten de invloedssfeer van de zorgaanbieder.

Nu de zorgaanbieder geen medische fouten heeft gemaakt, aanvaardt hij geen aansprakelijkheid voor de claim van de cliënte en stelt hij zich op het standpunt dat de klacht dient te worden afgewezen.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

Toetsingskader
De rechtsverhouding tussen partijen is aan te merken als een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Naast hetgeen partijen in die overeenkomst hebben afgesproken, gelden tussen hen – voor zover in het concrete geval van toepassing – de overige bepalingen van het BW. Bij de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moeten de betrokken hulpverleners de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hen rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 BW). Deze zorgplicht houdt in dat de hulpverleners die zorg moeten betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot/hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht. Het gaat bij de beoordeling daarvan niet om de vraag of het betreffende handelen van de hulpverleners anders of mogelijk zelfs beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de hulpverleners binnen de grenzen van een redelijk handelend en redelijk bekwame vakgenoot/hulpverlener in dezelfde omstandigheden zijn gebleven.
Voor aansprakelijkheid van de zorgaanbieder voor de door de cliënte verzochte schadevergoeding is vereist dat voldoende aannemelijk is dat de zorgaanbieder, dan wel ieder die werd ingeschakeld bij de uitvoering van de voor de zorgaanbieder uit de overeenkomst voortvloeiende verplichting, is tekortgeschoten in de uitvoering van die verplichting. De tekortkoming moet aan de zorgaanbieder kunnen worden verweten (toerekenbare tekortkoming) en de cliënte moet daarvan nadeel hebben ondervonden.

De cliënte beklaagt zich over de abortusbehandeling die door de zorgaanbieder is uitgevoerd.
De zorgaanbieder heeft eerst op 2 juli 2026 zijn verweerschrift bij de commissie ingediend. Dit is op
3 juli 2026 voor de cliënte in het digitale dossier toegankelijk geworden. Op deze korte termijn heeft de cliënte naar het oordeel van de commissie zich niet, althans onvoldoende, kunnen voorbereiden op de zitting van 7 juli 2026, waarvoor partijen aanvankelijk wel waren opgeroepen. De commissie heeft daarom besloten de zitting zonder partijen te laten plaatsvinden.

Daarbij is voorts van belang dat de zorgaanbieder bij het verweerschrift niet het medisch dossier van de cliënte heeft overgelegd.
Op grond van de haar thans ter beschikking staande informatie kan de commissie niet beoordelen of de zorgaanbieder al dan niet aan de op hem rustende verplichting heeft voldaan. Om een juiste en afgewogen beslissing te kunnen nemen, heeft de commissie behoefte aan het medisch dossier, althans het verslag van de ingreep die bij de cliënte is uitgevoerd.

De commissie zal de zorgaanbieder daarom in de gelegenheid stellen het medisch dossier, althans voormeld verslag alsnog in het geding te brengen/aan te leveren.
Daarbij merkt de commissie op dat de cliënte in het vragenformulier hiervoor toestemming heeft gegeven.
Immers, daarin is de volgende passage opgenomen;
“Ik geef toestemming voor de verwerking van mijn (para)medische gegevens door de Geschillencommissie Zorg Algemeen. Ook mag de Geschillencommissie Zorg Algemeen mijn (para)medische gegevens opvragen bij de zorgaanbieder waarover de klacht gaat of bij zijn vertegenwoordiger. De zorgaanbieder of zijn vertegenwoordiger mag mijn (para)medische gegevens ook ongevraagd aan de Geschillencommissie Zorg Algemeen toesturen, wanneer dat van belang is voor de behandeling van de klacht. De zorgaanbieder zal de (para)medische gegevens alleen toesturen als dat op basis van wet- en regelgeving mag’.
De cliënte krijgt de gelegenheid om op de overgelegde stukken te reageren.

Na ontvangst van het medisch dossier/het verslag van de ingreep en de reactie van de cliënte zal in beginsel een mondelinge behandeling worden gehouden, waarvoor partijen zullen worden uitgenodigd.

Gelet op het voorgaande zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie:

– stelt de zorgaanbieder in de gelegenheid om binnen een maand na de verzending van dit bindend tussenadvies de gevraagde informatie in het geding te brengen;

– stelt de cliënte in de gelegenheid om op de stukken die de zorgaanbieder op grond van dit
tussenadvies heeft overgelegd schriftelijk te reageren binnen een termijn van een maand nadat zij
die stukken heeft ontvangen;

– zal vervolgens door haar secretariaat een datum laten bepalen voor een nadere mondelinge behandeling en beide partijen daarvoor uitnodigen dan wel een bindend advies geven;

– houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Zorg Algemeen, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, de heer drs. J.H.A. Vollebergh en de heer mr. P.O.H. Gevaerts, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. drs. I.M. van Trier, secretaris, op 7 juli 2026