Geen tekortkoming vastgesteld bij zorg na keizersnede

De Geschillencommissie Zorg




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: zorgverlening    Jaartal: 2026
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 1322969/1331272

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De klacht ging over de kwaliteit van de zorg na een keizersnede. Cliënte vond dat zij te vroeg uit het ziekenhuis was ontslagen, waardoor haar gezondheid verslechterde en zij later een bloedtransfusie nodig had. Ook stelde zij dat de diagnose ACNES (een zenuwpijnsyndroom in de buikwand) te laat was gesteld en dat tijdens de operatie coassistenten aanwezig waren zonder haar toestemming. De commissie oordeelde dat het ziekenhuis zorgvuldig heeft gehandeld. Op het moment van ontslag was er geen medische reden voor een bloedtransfusie, de latere diagnose ACNES is niet verwijtbaar omdat eerst andere oorzaken moesten worden uitgesloten, en cliënte was via folders geïnformeerd over de mogelijke aanwezigheid van coassistenten. Daarom verklaarde de commissie de klacht ongegrond.

De volledige uitspraak

in het geschil tussen

mevrouw [naam], wonende te [plaatsnaam] (hierna te noemen: de cliënte)

en

Stichting Dijklander Ziekenhuis, gevestigd te Hoorn
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Onderwerp van het geschil

De klacht betreft de onvoldoende kwaliteit van de verleende zorg.

Standpunt cliënte

Voor het standpunt van cliënte verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Cliënte stelt zich op het standpunt dat zij te vroeg is ontslagen uit het ziekenhuis, dat sprake is geweest van een levensbedreigende situatie en dat zij hierdoor schade heeft geleden. Cliënte is op 28 februari 2024 bevallen via een geplande keizersnede en is op 29 februari 2024 ontslagen uit het ziekenhuis, terwijl haar hemoglobinewaarde zeer laag was (Hb 4,8). Na ontslag uit het ziekenhuis verslechterde de gezondheidssituatie van cliënte thuis ernstig. Op 2 maart 2024 is zij met spoed opnieuw opgenomen. De hemoglobinewaarde bleek verder gedaald (Hb 4,6), waarna een bloedtransfusie noodzakelijk was. Voorts stelt cliënte dat sprake is geweest van een vertraging in de diagnose ACNES, met langdurige pijnklachten tot gevolg. In de maanden na de keizersnede bleef cliënte aanhoudende buikpijnklachten houden. Tijdens meerdere controles op de polikliniek gynaecologie in april en mei 2024 werd geen duidelijke verklaring voor haar klachten gevonden. Pas later werd bij cliënte de diagnose ACNES (Anterior Cutaneous Nerve Entrapment Syndrome) vastgesteld. Deze late diagnose heeft geleid tot langdurige lichamelijke pijn, beperkingen in het dagelijks functioneren en aanzienlijke psychische belasting. Verder stelt cliënte dat tijdens de sectio coassistenten aanwezig waren in de operatiekamer zonder haar toestemming, hetgeen zij kwalificeert als een schending van haar lichamelijke integriteit.

Cliënte stelt zich op het standpunt dat zij wel degelijk de interne klachtenprocedure heeft doorlopen. Vanwege haar taalniveau (A2) heeft zij bewust gevraagd om communicatie per e-mail, zodat zij alles goed kon begrijpen. Dit is ook duidelijk uitgelegd in e-mails. De communicatie is door cliënte niet geweigerd. Uit de e-mail van de klachtenfunctionaris blijkt bovendien dat haar klacht in behandeling is genomen en dat communicatie per e-mail mogelijk was. Haar vragen zijn echter niet volledig beantwoord. Op 25 november 2025 ontving zij een e-mail waarin haar klacht werd afgesloten, zonder dat klaagster nog een inhoudelijke reactie heeft ontvangen op haar laatste vragen. Hierdoor is de interne klachtenprocedure niet volledig afgerond, maar dit ligt niet aan cliënte. Tijdens die procedure heeft cliënte niet om een schadevergoeding gevraagd omdat haar focus in eerste instantie lag op het krijgen van duidelijkheid en antwoorden over haar medische situatie.

Cliënte verzoekt om een schadevergoeding van € 17.500,-, voor schade ontstaan door tekortschietende zorg, gebrekkige communicatie en het ontbreken van adequate nazorg rondom de keizersnede op 28 februari 2024 en het daaropvolgende zorgtraject.

Standpunt van de zorgaanbieder

Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De zorgaanbieder verzoekt de commissie om cliënte niet-ontvankelijk te verklaren in haar klacht op grond van artikel 6, lid 1, sub a en b van het reglement. Hoewel er wel correspondentie heeft plaatsgevonden en vragen van cliënte zijn beantwoord, heeft geen formele klachtbehandeling in het kader van de interne klachtenregeling plaatsgevonden. Daarbij komt dat een verzoek om schadevergoeding niet eerder bij de zorgaanbieder kenbaar is gemaakt. De zorgaanbieder heeft dan ook niet de gelegenheid gehad dit verzoek intern te laten beoordelen, bijvoorbeeld met betrokkenheid van de jurist die belast is met de behandeling van aansprakelijkstellingen.

De klacht dat cliënte te vroeg is ontslagen, dat sprake is geweest van een levensbedreigende situatie en dat cliënte hierdoor schade heeft geleden, mist feitelijke grondslag. De klinische situatie van cliënte is zorgvuldig beoordeeld. Daarbij is onder meer de hemoglobinewaarde (Hb 4,8) betrokken en is, conform de geldende richtlijnen en professionele standaard, een afweging gemaakt ten aanzien van het al dan niet indiceren van een bloedtransfusie. Op het moment van ontslag uit het ziekenhuis bestond geen medische noodzaak tot transfusie. Dat nadien, bij aanhoudende klachten van duizeligheid, alsnog is besloten tot het toedienen van een bloedtransfusie, past binnen zorgvuldig medisch handelen waarbij het klinisch beeld leidend is. Van een levensbedreigende situatie was geen sprake. Evenmin is gebleken dat het ontslag medisch onverantwoord is geweest. De richtlijn anemie/bloedtransfusie, het Transfusiebeleid van de NVOG (Transfusiebeleid en zwangerschap 1.0) en de Richtlijn Anemie: in de zwangerschap en post partum, is gehanteerd. Ten aanzien van de gestelde schade geldt dat van objectief vaststelbare schade geen sprake is.

Uit het medisch dossier van cliënte volgt dat haar klachtenpatroon in de tijd wisselend en niet eenduidig gelokaliseerd is geweest. Pas in een latere fase, rond april 2025, wordt melding gemaakt van meer rechts gelokaliseerde pijn, tussen het sectiolitteken en een eerder appendectomie litteken. Dit wisselende en migrerende klachtenpatroon past niet bij een vanaf het begin consistent aanwezig beeld van ACNES, aldus de zorgaanbieder. Zoals bekend betreft dit bovendien een diagnose die in de praktijk vaak pas in een later stadium wordt overwogen, mede vanwege de aspecifieke presentatie en het feit dat andere oorzaken eerst moeten worden uitgesloten. Gelet op het voorgaande is het diagnostisch traject zorgvuldig en conform de professionele standaard verlopen.

Er is geen sprake van een toerekenbare tekortkoming en evenmin van causaal verband met de gestelde schade. De gestelde schade is bovendien niet onderbouwd. De door cliënte gevorderde schadevergoeding van € 17.500,- mist dan ook feitelijke grondslag.

Wat betreft de aanwezigheid van coassistenten tijdens de operatie stelt de zorgaanbieder voorop
dat de zorgaanbieder een opleidingsziekenhuis is waar de aanwezigheid van coassistenten en andere zorgverleners gebruikelijk is. Patiënten worden hierover in beginsel vooraf geïnformeerd. Dat heeft in het geval van klaagster plaatsgevonden door verstrekking van folders op 1 november 2023 waarin expliciet wordt vermeld dat coassistenten en andere stagiaires betrokken kunnen zijn bij de zorgverlening, dat patiënten bezwaar kunnen maken tegen hun aanwezigheid en dat bij een keizersnede rekening moet worden gehouden met meerdere zorgverleners op de operatiekamer (circa 8–15 personen), waaronder mogelijk stagiaires. Deze informatie is ook te vinden op de website. De zorgaanbieder acht het aannemelijk dat, als gevolg van de wijziging op korte termijn van een voorgenomen vaginale bevalling naar een sectio, het expliciet (opnieuw) bespreken van de aanwezigheid van coassistenten in de acute setting niet afzonderlijk heeft plaatsgevonden. De zorgaanbieder betreurt dat dit voor cliënte niet voldoende duidelijk is geweest en biedt hiervoor zijn excuses aan. Van medisch onzorgvuldig handelen of aantoonbare schade als gevolg hiervan is geen sprake.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

Ingevolge artikel 6 lid 1, aanhef en sub a, van het Reglement verklaart de commissie op verzoek van de zorgaanbieder – gedaan bij eerste gelegenheid – de cliënt in zijn klacht niet ontvankelijk indien hij zijn klacht niet eerst overeenkomstig de Wet of de in artikel 1 genoemde voorwaarden bij de zorgaanbieder heeft ingediend.

Ingevolge het tweede lid kan in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onder a en b en c,
kan de commissie besluiten het geschil toch in behandeling te nemen, indien de cliënt ter zake van de niet naleving van de voorwaarden naar het oordeel van de commissie redelijkerwijs geen verwijt treft. De commissie is van oordeel dat cliënte gelet op de door haar geschetste omstandigheden, zoals hiervoor onder standpunt cliënte is weergegeven, niet kan worden verweten dat zij niet eerst de interne klachtenprocedure volledig heeft doorlopen. Cliënte is dan ook ontvankelijk in haar klacht. De commissie zal hieronder overgaan tot een inhoudelijke behandeling van die klacht.

De overeenkomst die cliënte met de zorgaanbieder heeft gesloten, betreft een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Op grond van de behandelingsovereenkomst die de cliënt met de zorgaanbieder is aangegaan, moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (het goed hulpverlenerschap uit artikel 7:453 van het BW), die mede bepaald wordt door onder meer de stand en inzichten van de medische wetenschap, richtlijnen en protocollen. Het goed hulpverlenerschap houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

De commissie is allereerst van oordeel dat niet is gebleken dat cliënte na het ondergaan van een keizersnede te vroeg is ontslagen uit het ziekenhuis. Bij het ontslag is de klinische situatie van cliënte zorgvuldig beoordeeld, waarbij onder meer de hemoglobinewaarde van cliënte is betrokken. Dit is ook niet weersproken door cliënte. Op het moment van ontslag bestond er (nog) geen medische noodzaak tot het toedienen van een bloedtransfusie. Dat de situatie van cliënte in de dagen na het ontslag verslechterde, is niet aan het ziekenhuis te wijten.

Voorts is de commissie van oordeel dat de omstandigheid dat de diagnose ACNES pas in april 2025 bij cliënte is vastgesteld evenmin aan de zorgaanbieder is te wijten. De meeste patiënten met ACNES hebben al langere tijd buikklachten. Voordat die diagnose wordt gesteld, is er meestal al veel onderzoek naar andere aandoeningen verricht. De diagnose ACNES kan immers pas worden gesteld door andere oorzaken uit te sluiten.

Ten aanzien van de aanwezigheid van coassistenten tijdens de keizersnede, stelt de commissie vast dat het ziekenhuis daarover op diverse manieren communiceert. Patiënten worden onder meer via de verstrekking van informatiefolders geïnformeerd over de aanwezigheid van coassistenten tijdens de operatie. Cliënte heeft niet weersproken dat zij die folders heeft ontvangen. Evenmin heeft zij gesteld dat zij bezwaren tegen de aanwezigheid van coassistenten kenbaar heeft gemaakt. Er bestaat geen aanleiding om te oordelen dat cliënte door de aanwezigheid van coassistenten op enige wijze is aangetast in haar lichamelijke integriteit. Wel is door de zorgaanbieder, naar aanleiding van de klacht van cliënte, extra aandacht gevraagd voor het zo duidelijk mogelijk informeren van patiënten over de samenstelling van het behandelteam in spoedsituaties.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is.

Nu de klachten van de cliënt ongegrond worden verklaard, komt de commissie niet toe aan beoordeling van de schadevordering.
Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

verklaart de klachten van cliënte ongegrond.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit mevrouw mr. dr. E. Venekatte, voorzitter, de heer prof. dr. F.W. Jansen, de heer J. Zomerplaag, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. I. van der Kamp, secretaris, op 12 juni 2026.