Commissie: Ziekenhuizen
Categorie: (On)Zorgvuldig handelen
Jaartal: 2026
Soort uitspraak: bindend advies
Uitkomst: ongegrond
Referentiecode:
1269885/1311222
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De klacht gaat over de vraag of het ziekenhuis fouten maakte bij de behandeling van de vrouw van klager, die werd opgenomen met buikklachten en later overleed aan ARDS. Klager denkt dat door een aanvankelijk verkeerde diagnose te laat is gestopt met voeding, te laat een maaghevel is geplaatst en te laat is geopereerd. Het ziekenhuis stelt dat er zorgvuldig is gehandeld, dat de verkeerde eerste diagnose geen invloed had op het beleid en dat het verloop niet anders zou zijn geweest bij eerdere ingrepen. De commissie oordeelt dat het ziekenhuis heeft gehandeld zoals een redelijk bekwaam arts zou doen en dat niet is bewezen dat een andere behandeling het resultaat had veranderd. De klacht is ongegrond.
De volledige uitspraak
in het geschil tussen
[Naam], wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: klager)en
Ziekenhuis St Jansdal, gevestigd te Harderwijk
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).
Onderwerp van het geschil
Het geschil gaat over de vraag of de zorgaanbieder toerekenbaar tekortgeschoten is in de medische behandeling van de echtgenote van klager, de cliënt, en of dit tekortschieten heeft geleid tot haar overlijden.
Standpunt van de klager
Voor het standpunt van de klager verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Op 25 januari 2024 is de echtgenote van klager overleden aan de gevolgen van ARDS (Acute Espiratory Distress Syndrome), nadat zij op 20 januari 2024 via de spoedeisende hulp van de zorgaanbieder werd opgenomen vanwege buikklachten. Klager stelt dat bij zijn echtgenote aanvankelijk de diagnose Crohnse stenose is gesteld, terwijl later sprake bleek te zijn van een strengileus. Volgens klager heeft de verkeerde diagnose ertoe geleid dat een onjuist behandelbeleid is gevolgd, in die zin dat is gekozen voor het voortzetten van orale voeding, terwijl gezien het aanhoudende braken een beleid van ‘nil per os’ (niets via de mond) aangewezen zou zijn geweest. Hierdoor zou aspiratie zijn opgetreden, wat heeft geleid tot ARDS en uiteindelijk tot het overlijden van de echtgenote van klager. Daarnaast stelt klager dat het plaatsen van een maaghevel en het verrichten van een operatieve ingreep te laat hebben plaatsgevonden.
Ter zitting is de klacht nader toegelicht.
Klager heeft te kennen gegeven dat de klacht niet primair is ingegeven door het zoeken naar een schuldige of het verkrijgen van financiële compensatie, maar door een behoefte aan duidelijkheid en transparantie over het medisch handelen. Ondanks de gevoerde gesprekken tussen de zorgaanbieder en klager, leeft bij klager en zijn schoonfamilie nog steeds de vraag of de behandeling correct is verlopen. Klager vraagt zich af of zijn echtgenote meer kans had gehad om te overleven, als de zorgaanbieder anders had gehandeld. Een onafhankelijk oordeel van de commissie is voor klager van belang om deze onzekerheid weg te nemen en, indien blijkt dat het handelen medisch verantwoord is geweest, dit ook te kunnen overbrengen aan de schoonfamilie. Als sprake is geweest van een regulier en aanvaardbaar medisch risico, helpt dat bij de acceptatie van het verlies.
Indien daarentegen sprake zou zijn van laakbaar handelen, acht klager het van belang dat de zorgaanbieder daarvoor verantwoordelijkheid neemt, in de vorm van erkenning en excuses richting de schoonfamilie, en niet in de vorm van financiële compensatie.
Ten aanzien van het gevoerde beleid verwijt klager de zorgaanbieder dat – ondanks aanhoudend braken – is besloten de cliënt te blijven voeden. Voorts betwist hij dat tijdig is geopereerd, nu bij een strengileus volgens hem doorgaans binnen 48 uur zou moeten worden geopereerd, terwijl in dit geval pas circa
100 uur na opname is geopereerd. Klager heeft daarbij de vraag opgeworpen of het behandelbeleid, in het bijzonder ten aanzien van voeding en het moment van opereren, anders zou zijn geweest indien de diagnose strengileus eerder was gesteld.
Klager verzoekt de commissie een onafhankelijke uitspraak te doen over de juistheid van de toegepaste medische behandeling.
Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De zorgaanbieder erkent dat aanvankelijk is uitgegaan van een onjuiste werkdiagnose, namelijk een Crohnse stenose in plaats van een streng ileus. Volgens de zorgaanbieder heeft deze onjuiste diagnose echter geen gevolgen gehad voor het behandelbeleid, omdat in beide gevallen sprake is van een mechanische dunne darmobstructie waarvoor in eerste instantie een conservatieve behandeling gebruikelijk is. De zorgaanbieder stelt zich op het standpunt dat geen causaal verband tussen het gevoerde beleid en het overlijden van de cliënt kan worden vastgesteld.
De zorgaanbieder stelt dat het beleid zorgvuldig en stapsgewijs is aangepast aan het klinisch beloop. Aanvankelijk is gekozen voor een conservatieve behandeling, waarbij de cliënt werd gevolgd op klachten en herstel. Toen bleek dat de drinkvoeding niet werd verdragen en het braken aanhield, is de orale intake gestaakt en is een beleid van ‘nil per os’ gevoerd. Het plaatsen van een maaghevel is herhaaldelijk met de cliënt besproken en uiteindelijk ingezet toen het braken bleef aanhouden.
Ten aanzien van de timing van de operatie voert de zorgaanbieder aan dat er geen sprake was van een spoedindicatie, zoals darmischemie of perforatie, en dat het daarom medisch verantwoord en wenselijk was om eerst een conservatief beleid te voeren, mede gelet op de risico’s die aan buikoperaties verbonden zijn. De operatie is uitgevoerd op het moment dat duidelijk werd dat dit beleid onvoldoende effect had. Er is geen wetenschappelijke onderbouwing voor de stelling dat bij een strengileus per definitie binnen 48 uur geopereerd dient te worden.
De zorgaanbieder stelt zich op het standpunt dat niet gezegd kan worden dat een andere timing van de operatie of het eerder plaatsen van een maaghevel het fatale beloop had kunnen voorkomen. Het gevoerde medisch beleid en de gemaakte keuzes zijn juist geweest, ondanks de initieel onjuiste werkdiagnose. Het optreden van aspiratie en ARDS wordt aangemerkt als een ernstige maar niet voorspelbare complicatie met tragische afloop. Volgens de zorgaanbieder is het overlijden van de cliënt dan ook niet het gevolg van onzorgvuldig medisch handelen.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
De commissie beseft ten volle dat het overlijden van de echtgenote van klager zeer onverwacht is geweest en grote impact heeft op klager en de andere nabestaanden. De vraag of haar overlijden veroorzaakt is door verwijtbaar handelen van de zorgaanbieder is echter juridisch van aard en zal binnen dat kader beantwoord moeten worden.
Toetsingskader
De overeenkomst die de cliënt met de zorgaanbieder heeft gesloten, betreft een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW). Op grond van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in
overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 van het BW). Deze zorgplicht houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht. Hieronder valt ook het verrichten van voldoende onderzoek naar de lichamelijke klachten van de cliënt door de zorgaanbieder.
Voor een goed begrip van de hiervoor genoemde maatstaf is van belang dat die zorgplicht in beginsel niet wordt aangemerkt als een resultaatsverplichting, waarbij de hulpverlener moet instaan voor het bereiken van een bepaald resultaat, maar als een inspanningsverplichting, waarbij de hulpverlener zich verbindt zich voor het bereiken van een bepaald resultaat in te spannen. De reden hiervoor is dat het bij een geneeskundige behandeling meestal niet mogelijk is een bepaald resultaat te garanderen, omdat het menselijk lichaam in het (genezings-)proces een ongewisse factor vormt: de hulpverlener is namelijk afhankelijk van en heeft geen invloed op de lichamelijke condities en de reacties van de cliënt op de geneeskundige behandeling. Zelfs bij onberispelijk medisch handelen kan het beoogde resultaat uitblijven. Van een tekortkoming kan dan ook pas worden gesproken indien komt vast te staan dat de hulpverlener zich onvoldoende heeft ingespannen of bij zijn inspanning een fout heeft gemaakt en dus niet heeft gehandeld als een redelijk handelend en redelijk bekwaam hulpverlener.
Voor aansprakelijkheid van de zorgaanbieder is vereist dat voldoende aannemelijk is dat de zorgaanbieder is tekortgeschoten in de uitvoering van die verplichting. De tekortkoming moet aan de zorgaanbieder kunnen worden verweten (toerekenbare tekortkoming) en de cliënt moet daarvan nadeel hebben ondervonden.
Bevindingen
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is de commissie niet gebleken dat de zorgaanbieder heeft gehandeld in strijd met hetgeen van een redelijk handelend en redelijk bekwaam hulpverlener mag worden verwacht en hem ter zake van het overlijden van de echtgenote van klager een verwijt kan worden gemaakt. De commissie licht dit hieronder toe.
De commissie stelt voorop dat er geen discussie bestaat over het feit dat de aanvankelijke werkdiagnose achteraf onjuist is gebleken. Het enkele feit dat een werkdiagnose onjuist blijkt, betekent op zichzelf echter nog niet dat sprake is van aansprakelijkheid. Doorslaggevend is of het medisch handelen als geheel voldoet aan de professionele standaard. In dit geval is de kernvraag of het beloop met een redelijke mate van waarschijnlijkheid anders zou zijn geweest als vanaf het begin de juiste diagnose was gesteld.
Met betrekking tot het voedingsbeleid en het al dan niet (eerder) plaatsen van een maaghevel overweegt de commissie dat dit een kwestie is van klinische inschatting. Het is niet zo dat bij een strengileus steeds zonder meer een strikt beleid van ‘nil per os’ geldt. Wel ligt het voor de hand bij aanhoudend braken terughoudend te zijn met voeding en eerder tot maagdecompressie over te gaan. Een eerder geplaatste maaghevel zou medisch te verdedigen zijn geweest. Dat maakt echter niet dat het gekozen beleid daarmee als onaanvaardbaar moet worden aangemerkt.
Ten aanzien van het moment van opereren overweegt de commissie dat uit het dossier niet blijkt dat de darm was afgestorven of dat andere duidelijke spoedsignalen aanwezig waren. Indien de cliënt niet klinisch verslechtert, is het voeren van een conservatief, afwachtend, beleid uit medisch oogpunt de meest gebruikelijke reactie. Het voorkomen van een operatie heeft in principe de voorkeur. Het interval tussen opname en operatie maakt dat in dit geval niet anders.
Verder blijkt uit het dossier niet dat voorafgaand aan de operatie duidelijke tekenen van aspiratie of ernstige verslechtering aanwezig waren. Tot aan het moment van inleiden voor de operatie waren er geen duidelijke probleemsignalen kenbaar, zoals een instabiele bloeddruk of verminderde urineproductie. Dat er achteraf omstandigheden zijn aan te wijzen, betekent niet dat deze op dat moment als zodanig herkenbaar waren.
Wat betreft het ontstaan van ARDS overweegt de commissie dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld wat de uitlokkende factor is geweest. Het fatale beloop lijkt zich met name rondom of na de operatie te hebben ontwikkeld. Of een andere timing van ingrijpen tot een andere uitkomst zou hebben geleid, kan niet worden vastgesteld.
Conclusie
Alles overziend komt de commissie tot het oordeel dat niet met een redelijke mate van waarschijnlijkheid kan worden vastgesteld dat het beloop anders zou zijn geweest indien vanaf het begin de juiste diagnose was gesteld of indien op onderdelen anders was gehandeld. Niet is gebleken dat het gevoerde beleid zodanig afweek van wat in de gegeven omstandigheden van een redelijk handelend en redelijk bekwaam hulpverlener mag worden verwacht, dat sprake is van verwijtbaar tekortschieten van de zorgaanbieder.
Ten overvloede
Klager heeft ook betoogd dat de zorgaanbieder de gang van zaken die heeft geleid tot het overlijden van zijn echtgenote, had moeten aanmerken als een calamiteit in de zin van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg, met het oog op nader onderzoek en eventuele verbetermaatregelen door de zorgaanbieder. Gelet op bovengenoemde bevindingen over de kwaliteit van de geleverde zorg, ziet de commissie daartoe geen aanleiding. De commissie merkt in dat kader wel op dat de zorgaanbieder in de correspondentie met klager heeft verwezen naar een second opinion ter onderbouwing van zijn standpunt, zonder het betreffende rapport met klager te delen. Indien een externe beoordeling wordt gebruikt ter ondersteuning van een standpunt, ligt transparantie voor de hand. Het niet delen van het rapport kan bijdragen aan gevoelens van wantrouwen, terwijl juist openheid in deze zaak voor klager van groot belang was.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie verklaart de klacht van klager ongegrond.
Overeenkomstig het reglement van de commissie is de zorgaanbieder aan de commissie behandelingskosten verschuldigd. Deze behandelingskosten worden geheel betaald.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit mevrouw mr. dr. E. Venekatte, voorzitter, mevrouw drs. W.J. van der Made, de heer J. Zomerplaag, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. S.M.E. Balfoort, secretaris, op 30 januari 2026.