Geen onzorgvuldig handelen bij behandeling blindedarmontsteking

De Geschillencommissie Zorg




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: Uitvoering behandelingsovereenkomst    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 524484/856362

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De cliënt klaagde dat het ziekenhuis zijn blindedarmontsteking niet goed had behandeld, omdat de blindedarm na de eerste behandeling niet meteen was verwijderd en hij later op vakantie alsnog moest worden geopereerd. Hij vond dat het ziekenhuis daardoor verantwoordelijk was voor zijn klachten en schade. De commissie oordeelt dat het ziekenhuis volgens de geldende medische richtlijnen heeft gehandeld door eerst te draineren en daarna niet direct te opereren, omdat er toen geen aanleiding was voor een extra ingreep. Dat de cliënt later opnieuw klachten kreeg, was niet te voorzien. Daarom is er geen sprake van onzorgvuldig of verkeerd medisch handelen. De klacht is ongegrond en de schadevergoeding wordt afgewezen.

De volledige uitspraak

in het geschil tussen

[Naam], wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de cliënt)

en

Reinier de Graaf Groep, gevestigd te Delft
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil

Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2025 te Den Haag.

De cliënt was zelf ter zitting aanwezig. Namens de zorgaanbieder is [naam] (juridisch adviseur) ter zitting verschenen.

Onderwerp van het geschil

De cliënt heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder.

Het geschil betreft de behandeling van de blindedarmontsteking van de cliënt.

Standpunt van de cliënt

Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dat op het volgende neer.

Bij de cliënt was sprake van een ontstoken blindedarm. De zorgaanbieder koos ervoor de blindedarm niet operatief te verwijderen, maar een andere behandeling in te zetten. Enkele maanden later kreeg de cliënt op vakantie opnieuw ernstige klachten en moest de blindedarm alsnog verwijderd worden.

De cliënt vordert een schadevergoeding van € 10.000,– vanwege de vakantie die in het water is gevallen en omdat hij zijn werk als timmerman niet uit kon voeren.

Standpunt van de zorgaanbieder

Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dat op het volgende neer.

De cliënt kwam op 2 mei 2023 naar de spoedeisende hulp afdeling met sinds 31 april 2023 bestaande buikpijnklachten. Uiteindelijk bleek sprake te zijn van een beeld passend bij een groot abces op niveau van de appendix in de rechteronderbuik (CT-verslag 2 mei 2023). Direct aansluitend aan het onderzoek heeft een drainage plaatsgevonden, conform de geldende richtlijn. Uiteindelijk kon de cliënt in goede gezondheid en zonder infectieparameters op 20 mei 2023 met ontslag naar huis.

Op 28 juli 2023 kwam de cliënt ter controle op de polikliniek. Het ging op dat moment goed en alleen de oude draininsteek vertoonde wat hypertrofie. Op dat moment is besloten dat een appendectomie a froid (verwijdering van de blindedarm na afloop van de ontsteking) niet nodig was. Volgens de huidige richtlijn is dit goed te verdedigen.

De cliënt heeft helaas in augustus 2023 wederom buikklachten gekregen waarna hij uiteindelijk in het buitenland is geopereerd waarbij zijn blinde darm is verwijderd. Uiteraard is hetgeen de cliënt is overkomen bijzonder onfortuinlijk, dat hij uiteindelijk is geopereerd en helaas een lang herstel traject heeft gehad.

Kijkend naar het geheel kan niet worden geconcludeerd dat de handelwijze in het ziekenhuis niet heeft voldaan aan de professionele standaard. Hierbij kan ook worden opgemerkt dat het beleid in het HMC, waar de cliënt op 19 juni 2023 is gezien, hetzelfde is geweest.

Beoordeling van het geschil

Wat aan het geschil vooraf is gegaan
Op 11 maart 2025 heeft de commissie de cliënt in zijn klacht ontvankelijk verklaard, nu het niet geheel doorlopen van de interne klachtenprocedure hem niet kan worden verweten en de cliënt het geschil als natuurlijk persoon heeft ingediend.

In mei 2023 werd bij de cliënt een acute blindedarmontsteking met peritoneaal abces vastgesteld. Dit is behandeld door middel van drainage. Ruim twee weken later werd de cliënt in goede gezondheid uit het ziekenhuis ontslagen. In augustus 2023 kreeg de cliënt op vakantie ernstige klachten, waarna zijn blindedarm in een ziekenhuis ter plaatse alsnog operatief is verwijderd.

Bij de commissie ligt de vraag voor of de zorgaanbieder de blindedarm van de cliënt eerder – na de drainage – operatief had moeten verwijderen.

De commissie stelt voorop dat het zeer vervelend is hoe de situatie bij de cliënt zich heeft ontwikkeld en dat hij uiteindelijk tijdens zijn vakantie in het buitenland geopereerd moest worden.

Toetsingskader
De overeenkomst die de cliënt met de zorgaanbieder heeft gesloten, betreft een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Op grond van de behandelingsovereenkomst die de cliënt met de zorgaanbieder is aangegaan, moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (het goed hulpverlenerschap uit artikel 7:453 van het BW), die mede bepaald wordt door onder meer de stand en inzichten van de medische wetenschap, richtlijnen en protocollen. Het goed hulpverlenerschap houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

Beoordeling

De initiële blindedarmontsteking van de cliënt is behandeld door middel van drainage. Deze behandeling is goed aangeslagen en de cliënt is na een opname van ruim twee weken in goede gezondheid uit het ziekenhuis ontslagen.

Naar het oordeel van de commissie bestond op dat moment geen aanleiding voor de zorgaanbieder om alsnog over te gaan tot een zogenoemde appendectomie à froid (het operatief verwijderen van de appendix nadat de ontsteking conservatief is behandeld en de cliënt klachtenvrij is). Uit de Richtlijn Acute Appendicitis van de Federatie Medisch Specialisten (FMS) blijkt dat voor een dergelijke ingreep, in de afwezigheid van klachten of aanwijzing voor een recidief, geen indicatie bestaat.

Indien de zorgaanbieder destijds wél had gekozen voor een operatieve verwijdering van de appendix, zou ook dat een ingreep zijn geweest die risico’s met zich meebrengt. Elke operatieve behandeling kent immers potentiële complicaties. De commissie acht het aannemelijk dat de zorgaanbieder destijds een zorgvuldige professionele afweging heeft gemaakt tussen de mogelijke baten en risico’s van een dergelijke ingreep.

De commissie merkt op dat – met de kennis van nu – wellicht een andere handelwijze zou zijn gekozen. De commissie dient het handelen van de zorgaanbieder echter te beoordelen naar de omstandigheden en de informatie die op dat moment beschikbaar waren. Op basis van die informatie is de commissie van oordeel dat de latere complicatie zich op een zodanig onvoorzienbare wijze heeft voorgedaan, dat de zorgaanbieder daarop niet had kunnen of hoeven anticiperen. Dit oordeel vindt steun in de verslaglegging van het poliklinisch consult enkele dagen vóór de vakantie in Spanje, waarin slechts is genoteerd dat de insteekplaats van de drain enige onrust vertoonde, zonder dat sprake was van alarmerende symptomen.

De commissie heeft tot taak te toetsen of de zorgaanbieder heeft gehandeld overeenkomstig de voor de sector geldende professionele standaarden, richtlijnen en protocollen. Nu de zorgaanbieder naar het oordeel van de commissie conform de geldende richtlijn heeft gehandeld, is niet gebleken van onzorgvuldig of verwijtbaar medisch handelen.

Nu de klacht van de cliënt ongegrond wordt verklaard, komt de commissie niet toe aan beoordeling van de schadevordering. De vordering dient dan ook te worden afgewezen.
Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie:
– verklaart de klacht van de cliënt ongegrond;
– wijst de vordering tot schadevergoeding af.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit mevrouw mr. A.D.R.M. Boumans, voorzitter, de heer dr. M.W. Mundt, de heer mr. P.O.H. Gevaerts, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. S.M.E. Balfoort, secretaris, op 21 oktober 2025.