Commissie: Ziekenhuizen
Categorie: (On) zorgvuldigheid
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: bindend advies
Uitkomst: ongegrond
Referentiecode:
855636/998398
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De cliënt klaagde dat de neuroloog haar klachten niet serieus nam en onvoldoende onderzoek deed naar mogelijke epilepsie, omdat er geen EEG werd uitgevoerd. Later stelde een ander ziekenhuis wel epilepsie vast. De zorgaanbieder legde uit dat tijdens de eerdere onderzoeken geen signalen van epilepsie werden gezien en dat volgens de richtlijnen alleen een EEG wordt gedaan als er een duidelijke verdenking is. De commissie vindt dat de neuroloog zorgvuldig heeft gehandeld en terecht geen EEG heeft laten doen op dat moment. Daarom wordt de klacht ongegrond verklaard.
De volledige uitspraak
in het geschil tussen
[Naam], wonende te [woonplaats(hierna te noemen: de cliënt)
en
Stichting Bravis ziekenhuis, gevestigd te Roosendaal
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).
Onderwerp van het geschil
De cliënt heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder.
Het geschil betreft het onderzoek dat de zorgaanbieder heeft verricht naar de klachten van de cliënt.
Standpunt van de klagers
Voor het standpunt van de klagers verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dat op het volgende neer.
De cliënt, [naam], meerderjarige dochter van de klagers, is op verwijzing van haar huisarts naar neuroloog [naam] bij de zorgaanbieder gegaan. In de verwijzing stond benoemd dat de cliënt klachten had en heeft die overeenkomen met haar vroegere epilepsie, met een verzoek om onderzoek en uitsluiting.
De neuroloog heeft geen EEG laten doen of ander onderzoek wat epilepsie zou kunnen aantonen. De klachten van de cliënt (trage informatieverwerking, niet helder kunnen denken, informatie niet kunnen opslaan) heeft de dokter niet serieus genomen en gelabeld als stress vanwege een studie en een verhuizing. Omdat de cliënt ook aangaf depressief te zijn en daarvoor een GGZ-afspraak te hebben, gaf de neuroloog aan niets voor de cliënt te kunnen doen.
Vanwege verslechtering van het beeld bij de cliënt hebben de klagers een verwijzing aangevraagd en is de cliënt in mei 2024 bij een neuroloog in een ander ziekenhuis geweest. Daar is wel een EEG gemaakt en een slaapdeprivatie onderzoek uitgevoerd. Hieruit is geconcludeerd dat bij de cliënt sprake is van epilepsie. De cliënt kreeg lamotrigine voorgeschreven en sindsdien hebben geen absences meer plaatsgevonden.
De klagers willen erkenning voor het onzorgvuldig handelen van de neuroloog en vorderen namens de cliënt een schadevergoeding van € 25.000,–, als compensatie voor gemaakte kosten zoals rijlessen, eigen risico, studieschuld en studievertraging en als compensatie voor emotionele en lichamelijke schade.
Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dat op het volgende neer.
De huisarts heeft in de verwijsbrief niet aangegeven dat de klachten die de cliënt heeft, overeenkomen met haar vroegere absences. Er is door de huisarts slechts gevraagd of de klachten van traagheid en het moeilijk kunnen verwerken van informatie samen kunnen hangen met de absence uit het verleden.
Uit het medisch dossier volgt dat er op 12 januari 2022 een uitgebreide anamnese en lichamelijk onderzoek is verricht. Er is ook bloedonderzoek gedaan. Uit beide onderzoeken zijn geen aanwijzingen naar voren gekomen die kunnen duiden op epilepsie. De neuroloog geeft in zijn persoonlijk commentaar aan bij de cliënt navraag te hebben gedaan naar haar epilepsieaanvallen, gelet op haar verleden. Zij gaf hierop aan geen aanvallen meer te hebben gehad.
Tijdens het lichamelijk onderzoek vond de neuroloog de cliënt niet traag in het contact en er waren ook geen andere afwijkingen gevonden. De relatie tussen traagheid en absence die haar in het verleden hinderde, was er niet. Omdat de cliënt aangaf geen aanvallen meer te hebben gehad, was er geen reden om te denken aan epilepsie. In juni 2022 heeft een controle afspraak plaatsgevonden. Hieruit kwamen klachten van depressie naar voren waarvoor de cliënt ondersteuning had van een psycholoog. Er was geen reden om aan te nemen dat de klachten neurologisch van aard waren.
Gelet op de bevindingen uit beide spreekuren en de resultaten van het bloedonderzoek was er geen reden om nader onderzoek, zoals een EEG te verrichten. Een epilepsie-diagnose kan ook niet altijd worden gesteld met een EEG-onderzoek. De zorgaanbieder verwijst naar de richtlijn van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie waarin is opgenomen: “Eeg-onderzoek dient voor het ondersteunen van de klinische diagnose epilepsie, de classificatie van epilepsie en de lokalisatie van een mogelijke epilepsiebron (focus). Bij een lage a priori kans op epilepsie, moet geen EEG worden gemaakt. Dit verhoogt namelijk de kans op fout-positieve diagnoses (Van Emde Boas & Van Huffelen, 1997)”.
De neuroloog heeft zich gehouden aan hetgeen in de richtlijn is opgenomen en heeft bewust gekozen geen EEG te verrichten, maar andere onderzoeken te doen. De stelling dat de klachten van de cliënt niet serieus genomen zijn en geen onderzoek is verricht, is dan ook niet juist. Op basis van de daaruit volgende informatie bestond geen reden om aan te nemen dat de klachten van de cliënt samenhingen met absences.
Volgens de zorgaanbieder is verder geen sprake van een causaal verband tussen het handelen van de neuroloog en de schade dan wel verslechterde situatie bij de cliënt.
Beoordeling van het geschil
Toetsingskader
De overeenkomst die de cliënt met de zorgaanbieder heeft gesloten, betreft een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Op grond van de behandelingsovereenkomst die de cliënt met de zorgaanbieder is aangegaan, moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (het goed hulpverlenerschap uit artikel 7:453 van het BW), die mede bepaald wordt door onder meer de stand en inzichten van de medische wetenschap, richtlijnen en protocollen. Het goed hulpverlenerschap houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.
Wat aan het geschil vooraf is gegaan
De cliënt was op jonge leeftijd bekend met absence-epilepsie. Vervolgens heeft zij jarenlang geen aanvallen meer gehad. Toen de cliënt op latere leeftijd rijles ging volgen, merkte zij dat ze moeite had met informatieverwerking en daarnaast ook last had van geheugenproblemen en futloosheid. De cliënt is door haar huisarts verwezen naar de neuroloog van de zorgaanbieder, met de vraag of de huidige klachten wellicht gerelateerd kunnen zijn aan de epilepsieklachten van haar jeugd.
Tijdens het consult van 12 januari 2022 is onderzoek uitgevoerd, waaruit geen verdenking van epilepsie volgde. Ook de controleafspraak enkele maanden later gaf voor de zorgaanbieder geen aanleiding om aan epilepsie te denken.
Vervolgens is bij een andere zorgaanbieder opnieuw onderzoek verricht en een EEG gemaakt. Deze zorgaanbieder heeft genoteerd: “Sinds het gebruik van lamotrigine 2 dd 50 mg heeft ze geen aanvallen meer gehad van derealisatie en staren. Zeer waarschijnlijk betreft het toch een epileptisch fenomeen”.
Volgens de klagers is het onzorgvuldig dat de zorgaanbieder geen EEG heeft gemaakt. Hierdoor zou de cliënt onnodig lang last hebben gehad van haar klachten.
Beoordeling
Met de informatie waarover de zorgaanbieder ten tijde van het consult beschikte, acht de commissie het verdedigbaar dat de zorgaanbieder heeft besloten geen EEG-onderzoek te verrichten.
Conform de Richtlijn Epilepsie van de Federatie Medisch Specialisten (FMS) kan een EEG-onderzoek de eerder klinisch gestelde diagnose epilepsie ondersteunen. Tevens kan een EEG bijdragen aan het bepalen van het type epilepsie en de lokalisatie van de epileptische activiteit. Hieruit volgt dat een EEG slechts geïndiceerd is indien er op grond van het klinisch beeld een redelijke verdenking op epilepsie bestaat.
In het onderhavige geval is uit het klinisch onderzoek geen verdenking naar voren gekomen van epilepsie. De cliënt had immers al gedurende meerdere jaren geen aanvallen meer gehad. Onder die omstandigheden bestond voor de zorgaanbieder geen aanleiding aanvullend een EEG uit te voeren.
Naar het oordeel van de commissie had de zorgaanbieder ook niet op andere wijze kunnen vaststellen dat – zoals de klagers stellen – wél sprake was van aanvallen, nu zowel de cliënt als haar vriend tijdens het consult geen melding hebben gemaakt van dergelijke verschijnselen. Voor de commissie is niet komen vast te staan dat met de zorgaanbieder informatie is gedeeld op grond waarvan deze had kunnen en moeten vaststellen dat er wel sprake was geweest van aanvallen.
Het standpunt van klagers dat de zorgaanbieder “voor de zekerheid” een EEG had moeten laten verrichten, volgt de commissie niet. Een zorgaanbieder is gehouden zorgvuldig te handelen, maar mag een cliënt niet onderwerpen aan niet-noodzakelijke onderzoeken. Daarbij wijst de commissie erop dat volgens de richtlijn de uitkomsten van een EEG niet altijd eenduidig zijn en dat interpretatieproblemen kunnen leiden tot fout-positieve uitslagen, wat eveneens een risico vormt voor onjuiste diagnostiek of behandeling.
De commissie heeft tot taak te beoordelen of de zorgaanbieder heeft gehandeld overeenkomstig de voor de sector geldende professionele standaarden, richtlijnen en protocollen. Nu de zorgaanbieder naar het oordeel van de commissie conform de geldende richtlijn heeft gehandeld, is niet gebleken van onzorgvuldig handelen.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
– verklaart de klacht ongegrond.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit mevrouw mr. A.D.R.M. Boumans, voorzitter, mevrouw dr. M.C. Visser MBA, de heer mr. P.O.H. Gevaerts, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. S.M.E. Balfoort, secretaris, op 21 oktober 2025.