De zorgaanbieder had meer kunnen en moeten kijken naar de mens achter de patiënt

De Geschillencommissie Zorg
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: bejegening/ zorgverlening/ informatieverstrekking    Jaartal: 2024
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ten dele gegrond   Referentiecode: 211025/244770

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De cliënt heeft aan een knieoperatie met een robot ernstige pijn overgehouden. Enkele weken later bleek dat sprake was van een breuk in haar scheenbeen. De cliënt is van mening dat deze breuk is ontstaan tijdens de operatie en dat sprake is van medisch onzorgvuldig handelen. Daarnaast voelt de cliënt zich onvoldoende serieus genomen door de zorgaanbieder.

Naar het oordeel van de commissie is bij de cliënt sprake van een vertraagde fractuur, een bekende maar zeldzame complicatie die ook na langere tijd op kan treden. Dit is niet te wijten aan de zorgaanbieder. Wel heeft de zorgaanbieder onvoldoende rekening gehouden met de mens achter de patiënt.
De klacht is gedeeltelijk gegrond, de schadevordering wordt afgewezen.

De uitspraak

In het geschil tussen

mevrouw [naam], wonende te [plaatsnaam] (hierna te noemen: de cliënt)

en

HagaZiekenhuis, gevestigd te ‘s-Gravenhage
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Samenvatting
De cliënt heeft aan een knieoperatie met een robot ernstige pijn overgehouden. Enkele weken later bleek dat sprake was van een breuk in haar scheenbeen. De cliënt is van mening dat deze breuk is ontstaan tijdens de operatie en dat sprake is van medisch onzorgvuldig handelen. Daarnaast voelt de cliënt zich onvoldoende serieus genomen door de zorgaanbieder.

Naar het oordeel van de commissie is bij de cliënt sprake van een vertraagde fractuur, een bekende maar zeldzame complicatie die ook na langere tijd op kan treden. Dit is niet te wijten aan de zorgaanbieder. Wel heeft de zorgaanbieder onvoldoende rekening gehouden met de mens achter de patiënt.

De klacht is gedeeltelijk gegrond, de schadevordering wordt afgewezen.

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De cliënt heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder. De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen ter zitting te verschijnen.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 25 april 2024 te Den Haag.

De cliënt was zelf ter zitting aanwezig, samen met de heer [naam].
Ter zitting werd de zorgaanbieder vertegenwoordigd door de heer drs. [naam] (orthopedisch chirurg) en mevrouw mr. [naam] (advocaat).

De commissie heeft het volgende overwogen.

Beoordeling

Klacht van de cliënt
Op 26 augustus 2022 is de cliënt geopereerd aan haar rechterknie vanwege volledige slijtage en het plaatsen van een halve knieprothese. Deze operatie is bij de zorgaanbieder gedaan door middel van een MAKO robot die op het scheenbeen werd geschroefd. Vrijwel gelijk na de operatie heeft de cliënt ontzettend veel pijn ervaren in het scheenbeen. Dit heeft zij telefonisch aangegeven bij de arts. De pijn heeft maanden geduurd en de cliënt is uiteindelijk in een rolstoel beland en is volledig afhankelijk van anderen. Door de zorgaanbieder werd zij naar huis gestuurd met de boodschap dat ze geduld moest hebben.

Op 17 april 2023 is geconstateerd dat sprake is van een niet-genezende (non-union) breuk met pseudo artrose. De cliënt moest hiervoor opnieuw een zware operatie ondergaan. Ze heeft hierdoor het vertrouwen verloren in de artsen en in haarzelf.

De cliënt wenst een schadevergoeding van € 25.000, –, vanwege de lichamelijke schade naar aanleiding van de tijdens de operatie gebroken scheenbeen met pseudo artrose en een niet-genezende breuk als gevolg, en de psychologische en financiële schade.

Verweer van de zorgaanbieder
Zowel met betrekking tot de operatieve behandeling van de cliënt op 26 augustus 2022 als tijdens de postoperatieve controles is steeds gehandeld conform de professionele standaard. Dat een fractuur is opgetreden, kan helaas gebeuren, ook indien de vereiste zorgvuldigheid is betracht, zoals in dit geval. Dat is een bekende, maar zeldzame complicatie.

De pijnklachten die de cliënt ondervond, zijn door de zorgaanbieder steeds zeer serieus genomen. De klachten werden niet gebagatelliseerd en er is steeds op korte termijn een afspraak gemaakt en (aanvullend) onderzoek verricht. Op de röntgenfoto’s van 26 augustus 2022, 27 augustus 2022 en 27 september 2022 werden geen afwijkingen gezien, hetgeen ook het geval was bij het echografisch onderzoek van 7 oktober 2022. Ook het bloedonderzoek van 22 oktober 2022 was zonder afwijkingen. Op 27 september was de aard en de lokalisatie van de pijnklachten veranderd en gaf cliënt aan een brandend gevoel in haar scheenbeen te ervaren. Vervolgens is op goede gronden verdergaand aanvullend onderzoek verricht in de vorm van een MRI en een CT-scan. Op de MRI was mogelijk een lijntje te zien tussen twee schroeftrajecten, maar de radioloog kon niet uitsluiten dat dat een botontsteking betrof. Met de CT-scan kon de fractuur ten slotte wel worden aangetoond. Dat het onzorgvuldig was dat dit onderzoek niet eerder heeft plaatsgevonden, kan niet worden gezegd.

De orthopeed is van mening dat de stressfractuur kort voor de CT-scan ontstaan moet zijn en in ieder geval niet tijdens de operatie is ontstaan. De geplaatste pennen hebben het scheenbeen verzwakt, waardoor de fractuur is ontstaan.

Ook het gevoerde beleid nadat de fractuur eenmaal was vastgesteld, voldeed aan de daaraan te stellen eisen. Dat helaas geen consolidatie werd bereikt, is bijzonder spijtig, maar valt niet aan onzorgvuldig handelen toe te schrijven.

Schadevergoeding
De cliënt wenst € 25.000, — schadevergoeding vanwege materiële schade (waaronder salarisverlies) en immateriële schade (vanwege de hevige pijn, fysieke gevolgen en emotionele schade).

De zorgaanbieder betwist het voor toekenning van schadevergoeding vereiste causaal verband tussen zijn handelen en de ontstane schade. Het optreden van de fractuur is niet verwijtbaar en het herstelbeloop zou niet anders zijn geweest indien de opgetreden factuur eerder was vastgesteld.

De zorgaanbieder betwist verder dat de schade € 25.000, — bedraagt. Het is duidelijk dat de fractuur veel impact heeft gehad en tot schade heeft geleid. Het ontstaan van de fractuur is echter een zeldzame complicatie en niet verwijtbaar. De ontstane schade is dan ook geen gevolg van tekortschietend handelen zijdens de zorgaanbieder.

Beoordeling door de commissie
De klacht van de cliënt valt in twee delen uiteen: een medisch-inhoudelijke klacht en een communicatieve klacht. De commissie bespreekt beide klachten hierna afzonderlijk.

Medisch handelen
Op 26 augustus 2022 heeft de cliënt de knieoperatie ondergaan. Vrijwel direct na deze operatie heeft de cliënt kenbaar gemaakt dat zij last heeft van zeer ernstige pijn in het scheenbeen. Hierop volgen diverse afspraken met de zorgaanbieder. Uiteindelijk is uit de CT-scan van 31 oktober 2022 gebleken dat sprake is van een stressfractuur in het scheenbeen.

Op 27 september 2022 is voor het eerst een foto gemaakt waarop de fractuur nog niet te zien was. Op de echo van 6 oktober 2022 was de fractuur evenmin zichtbaar. Vervolgens was op de MRI-scan van 19 oktober 2022 mogelijk een lijntje te zien die zou wijzen op een fractuur. Op de CT-scan die op 31 oktober 2022 is gemaakt, bleek de fractuur duidelijk zichtbaar.

Na het bestuderen van de stukken en het medisch dossier heeft de commissie geconcludeerd dat door de zorgaanbieder tijdens de knieoperatie een standaardprocedure met een MAKO-robot is gehanteerd. De standaardprocedure is naar het oordeel van de commissie lege artis (medisch technisch juist) uitgevoerd. Niet is gebleken dat de zorgaanbieder hierin fouten heeft gemaakt.

Na de knieoperatie is bij de cliënt een vertraagde fractuur opgetreden. Dit is een bekende maar zeldzame complicatie die ook na langere tijd kan optreden. De commissie verwijst hiervoor onder andere naar het artikel “Pin-Related complications in Computer Navigated and Robotic Assisted Knee Arthroplasty: a systematic review” zoals gepubliceerd in The Journal of Arthroplasty, waaruit blijkt dat dergelijke fracturen in 1,4% van de gevallen voorkomen en gemiddeld twaalf weken na de ingreep ontstaan.

In zoverre is de klacht van de cliënt ongegrond.

Communicatie
De cliënt voelt zich in haar pijnklachten niet gehoord door de zorgaanbieder. Naar het oordeel van de commissie heeft de zorgaanbieder de klachten van de cliënt onvoldoende serieus genomen, ongeacht alle controlemomenten die hebben plaatsgevonden.

Uit het dossier en het besprokene ter zitting is niet gebleken dat sprake is geweest van een complicatiebespreking. Verder zijn de behandelaren naar het oordeel van de commissie te gemakkelijk omgegaan met de zeer hevige pijnklachten die de cliënt heeft geuit. De zorgaanbieder had meer kunnen en moeten kijken naar de mens achter de patiënt: betere begeleiding voor wat betreft het pijntraject was wenselijk geweest. Als het verloop van een aandoening anders is dan gemiddeld, verdient dat naar het oordeel van de commissie ook meer aandacht.

In zoverre is de klacht van de cliënt gegrond.

Schade
De cliënt heeft een schadevergoeding gevorderd van € 25.000, — vanwege materiële en immateriële schade. Voor aansprakelijkheid van de zorgaanbieder is vereist dat voldoende aannemelijk is dat de arts tekort is geschoten in de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst. De tekortkoming moet aan (de arts van) de zorgaanbieder kunnen worden verweten en de cliënt moet daardoor nadeel hebben ondervonden.

Hoewel de klacht van de cliënt gedeeltelijk gegrond is verklaard, kan de commissie niet concluderen dat sprake is van een causaal verband tussen de tekortkoming in de communicatie van de zorgaanbieder en de schade van de cliënt. De commissie wil op geen enkele wijze afdoen aan het lijden van de cliënt, maar naar het oordeel van de commissie zijn de fysieke klachten en daarmee samenhangende emotionele schade het gevolg van de opgetreden zeldzame complicatie. De commissie wijst de vordering tot schadevergoeding daarom af.

Nu de klacht gedeeltelijk gegrond wordt verklaard, zal de commissie, onder verwijzing naar artikel 21 van het reglement, de zorgaanbieder veroordelen tot vergoeding aan de cliënt van het door haar betaalde klachtengeld, zijnde een bedrag van € 77,50.
Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie:
• verklaart de klacht ten aanzien van het medisch handelen ongegrond;
• verklaart de klacht ten aanzien van de communicatie gegrond.
Bovendien dient de zorgaanbieder overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van €77,50 aan de cliënt te vergoeden ter zake van het klachtengeld.

Overeenkomstig het reglement van de commissie is de zorgaanbieder aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit de heer mr. H.A. van Gameren, voorzitter, de heer prof. dr. B.J. van Royen, de heer J. Donga, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. S.M.E. Balfoort, secretaris, op 25 april 2024.