Communicatie over niet-reanimeren beleid tijdens overdracht van ziekenhuiszorg

De Geschillencommissie Zorg




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: -    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ten dele gegrond   Referentiecode: 861612/1008563

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Klaagsters echtgenoot lag tijdens de COVID-19 pandemie op de IC, waar in overleg met de familie werd besloten tot een niet-reanimeren beleid. Volgens klaagster was afgesproken dat dit beleid zou worden herzien zodra de gezondheidssituatie verbeterde. Toen de cliënt later werd overgeplaatst naar de longafdeling en daarna naar het revalidatiecentrum De Hazelaar, is volgens klaagster niet besproken dat het niet-reanimeren beleid ongewijzigd bleef. Toen de cliënt daar een hartstilstand kreeg, werd niet gereanimeerd en is hij overleden. De zorgaanbieder stelt dat het beleid medisch gezien terecht was, omdat reanimatie geen gezondheidswinst meer zou opleveren en medisch zinloos zou zijn geweest. De zorgaanbieder betwist dat toegezegd is dat het beleid later zou worden aangepast. De commissie oordeelt echter dat de zorgaanbieder onvoldoende zorgvuldig heeft gecommuniceerd over het voortzetten van het niet-reanimeren beleid bij belangrijke overdrachtsmomenten. Het ziekenhuis had expliciet moeten toelichten waarom het beleid niet veranderde, zeker omdat de familie de opname op de longafdeling als teken van verbetering heeft opgevat. Omdat deze communicatie niet is vastgelegd en onvoldoende is gebleken, is niet gehandeld volgens goed hulpverlenerschap op dit punt. De klacht wordt daarom gedeeltelijk gegrond verklaard en het klachtengeld wordt terugbetaald.

De uitspraak

in het geschil tussen

[naam], wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de klaagster)

en

ETZ, gevestigd te Tilburg
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil

Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen ter zitting te verschijnen. De behandeling heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2025 te Den Haag. De klaagster is samen met haar zoon ter zitting verschenen. Namens de zorgaanbieder waren digitaal ter zitting aanwezig: de heren [naam] en [naam] (artsen) en mevrouw [naam], (jurist).

Onderwerp van het geschil

De klaagster heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder.

Het geschil betreft het door de zorgaanbieder gevoerde reanimatiebeleid en de communicatie daarover.

Standpunt van de klaagster

Voor het standpunt van de klaagster verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De cliënt, echtgenoot van de klaagster, is tijdens de COVID-19 pandemie opgenomen geweest op de Intensive Care (hierna: IC). Toen het slecht ging met de cliënt is het reanimatiebeleid aangepast naar “niet reanimeren”. Later is de cliënt verplaatst naar de longafdeling en zou het beleid van “niet reanimeren” naar “reanimeren” wijzigen.

Uiteindelijk werd de cliënt opgenomen in revalidatiecentrum de Hazelaar, waar zijn toestand verslechterde. Hij kreeg een hartstilstand en is met de ambulance opgehaald. Op dat moment is ervan uitgegaan dat nog steeds sprake was van een “niet reanimeren” beleid. De cliënt is dan ook niet meer gereanimeerd in de ambulance. De cliënt is als gevolg hiervan overleden.

De cliënt klaagt ook over het feit dat bij de Hazelaar niet standaard een arts aanwezig was. Ook zou gezegd zijn dat de cliënt onderweg naar het ziekenhuis overleden zou zijn, maar nadien is gebleken dat de ambulance nooit richting het ziekenhuis is vertrokken.

Standpunt van de zorgaanbieder

Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Ontvankelijkheid
De zorgaanbieder beroept zich op niet-ontvankelijkheid van de klaagster, nu zij niet eerst de gehele interne klachtenprocedure heeft doorlopen. Zij heeft niet eerst een oordeel van de Raad van Bestuur gevraagd, alvorens het geschil aanhangig te maken bij de commissie. Zij heeft zich na het bemiddelingsgesprek en correspondentie met de klachtenfunctionaris tot 14 juni 2024, zonder nadere toelichting, rechtstreeks tot de commissie gewend. De klaagster heeft hiervoor geen (gegronde) reden.

Fouten in de zorgverlening
Volgens de zorgaanbieder is noch op de afdeling Longgeneeskunde, noch op de afdeling IC onzorgvuldig gehandeld. De zorgaanbieder ziet geen aanleiding om te concluderen dat de betreffende zorgverleners verwijtbaar hebben gehandeld. De klaagster heeft dit verder ook niet toegelicht of onderbouwd.

Voor klachten over het behandelcentrum of de ambulancedienst is de zorgaanbieder niet aansprakelijk, nu dit andere zorgaanbieders betreft.

(niet-) reanimeren beleid
Volgens de klaagster is toegezegd dat het aan de cliënt toegewezen niet-reanimeren beleid, zoals dat was overeengekomen op de afdeling IC, bij de overdracht naar de afdeling Longgeneeskunde aangepast zou worden. Dit is onjuist en blijkt bovendien nergens uit.

Op 18 januari 2022 heeft een familiegesprek plaatsgevonden. Er is toen in overleg met de klaagster en de zoon van de cliënt besloten om het beleid ten aanzien van de cliënt aan te passen naar niet-reanimeren. Door de zorgaanbieder wordt betwist dat toen, maar ook gedurende de gehele opname op de afdeling IC, toegezegd althans besproken is dat het beleid zou worden aangepast bij de overdracht naar de afdeling Longgeneeskunde. De slechte(re) conditie van de cliënt gaf hier ook geen aanleiding toe.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

Ontvankelijkheid
De zorgaanbieder heeft zich beroepen op niet-ontvankelijkheid van de klaagster, nu zij niet de gehele interne klachtenprocedure doorlopen zou hebben. De klaagster heeft hiertegen aangevoerd dat zij door de klachtenfunctionaris slechts is geïnformeerd over de weigering van dokter Simons om met de klaagster in gesprek te gaan. De klachtenfunctionaris heeft de klaagster niet geïnformeerd dat de klacht verder door de Raad van Bestuur behandeld dient te worden.

Conform vaste jurisprudentie van de commissie (waaronder de uitspraak met referentienummer 129599/143612) heeft de klachtenfunctionaris in zijn algemeenheid tot taak ondersteuning te bieden aan een klager bij (het indienen van) een klacht. De klachtenfunctionaris dient zich daarbij te richten op het bereiken van een zo bevredigend mogelijke oplossing voor de klacht, waarbij hoort het voorlichten van klagers over de diverse klachtmogelijkheden.

Naar het oordeel van de commissie heeft de klachtenfunctionaris de klaagster in de onderhavige situatie onvoldoende voorgelicht over de te volgen klachtroute. De commissie wijst op de e-mail van de klachtenfunctionaris van 11 juni 2024, waarin staat: “Indien ik niets meer van u verneem, beschouw ik uw klacht hiermee als afgerond”. In dit bericht wordt geen informatie verstrekt over de behandeling van een klacht door de Raad van bestuur.

Nu de klaagster onvoldoende is voorgelicht over de te volgen klachtroute, kan het niet geheel doorlopen van de interne klachtenprocedure niet aan haar worden tegengeworpen. De commissie verklaart de klaagster ontvankelijk in haar klacht en gaat over tot de inhoudelijke beoordeling van het geschil.

Reikwijdte geschil
Allereerst merkt de commissie het volgende op. De klaagster heeft, naast haar klachten over de zorgaanbieder, ook klachten geuit over Behandelcentrum de Hazelaar (waar de cliënt in het kader van revalidatie heeft verbleven) en de ambulancedienst. De commissie behandelt in dit geschil slechts de klachten die zijn gericht op de zorgaanbieder zelf.

Toen de cliënt naar Behandelcentrum de Hazelaar is verhuisd, is de behandelingsovereenkomst met de zorgaanbieder beëindigd en is de verantwoordelijkheid voor de cliënt overgegaan naar Behandelcentrum de Hazelaar. Ook het handelen door de ambulancedienst valt niet onder de verantwoordelijkheid van de zorgaanbieder, nu dit een eigen juridische entiteit betreft.

Toetsingskader
De overeenkomst die de cliënt met de zorgaanbieder heeft gesloten, betreft een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Op grond van de behandelingsovereenkomst die de cliënt met de zorgaanbieder is aangegaan, moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (het goed hulpverlenerschap uit artikel 7:453 van het BW), die mede bepaald wordt door onder meer de stand en inzichten van de medische wetenschap, richtlijnen en protocollen. Het goed hulpverlenerschap houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

Reanimatiebeleid
Met de zorgaanbieder is de commissie van mening dat de primaire verantwoordelijkheid voor het bepalen van het reanimatiebeleid bij de zorgaanbieder is gelegen. Iedere medische behandeling moet gerechtvaardigd zijn en gericht op het te behalen doel. De zorgaanbieder heeft aangevoerd dat de conditie van de cliënt, ook op de longafdeling, zeer slecht was. De cliënt had immers zeer lang op de IC gelegen in een kunstmatige coma. Reanimatie van de cliënt zou – gezien de zeer kwetsbare gesteldheid van de cliënt – te kwalificeren kunnen zijn als medisch zinloos handelen. Een zorgaanbieder kan niet worden verplicht tot het uitvoeren van een medisch zinloze behandeling. Het oordeel of daarvan sprake is, is voorbehouden aan de zorgaanbieder zelf.

Het bovenstaande neemt niet weg dat het reanimatiebeleid zeer zorgvuldig (indien mogelijk) met de cliënt zelf en met diens naasten besproken dient te worden. Naar het oordeel van de commissie is dit onvoldoende gebeurd, althans kan de commissie dat niet voldoende vaststellen.

Op 18 januari 2022 is met de familie besproken dat is besloten tot een niet-reanimatiebeleid. Bij de familie is hierbij de indruk ontstaan dat bij verbetering van de gezondheidssituatie van de cliënt, het reanimatiebeleid aangepast zou worden. Toen de cliënt na enkele weken op de IC te hebben gelegen op
17 maart 2022 naar de longafdeling werd verplaatst, is bij de familie (logischerwijs) de indruk ontstaan dat de situatie van de cliënt verbeterd was. Op dat moment heeft de zorgaanbieder nagelaten met de familie te bespreken dat de weliswaar cliënt werd ontslagen van de IC maar dat verbetering in de gezondheid van de cliënt niet zódanig was dat het reanimatiebeleid aangepast kon worden. Het had op de weg van de zorgaanbieder gelegen om op een dergelijk cruciaal moment in de zorgverlening – het overdragen van de cliënt naar een andere afdeling – hierover duidelijk en zorgvuldig te communiceren.

De commissie kan niet vaststellen dat dit is gebeurd, noch op de longafdeling noch bij het ontslag naar Behandelcentrum de Hazelaar, nu dit op geen enkel moment is vastgelegd in het medisch dossier. Hier komt nog bij dat de longarts ter zitting heeft bevestigd de familie zelf nooit te hebben gesproken gedurende de opname op de longafdeling. De stelling van de zorgaanbieder dat alleen met de cliënt en diens naasten wordt gesproken indien aanleiding bestaat voor aanpassing van het reanimatiebeleid, volgt de commissie niet. Ook de boodschap dat het reanimatiebeleid niet aangepast kan worden gezien de conditie van de cliënt, kan zeer relevante informatie zijn voor de cliënt zelf en diens naasten.

Ook bij de overdracht van de cliënt naar Behandelcentrum de Hazelaar in het kader van revalidatie had het reanimatiebeleid besproken en geëvalueerd kunnen en moeten worden. Dit is de commissie wederom niet gebleken, nu dit niet is vastgelegd in het dossier. Ook in de ontslagbrief aan Behandelcentrum de Hazelaar ontbreekt informatie over het reanimatiebeleid.

Onder die omstandigheden concludeert de commissie dat het niet-reanimeren beleid weliswaar een juiste professionele afweging is geweest, maar de commissie is niet gebleken dat de zorgaanbieder de cliënt en diens naasten hierover voldoende heeft geïnformeerd. In zoverre kan de commissie niet spreken van goed hulpverlenerschap.
Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie:
– verklaart de klacht van de klaagster ten dele gegrond;
– bepaalt dat de zorgaanbieder het door de klaagster betaalde klachtengeld van € 52,50 dient te vergoeden binnen 14 dagen na verzending van dit bindend advies.

Overeenkomstig het reglement van de commissie is de zorgaanbieder aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.

Deze behandelingskosten worden geheel betaald.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, mevrouw drs. M.L.T.B.M. Köhlen, mevrouw mr. I. van den Hoven – van Vogelpoel, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. S.M.E. Balfoort, secretaris, op 14 oktober 2025.