Commissie ziet geen verband tussen behandeling en latere klachten

De Geschillencommissie Zorg




Commissie: Zorg Algemeen    Categorie: bejegening/ zorgverlening    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 1092180/1156828

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De cliënt klaagde dat de artsen hem slecht hadden behandeld, niet naar hem hadden geluisterd en zonder duidelijke toestemming rubberbandjes op aambeien hadden geplaatst. Volgens hem heeft dit geleid tot hevige pijn, ontstekingen, abcessen en meerdere operaties. De zorgaanbieder zegt dat alle behandelingen volgens de regels zijn gedaan, dat cliënt goed is geïnformeerd en dat er geen bewijs is dat zijn latere ernstige klachten door hun ingrepen komen. De commissie oordeelt dat de artsen hebben gehandeld zoals een goed hulpverlener hoort te doen, dat de behandelingen waren toegestaan en correct zijn uitgevoerd en dat niet kan worden bewezen dat het abces maanden later door deze behandelingen is ontstaan. Ook over de bejegening is niet vast te stellen wie gelijk heeft. Daarom verklaart de commissie de klacht ongegrond en wordt er geen schadevergoeding toegekend.

De volledige uitspraak

in het geschil tussen

[naam], wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: cliënte)

en

Stichting Chirurgisch Centrum, gevestigd te Maastricht
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft de wijze van communiceren met tussen cliënt en de betrokken artsen, het door een arts uitvoeren van een ingreep waarvoor geen toestemming is verleend en ook niet zorgvuldig is uitgevoerd met als gevolg hevige blijvende pijnklachten en complicaties.

Standpunt van cliënt

Het standpunt van cliënt luidt als volgt

Op 13 september 2024 is client door zijn huisarts naar het de zorgaanbieder doorverwezen in verband met anale kloven en perianale dermatitis. Cliënt voelde tijdens het eerste consult al het ongeduld en de onwil van de arts om naar hem te luisteren. Hij werd steeds onderbroken terwijl hij probeerde zijn klachten uit te leggen en bovendien werd het onderzoek op ruwe wijze uitgevoerd. De arts stelde voor om het slijmvlies van het rectum te bekijken, terwijl cliënt voor heel andere klachten was gekomen. Cliënt heeft daarvoor toch toestemming gegeven omdat hij artsen vertrouwt. Vervolgens is een anale spreider ingebracht en zonder toestemming werd een latexring op een aambei geplaatst wat zo’n hevige pijn gaf dat cliënt niet naar huis kon. Uiteindelijk moest hij toch gaan, de hevige pijnklachten verdwenen pas na twee dagen.

Na vier weken pijn en ongemak, bagatelliseerde de arts tijdens de controleafspraak de door cliënt geuite rectumklachten met de onjuiste mededeling dat er geen zenuwuiteinden in het rectum aanwezig zijn en cliënt dus niets kon voelen. Wederom werd cliënt ook tijdens dit consult steeds door de arts onderbroken in zijn verhaal. Terwijl cliënt bleef aangeven klachten van anale kloven te ondervinden, gaf de arts echter aan dat alles in orde was. Ook ging ze niet in op het feit dat de geplaatste latexring nog steeds het lichaam niet had verlaten, wat normaliter binnen 7 tot 14 dagen plaats vindt.
Op 19 oktober voelde cliënt tijdens de ontlasting dat er iets in zijn rectum knapte, waarna hevige
bloedingen ontstonden en een gescheurde latexring naar buiten kwam. Cliënt melde dit bij de zorgaanbieder, werd uitgenodigd bij de behandelend arts op consult te komen, maar weigerde dat.
Op 18 november 2024 werd hem een consult bij een andere arts van de zorgaanbieder aangeboden. Bij deze andere arts vertelde cliënt dat hij vermoedde dat de ligatie niet correct was uitgevoerd en dat hij het gevoel had dat hij een vreemd voorwerp in zijn rectum voelde. De andere arts stelde een operatie voor om de darm inwendig te kunnen bekijken en voerde deze ingreep in december 2024 uit. Alles zag er volgens de arts normaal uit en zij belde cliënt af en toe om naar zijn toestand te vragen.
Na het stoppen met paracetamol en laxeermiddelen kreeg cliënt weer meer klachten, voelde opnieuw dat er iets in zijn rectum zat en kon op 13 januari 2025 op consult komen. Hij heeft tijdens het consult verteld het gevoel te hebben dat er een tumor in zijn rectum groeide. De andere arts heeft de klachten niet serieus genomen en beschuldigde cliënt van anusfixatie. Dit maakt tot op heden cliënt erg verdrietig.

De pijnklachten kwamen en gingen, echter vanaf februari 2025 werden deze klachten steeds heviger. Eind februari kreeg de cliënt tot 40 graden koorts, rillingen, zweette hevig en ervoer druk in zijn rectum. Hij stuurde een bericht naar de zorgaanbieder, die aangaf dat hij tot zijn afspraak van 10 maart 2025 moest wachten en hem werd geadviseerd naar de huisarts te gaan. Cliënt is op 8 maart 2025 naar de huisarts gegaan, die vervolgens telefonisch contact met de zorgaanbieder opnam. De huisarts vertelde cliënt dat alles in orde was, dat hij paracetamol kon nemen en bij verergering van de klachten naar de Spoed Eisende Hulp (SEH) moest bellen. De klachten verergerden en cliënt heeft zich bij de SEH gemeld, alwaar hij als diagnose kreeg: paraproctitis, een rectaal abces en bacteriemie. Cliënt moest vervolgens kort na elkaar twee operaties ondergaan.
Op 20 augustus 2025 werd cliënt in ernstige toestand met de ambulance naar het ziekenhuis gebracht, alwaar hij opnieuw moest worden geopereerd om een abces te verwijderen. Inmiddels is cliënt in het ziekenhuis, waar hij begin maart 2025 met spoed werd opgenomen, vijf keer geopereerd. Bekend is dat nog minstens twee operaties nodig zijn.

Cliënt is van mening dat nalatigheid, onzorgvuldig handelen, gebrek aan professionaliteit en het niet naleven van medische protocollen hebben geleid tot ernstige complicaties en ernstige en langdurige schade aan zijn gezondheid en levenskwaliteit. De oorzaak van de ontstane complicaties is de technische fout gemaakt bij het plaatsen van de latex ring op een aambei in september 2024, wat heeft geleid tot de ontwikkeling van een paraproctitis en een abces.
Er zijn duidelijk fouten gemaakt, omdat het toepassen van ligatie bij acute anale fissuren en perianale eczeem verboden is. Er werd te veel weefsel boven de linea dentata vastgepakt, wat de hevige pijn bij cliënt verklaart. Er zijn vervolgens bacteriën diep in de darmwand doorgedrongen, wat uiteindelijk heeft geleid tot ernstige gezondheidsproblemen. De zorgaanbieder dient daarin verantwoordelijkheid te erkennen en aan cliënt zowel een morele als een materiële schadevergoeding te voldoen voor het geleden leed, de fysieke pijn, de aantasting van zijn menselijke waardigheid en de kosten die hij heeft moeten maken voor behandeling en herstel.

Cliënt verzoekt de commissie op basis van het voorgaande onderzoek in te stellen naar de artsen en cliënt te helpen morele en financiële compensatie te verkrijgen voor zijn langdurige lijden.

Standpunt van de zorgaanbieder

Behandeltraject
Cliënt is op 16 september 2024 voor het eerst met zijn klachten gezien door een arts van de zorgaanbieder. Door de arts is uitgelegd wat er zou kunnen spelen (anale fissuur in combinatie met aambeien) en voorgesteld is om een proctoscopie uit te voeren en om daarbij indien nodig rubberband ligaties (RBL) uit te voeren. Cliënt is goed geïnformeerd over de voorgestelde behandeling en daarmee akkoord gegaan, waarna onderzoek en de proctoscopie zijn verricht, waarbij zowel de anamnese als het onderzoek meer wezen op klachten van aambeien, dan van de oppervlakkige anale fissuur. Vervolgens heeft de arts drie rubberband ligaties verricht. Na de behandeling is cliënt onwel geworden als gevolg van bekkenbodemkrampen en is ruim een uur in de kliniek ter observatie gebleven. Vervolgens is tot het consult van 14 oktober 2024 niets meer van cliënt vernomen. Ten tijde van dat consult had hij geen pijn meer en na drie weken zou weer een controleconsult worden ingepland om te beoordelen of het nodig zou zijn te starten met botox injecties en nog meer rubberband ligaties.

Op 19 oktober 2024 heeft de zorgaanbieder een e-mail van cliënt ontvangen, waarin hij zijn onvrede heeft geuit over de gang van zaken tijdens het consult van 14 oktober. Door de klachtenfunctionaris is voorgesteld om een afspraak de maken met een andere arts van de zorgaanbieder. Tegenover deze arts heeft cliënt op 18 november 2024 aangegeven te kampen met fissuren. Er bleek sprake te zijn van een scheurtje in het slijmvlies bij de anus en mogelijk van aambeien. Voorgesteld is om onder algehele narcose een inspectie te verrichten en het scheurtje in het slijmvlies en eventuele aambeien te behandelen, waarbij het scheurtje in het slijmvlies door middel van botoxinjecties zou worden behandeld en dat als sprake zou zijn van aambeien, deze met nog eens rubberband ligaties zouden worden behandeld. Cliënt is geïnformeerd over de behandeling en de mogelijke risico’s en is op 3 december 2024 geopereerd. Onder algehele narcose is eerst een proctoscopie uitgevoerd, waarbij is geconstateerd dat sprake was van evidente aambeien, een ventraal fissuurtje en dorsaal kleine oppervlakkige scheurtjes. De arts heeft toen eerst drie rubberband ligaties uitgevoerd en daarna heeft zij botox in de interne kringspier geïnjecteerd. Deze ingreep is succesvol uitgevoerd.

Op 6 januari 2025 heeft cliënt laten weten dat hij weer last had gekregen van aambeien en dat hij graag een consult zou inplannen om dit met een arts te bespreken. Op 13 januari 2025 heeft deze controle afspraak plaatsgevonden, tijdens dit consult heeft cliënt verteld geen verbetering en nog steeds erg veel anale pijn te ervaren. Cliënt heeft nogmaals een botoxinjectie gekregen en is vervolgens verwezen naar een bekkenbodem fysiotherapeut. Daarbij is besproken dat cliënt na twee maanden opnieuw zou worden gezien door de arts.

Op 6 maart 2025 heeft cliënt zich opnieuw per e-mail tot de zorgaanbieder gewend met ernstige pijnklachten. Diezelfde dag is hem bericht dat hij op maandag 10 maart 2025 een afspraak heeft staan en dat deze klachten dan kunnen worden besproken en onderzocht. Een dag later op 7 maart 2025 heeft cliënt opnieuw contact opgenomen en heeft aangegeven dat sprake is van koorts. Omdat koorts niet paste bij de gestelde diagnose en behandeling, is hij geadviseerd zich te melden bij de huisarts. Geadviseerd is om bij toename van klachten zich bij de SEH te melden. Dit heeft cliënt gedaan en daags daarna is hij in het ziekenhuis opgenomen met de diagnose peri-anaal abces dat zich heeft uitgebreid naar de prostaat, “evenals sepsis”.

Inhoudelijke standpunt zorgaanbieder
De door de artsen bij cliënt uitgevoerde behandelingen op 16 september 2024 en op 3 december 2024 voldoen aan de professionele standaard en de kwaliteitstandaarden ex art. 7:453 BW. Zoals volgt uit het medisch dossier, zijn de behandelingen lege artis uitgevoerd en hebben beide artsen hierbij de zorg van een goed hulpverlener in acht genomen en gehandeld in overeenstemming met de op hen rustende verantwoordelijkheid. Van belang in dit kader is dat ten tijde van bovengenoemde ingrepen, geen sprake was van peri-anaal eczeem/dermatitis rondom de anus van cliënt. Overigens geldt dat als daarvan wel sprake zou zijn geweest, dat nog geen aanleiding was om niet tot rubberband ligaties over te gaan. Als sprake was geweest van een proctitis dan zou de eerste of de arts die de behandeling heeft overgenomen dit zeker hebben opgemerkt bij de proctoscopie en dit ook in het medisch dossier hebben genoteerd en de behandeling daarop hebben aangepast.
Beide ingrepen zijn succesvol uitgevoerd. De veronderstelling van cliënt dat een protocol niet zou zijn gevolgd, is onjuist en wordt ook niet onderbouwd. De ingreep is verlopen op de wijze zoals had mogen worden verwacht. Daarbij heeft cliënt zijn stelling dat de ingrepen tot ernstige gezondheidsproblemen hebben geleid niet onderbouwd. De zorgaanbieder beschikt zelf niet over het medisch dossier van de zorginstelling waar cliënt vanaf 8 maart 2025 is behandeld, zodat niet is vast te stellen hoe en waar het abces zich heeft ontwikkeld. Daarbij is het risico zeer klein dat als gevolg van een rubberband ligatie, een abces ontstaat. Ook geldt dat de eerste symptomen zich dan binnen drie tot tien dagen na de plaatsing moeten voordoen. De zorgaanbieder betwist dan ook dat het door cliënt gestelde abces een gevolg is van de ingrepen die door de artsen van de zorgaanbieder zijn uitgevoerd, zeker nu er een termijn van drie maanden zit tussen de laatste ingreep door de zorgaanbieder en het volgens cliënt geconstateerde abces. Het is hierdoor geenszins aannemelijk dat het abces een gevolg is van de door de artsen uitgevoerde ingrepen. Dit geldt temeer nu cliënt op 6 maart 2025 nog aan de zorgaanbieder heeft laten weten dat hij sinds twee weken klachten had en hij zich in de twee maanden daarvoor in het geheel niet had gemeld met klachten.

Ten slotte heeft cliënt aangegeven dat zowel de eerste als de tweede behandelend arts hem niet serieus heeft genomen en zelfs spottend zou hebben gereageerd op zijn klachten. De betreffende artsen herkennen zich hier niet in; zij hebben juist begrip getoond en bij elk consult ruim de tijd genomen. Dat klager niet tevreden was met de informatie die hij heeft gekregen, kan de zorgaanbieder niet worden toegerekend.

Op grond van het voorgaande dient de klacht ongegrond te worden verklaard. Van onzorgvuldig handelen is geen sprake geweest, zodat ook geen grondslag aanwezig is om de door cliënt gestelde schade te vergoeden. Zelfs al zou sprake zijn van (enig) onzorgvuldig handelen door de zorgaanbieder, dan nog ontbreekt causaliteit tussen het vermeend onzorgvuldig handelen en de door cliënt gestelde schade.

Beoordeling van het geschil

De commissie constateert dat de kern van de klacht bestaat uit het verwijt dat de behandeling van 16 september 2024 bij klager niet leges artis is uitgevoerd, medische protocollen niet zijn nageleefd, sprake is van gebrek aan professionaliteit en nalatig en onzorgvuldig handelen. Cliënt stelt dat hij vanwege anale fissuur naar de zorgaanbieder is verwezen en dat de zorgaanbieder niet drie rubberband ligaties had mogen uitvoeren, nu dat een behandeling voor aambeien betreft. Daarbij stelt cliënt dat bij het plaatsen van de bandjes teveel weefsel is vastgepakt wat tot grote schade bij hem heeft geleid. Dit handelen zou de oorzaak zijn van het ontstaan van ernstige complicaties met forse gezondheidsschade tot gevolg. Cliënt stelt dat de zorgaanbieder zijn zorgplicht heeft geschonden en aansprakelijk is voor de schade die cliënt tot op heden ondervindt.

De overeenkomst die cliënt met de zorgaanbieder heeft gesloten, betreft een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Op grond van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 van het Burgerlijk Wetboek). Deze zorgplicht houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

De verplichting die voor een hulpverlener (in dit geval: de zorgaanbieder) voortvloeit uit een geneeskundige behandelingsovereenkomst wordt in beginsel niet aangemerkt als een resultaatsverplichting, waarbij de hulpverlener moet instaan voor het bereiken van een bepaald resultaat, maar als een inspanningsverplichting, waarbij de hulpverlener zich verplicht zich voor het bereiken van een bepaald resultaat in te spannen. De reden hiervoor is dat het bij een geneeskundige behandeling meestal niet mogelijk is een bepaald resultaat te garanderen, omdat het menselijk lichaam in het (genezings-)proces een ongewisse factor vormt; zelfs bij onberispelijk medisch handelen kan het beoogde resultaat uitblijven. Van een tekortkoming kan dan ook pas worden gesproken indien komt vast te staan dat de hulpverlener zich onvoldoende heeft ingespannen of bij de inspanning een fout heeft gemaakt.

Voor de aansprakelijkheid van de zorgaanbieder is vereist dat voldoende aannemelijk is dat de zorgaanbieder tekort is geschoten in de nakoming dan wel de uitvoering van de behandelingsovereenkomst. De aanwezigheid van een fout of nalaten, is een vereiste voor aansprakelijkheid van de zorgaanbieder. De tekortkoming moet aan de zorgaanbieder kunnen worden verweten en de cliënt moet door deze tekortkoming nadeel zijn toegebracht.

Het is voor de commissie op grond van het dossier genoegzaam komen vast te staan dat cliënt blijkens de huisartsenbrief vanwege aambeien door zijn huisarts naar de zorgaanbieder is verwezen. Dat de arts vanwege deze verwijzing in beginsel inzet op de behandeling van aambeiklachten is dan ook niet onbegrijpelijk, temeer nu de arts tijdens het binnenwaarts onderzoek van 16 september 2024 aambeien heeft aangetroffen. Het uitvoeren van de rubberband ligaties kan dan ook naar het oordeel van de commissie niet worden gekwalificeerd als een verkeerde behandeling. Dat het een behandeling voor anale fissuren had moeten worden, is voor de commissie onvoldoende komen vast te staan, nu uit onderzoek is gebleken dat slechts sprake zou zijn van een oppervlakkige fissuur.
Het behandelprotocol voor aambeien bepaalt dat het toegestaan is dat per behandeling twee tot vier bandjes kunnen worden geplaatst, zodat niet kan worden geconcludeerd dat bij het plaatsen van drie bandjes de arts het protocol niet heeft gevolgd. De commissie komt dan ook tot de conclusie dat op grond van het voorgaande haar niet is gebleken dat de behandeling van 16 september 2024 niet had mogen worden uitgevoerd en dat tevens niet is gebleken dat deze verkeerd en in strijd met het behandelprotocol zou zijn uitgevoerd.

Na de behandeling van 16 september 2024 heeft cliënt aangegeven een aantal dagen hevige klachten te hebben ervaren, maar uit het dossier komt niet naar voren dat bij het controleconsult van 14 oktober 2024 de pijnklachten nog aanwezig zijn, wel heeft cliënt klachten geuit over de bejegening van de behandeld arts. Daarop heeft de zorgaanbieder naar het oordeel van de commissie adequaat gehandeld door de optie te geven aan cliënt de behandeling door een andere arts te laten voortzetten. Op 18 november 2024 is cliënt door een andere arts onderzocht, die, zoals uit de verslaglegging blijkt, heeft voorgesteld om onder algehele narcose eerst op 3 december 2024 een proctoscopie uit te voeren om de oorzaak van de toegenomen klachten vast te kunnen stellen. De conclusie die uit het onderzoek volgde was dat er duidelijk sprake was van aambeien en dat ventraal en dorsaal kleine oppervlakkige scheurtjes aanwezig waren die door middel van botox konden worden behandeld. Om de aangetroffen aambeien zijn wederom bandjes geplaatst, wederom drie stuks. Naar aanleiding van de door beide artsen uitgevoerde behandelingen en hun verslaglegging daarvan kan de commissie niet anders dan de conclusie trekken dat de behandelend artsen zich als hulpverlener voldoende hebben ingespannen en dat niet is gebleken dat zij bij de inspanning fouten hebben gemaakt. Om de hiervoor genoemde redenen kan de commissie de klacht niet gegrond verklaren.
Cliënt stelt verder dat hij vanwege het fout handelen van de artsen te kampen kreeg met forse complicaties, zoals paraproctitis, een ontsteking rond de endeldarm, en een abces. De commissie maakt uit het dossier op dat de pijnklachten bij cliënt fluctueerden. Na de ingreep van 13 september en 3 december 2024 was eerst sprake van pijnklachten, die echter afnamen. Vervolgens heeft begin januari 2025 cliënt contact opgenomen met de zorgaanbieder vanwege terugkerende pijnklachten. Uit de stukken blijkt dat cliënt op 13 januari 2025 een botoxinjectie toegediend heeft gekregen en voor de bekkenbodemkramp bekkenbodemtherapie is geadviseerd.
Vervolgens heeft cliënt zich ruim zeven weken later namelijk op 6 maart 2025 tot de zorgaanbieder gewend met ernstige pijnklachten die hij sinds twee weken ondervond. Daags daarna heeft cliënt bij de zorgaanbieder melding gemaakt van koortsklachten, waarop de dag daarna een ziekenhuisopname elders volgde. Vaststaat dat in maart 2025 een peri anaal abces bij cliënt is gediagnosticeerd. De vraag waar de commissie voor staat is of dit in maart 2025 gediagnostiseerde peri anaal abces, oftewel de schade, een gevolg kan zijn van de in september en 3 december 2024 uitgevoerde ingrepen. De commissie acht een dergelijk verband tussen de behandeling en het abces niet aannemelijk omdat de kans op het ontstaan van een dergelijk abces na het plaatsen van bandjes op basis van de geraadpleegde literatuur minder dan 0,1% is. Daarnaast komt de commissie tot het oordeel dat de tijdsduur tussen de laatste behandeling op 3 december 2024 en het ontstaan van het perianaal abces het onwaarschijnlijk maakt dat dit abces door de behandeling is ontstaan.

Op grond van het vorenstaande acht de commissie, uitgaande van de laatste behandeling op 3 december 2024 en de diagnose stelling begin maart 2025, deze periode zodanig lang dat een causaal verband tussen de behandelingen en het aangetroffen abces niet kan worden aangetoond.

Ten slotte klaagt cliënt over de bejegening door de artsen. De manier waarop de artsen tegen hem spraken en hem bejegenden, maakte cliënt verdrietig. De commissie twijfelt niet aan de oprechtheid van de verklaringen van de cliënt op dit punt, maar zij overweegt dat in gevallen waarin de lezingen van partijen omtrent een klacht uiteenlopen en niet goed kan worden vastgesteld welke van beide lezingen het meest aannemelijk is, die klacht niet gegrond kan worden verklaard. De commissie zal de klacht van cliënt dat de zorgaanbieder zijn pijnklachten niet serieus heeft genomen dan ook ongegrond verklaren.

Op grond van het voorgaande ook in onderling (tijds)verband beschouwt komt de commissie tot het oordeel dat de zorgaanbieder niet tekortgeschoten is in de uitvoering van de behandelingsovereenkomst. De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder dan ook geen verwijt is te maken.

In verband met het verzoek tot schadevergoeding van cliënt overweegt de commissie als volgt.
Voor aanspraak op materiële en/of immateriële schadevergoeding is ten minste vereist dat de zorgaanbieder in enig opzicht toerekenbaar is tekort geschoten in de nakoming van zijn verbintenis. Nu de commissie heeft overwogen dat de klachten niet gegrond zijn, betekent dat dat van een toerekenbare tekortkoming van de zijde van de zorgaanbieder geen sprake is, zodat cliënt ook geen aanspraak op schadevergoeding toekomt en dat de door hem verlangde schadevergoeding zal worden afgewezen.

De commissie wil wel nog opmerken dat zij zeer meeleeft met cliënt en de fysieke situatie waarin hij momenteel verkeerd en de mogelijke ingrepen die hem nog te wachten staan. Dit alles laat echter onverlet dat de commissie geen aanleiding ziet de door hem gestelde schade ten laste van de zorgaanbieder te doen komen.

Hetgeen partijen ieder voor zich verder nog naar voren hebben gebracht, behoeft geen verdere bespreking, nu dat niet tot een ander oordeel kan leiden.

Derhalve wordt beslist als volgt.

Beslissing

De commissie verklaart de klacht ongegrond.

Het door cliënt verlangde wordt afgewezen.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Zorg Algemeen, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, mevrouw drs. W.J. van der Made, de heer mr. R.P. Gerzon, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. J.M. Bouter-Bijsterveld, secretaris, op 17 oktober 2025.