Communicatie en afronding van behandelrelatie tussen cliënt en fysiotherapeut

De Geschillencommissie Zorg




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: -    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 803694/948268

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De cliënt ontving tussen maart en juni 2024 poliklinische fysiotherapie bij de zorgaanbieder, waarbij naast fysieke klachten ook ruimte was voor emotionele ondersteuning. Na afronding van de behandeling stuurde de cliënt een feitelijk verslag over deze periode naar de fysiotherapeut. De fysiotherapeut las in dit verslag dat de cliënt ontevreden was, wat voor haar aanleiding was om hierover terug te reageren. De cliënt ervoer deze interpretatie als onjuist en voelde zich hierdoor verkeerd begrepen. Vervolgens is door de zorgaanbieder een contactverbod opgelegd, omdat de cliënt na beëindiging van de behandeling contact bleef zoeken. De cliënt vindt dat de zorgaanbieder onvoldoende heeft onderzocht waarom het misverstand is ontstaan en voelt zich in dit proces emotioneel beschadigd. De zorgaanbieder geeft aan dat het gesprek hierover open en zorgvuldig is gevoerd en dat het contactverbod nodig was om de behandelrelatie duidelijk af te sluiten. De commissie stelt vast dat het contactverbod moet worden gezien als formele beëindiging van informeel vervolgcontact na afloop van de behandeling. Er zijn onvoldoende feiten aangevoerd om aan te nemen dat dit besluit onterecht was of dat de fysiotherapeut onprofessioneel heeft gehandeld. De commissie ziet geen aanwijzingen dat sprake was van negatieve of vijandige houding van de fysiotherapeut richting de cliënt.

De uitspraak

in het geschil tussen

[naam], wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de cliënt)

en

Basalt Den Haag, gevestigd te ‘s-Gravenhage
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil

Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2025 te Den Haag.

Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen ter zitting te verschijnen. De cliënt was zelf ter zitting aanwezig. Namens de zorgaanbieder is [naam] (bestuurssecretaris) digitaal ter zitting verschenen.

Onderwerp van het geschil

De cliënt heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder.

Het geschil betreft het contact tussen de cliënt en een fysiotherapeut van verweerder.

Standpunt van de cliënt

Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Vanaf maart 2024 tot en met 13 juni 2024 onderging de cliënt poliklinische behandelingen bij een fysiotherapeut van de zorgaanbieder. Naast fysieke problematiek bleek bij de cliënte ook sprake te zijn van emotionele problematiek, waar tijdens het behandeltraject voorzichtig aan gewerkt is. Na afloop van het behandeltraject heeft de cliënt een feitelijk verslag geschreven over haar poliklinische periode.

Enige tijd later ontving zij hierop een reactie van de fysiotherapeut, dat zij uit het verslag begreep dat de cliënt niet tevreden was met de behandeling en dat zij dat graag eerder had gehoord. Dit ervaart de cliënt als een leugen, omdat zij juist met veel plezier naar de behandelingen is gegaan. De cliënt heeft hierna zelfs een contactverbod opgelegd gekregen.

De cliënt is van mening dat de zorgaanbieder nooit heeft onderzocht waarom de fysiotherapeut de cliënt heeft beticht van ontevredenheid. De cliënt was immers nooit ontevreden maar heeft niet de kans gekregen dit misverstand uit te leggen. In de gesprekken die hebben plaatsgevonden – waaronder het Voorportaal-gesprek – heeft de zorgaanbieder zich manipulatief opgesteld. Hierdoor heeft de cliënt veel emotionele schade ondervonden.

Standpunt van de zorgaanbieder

Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De zorgaanbieder betreurt dat de cliënt het Voorportaal-gesprek als partijdig en onprettig heeft ervaren. Naar de mening van de zorgaanbieder was het gesprek juist open en gelijkwaardig.

De zorgaanbieder ontkent stellig dat sprake is van haatgevoelens van de fysiotherapeut jegens de cliënt. Wel is de fysiotherapeut geschrokken van het verslag van de cliënt, waaruit zij expliciet opmaakt dat de cliënt niet tevreden was met de behandelingen. Het contactverbod was gelegen in het voortdurende contact dat de cliënt met de fysiotherapeut zocht.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

Toetsingskader
De overeenkomst die de cliënt met de zorgaanbieder heeft gesloten, betreft een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Op grond van de behandelingsovereenkomst die de cliënt met de zorgaanbieder is aangegaan, moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (het goed hulpverlenerschap uit artikel 7:453 van het BW), die mede bepaald wordt door onder meer de stand en inzichten van de medische wetenschap, richtlijnen en protocollen. Het goed hulpverlenerschap houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

Beoordeling
De klacht van de cliënt houdt in dat zij ten onrechte is beschuldigd van ontevredenheid over de fysiotherapeut. De cliënt heeft, nadat haar behandeldoelen waren bereikt en de fysiotherapeutische behandeling was beëindigd, een feitenrelaas aan de fysiotherapeut overhandigd. De fysiotherapeut heeft verklaard dat zij geschrokken was van de inhoud en de standpunten die de cliënt daarin heeft verwoord. Na overleg met haar leidinggevende is, gelet op de berichten die de cliënt volgens de zorgaanbieder nadien aan de fysiotherapeut bleef sturen, door de zorgaanbieder een contactverbod opgelegd.

De commissie overweegt dat dit contactverbod aldus moet worden begrepen dat de zorgaanbieder hiermee de reeds formeel beëindigde behandelrelatie feitelijk nogmaals heeft afgesloten. Na het formele einde van de behandeling vond immers nog contact plaats tussen de cliënt en de fysiotherapeut, betrekking hebbend op het emotionele proces dat bij de cliënt speelde.

Tijdens de hoorzitting heeft de cliënt desgevraagd niet nader willen toelichten wat de inhoud en aard van dit emotionele proces was. De commissie en de zorgaanbieder hebben deze keuze gerespecteerd. Vaststaat echter dat dit emotionele proces voor de zorgaanbieder aanleiding is geweest om een contactverbod op te leggen, waarmee ook dit informele vervolgcontact tussen de cliënt en de fysiotherapeut werd beëindigd.

Op grond van de bij de commissie beschikbare gegevens bestaat geen aanleiding om aan te nemen dat de zorgaanbieder het contactverbod ten onrechte heeft opgelegd. De cliënt heeft haar standpunt hierover onvoldoende geconcretiseerd en met feiten onderbouwd. Naar het oordeel van de commissie is dan ook geen sprake van handelen in strijd met de norm van goed hulpverlenerschap.

De commissie merkt ten slotte op dat niet is komen vast te staan dat de fysiotherapeut gevoelens van haat jegens de cliënt koestert. De enkele stelling van de cliënt dat dit uit de lichaamshouding van de fysiotherapeut tijdens het gesprek in het Voorportaal zou blijken, acht de commissie daarvoor onvoldoende. De zorgaanbieder heeft immers uitdrukkelijk ontkend dat van dergelijke gevoelens sprake is, en de commissie heeft in de overgelegde stukken geen aanwijzingen gevonden die op het tegendeel duiden.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie:
– verklaart de klacht van de cliënt ongegrond.
– Overeenkomstig het reglement van de commissie is de zorgaanbieder aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.
Deze behandelingskosten worden geheel betaald.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, mevrouw drs. M.L.T.B.M. Köhlen, de heer J. Donga, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. S.M.E. Balfoort, secretaris, op 16 oktober 2025.