Commissie: Zelfstandige Klinieken
Categorie: Informatie
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: bindend advies
Uitkomst: ongegrond
Referentiecode:
1148940/1242990
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
Cliënte vindt dat de kliniek haar niet goed heeft begeleid tijdens het proces van eicellen invriezen: zij zegt dat er verkeerde verwachtingen zijn gewekt, dat zij niet goed is geïnformeerd over het moment waarop zij nog kon stoppen, en dat haar klacht daarna slecht is opgepakt. De zorgaanbieder zegt dat er geen duidelijke afspraken over een minimum aantal eicellen zijn gemaakt, dat de echo vóór de punctie niet bedoeld is om rijpe eicellen te tellen, en dat zij volgens de medische regels hebben gehandeld. De commissie oordeelt dat de kliniek juist heeft gehandeld, dat er geen beslismoment is weggenomen omdat de echo geen informatie kon geven over rijpe eicellen, en dat de overige klachten (zoals late ontvangst van het dossier) geen schade opleveren. Daarom verklaart de commissie alle klachten ongegrond en wijst de schadevergoeding af.
De volledige uitspraak
in het geschil tussen
[naam], wonende te [plaats] (hierna te noemen: cliënte)en
Medisch Centrum Kinderwens, gevestigd te Leiderdorp
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).
Onderwerp van het geschil
Het geschil heeft betrekking op een door cliënte gestelde toerekenbare tekortkoming van een uitgevoerde medische behandeling.
Standpunt van cliënte
Voor het standpunt van de cliënte verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Cliënte heeft zich gewend tot de zorgaanbieder met het verzoek om niet-medische redenen eicellen te laten invriezen, oftewel ‘social freezing’. Bij de gekozen methode cryopreservatie is één eicelpunctie per cyclus nodig, na een periode van hormonale stimulatie en monitoring met echo’s. Het proces leek goed te verlopen maar vanaf “dag 9 echo” ging het mis. Het verwachte resultaat leek tegen te vallen, waarop cliënte aangaf van de punctie af te zien en de betreffende cyclus te willen stoppen. Cliënte gaf aan te willen wachten tot zich een cyclus zou aandienen die kansrijker zou zijn, met een betere “oogst” aan eicellen. De fertiliteitsarts bevestigde gehoord te hebben dat cliënte wilde stoppen, maar zij gaf aan dat ook bij de echo voorafgaand aan de punctie, na extra stimulatie, nog kon worden gestopt. Op dat moment zouden namelijk opnieuw de rijpe eicellen worden gemeten en geteld. Cliënte heeft bevestigd gekregen dat er voldoende eicellen aanwezig waren en alleen op die voorwaarde is zij akkoord gegaan met het voortzetten van de ingezette behandelpoging.
Aangezien de punctie door andere artsen zou worden uitgevoerd, heeft cliënte bij hen expliciet melding gemaakt van deze hiervoor beschreven en gemaakte afspraken. De verpleegkundigen hebben vervolgens meermaals bevestigd dat acht eitjes ‘geoogst’ waren en dat de ervaring leert dat daarvan maximaal één of twee eitjes zouden afvallen. Na de punctie is cliënte per email bericht dat er vier eicellen afgevallen waren, waarna cliënte direct contact heeft opgenomen met de zorgaanbieder. Zij is toen niet adequaat te woord gestaan en onvoldoende geholpen. Zo kreeg cliënte incorrect medisch advies van een secretaresse, werd zij niet teruggebeld door de beloofde arts en hoorde zij van een verpleegkundige dat er niets over de gemaakte afspraken in het dossier vermeld stond. Tevens bleek dat de eicellen helemaal niet waren gemeten voorafgaande aan het uitvoeren van de punctie. Cliënte heeft een klacht ingediend over de gang van zaken, maar deze is niet adequaat opgepakt en niet binnen de daarvoor gestelde wettelijke termijn naar behoren afgewikkeld. Cliënte heeft pas na tien weken een officiële schriftelijke reactie van de zorgaanbieder ontvangen, die in het geheel niet tegemoetkwam aan haar verwachtingen. Daarnaast heeft het zes weken geduurd, vanaf haar verzoek om een kopie van haar medisch dossier, voordat zij de beschikking daarover kreeg.
De kern van de klacht van cliënte is niet zozeer gelegen in het tegenvallende resultaat van de behandeling, maar bestaat vooral uit de verkeerde voorlichting, valse beloftes, verkeerd gegeven advies, het niet respecteren van haar beslisrecht, waardoor cliënte steeds het gevoel kreeg dat haar rechten haar werden ontnomen en zij niet gehoord werd. Ook de incorrecte en incomplete dossiervorming hebben aan dit gevoel bijgedragen. Cliënte voelde zich bij de zorgaanbieder door een fabriek geduwd voor geld, zonder dat zij is gehoord en zonder dat haar rechten zijn erkend.
Cliënte stelt dat op grond van het voorgaande de zorgaanbieder toerekenbaar tekort is geschoten en verlangt daarvoor een schadevergoeding van minimaal € 7.000,-, bestaande uit gemaakte behandelkosten, gederfde inkomsten en immateriële schade. Daarnaast verlangt zij excuses van de zorgaanbieder.
Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De zorgaanbieder betwist dat met cliënte enige vorm van resultaat zou zijn afgesproken voor wat betreft het aantal eicellen dat uiteindelijk ingevroren zou kunnen worden. Eveneens betwist de zorgaanbieder dat er geen follikelpunctie zou worden gedaan als er niet met zekerheid een minimum aan rijpe eicellen zou worden verkregen. Een dergelijke resultaatsverbintenis is niet mogelijk, omdat pas in het laboratorium kan worden bezien hoeveel eicellen voldoende rijp zijn om te worden ingevroren. Dat bleken ingeval van cliënte vier uit de acht verkregen eicellen te zijn. Dat aan cliënte op de dag van de punctie zou zijn bevestigd dat er maximaal één of twee eicellen niet zouden kunnen worden ingevroren is om die reden ook niet mogelijk. De zorgaanbieder betreurt het dat bij cliënte andere verwachtingen zijn gewekt, maar bestrijdt dat cliënte onvoldoende geïnformeerd is of dat anderszins onzorgvuldig is gehandeld op dinsdag 25 februari 2025, de dag van de 9 dagen echo en op vrijdag 28 februari 2025, de dag van de punctie. De dag daarna heeft een medewerker van de zorgaanbieder cliënte zo goed als mogelijk te woord gestaan en naar vermogen is bekeken wat zij op dat moment voor cliënte kon doen. Cliënte heeft zich op dat moment onredelijk gedragen en is behoorlijk veeleisend geweest. Dat is zij ook gebleven in latere gesprekken die door cliënte als onbevredigend zijn bestempeld. Ook de klachtenfunctionaris en de directie van de zorgaanbieder hebben zo goed als mogelijk getracht de kennelijke onvrede bij cliënte weg te nemen, helaas niet met het gewenste resultaat tot gevolg.
Door de zorgaanbieder is erkend dat cliënte met betrekking tot toezending van het medisch dossier en de telefonische bereikbaarheid op 1 maart 2025 een punt had. Hiervoor zijn ook excuses aangeboden. Voor het overige is de zorgaanbieder van oordeel dat de bezwaren van cliënte feitelijke grondslag missen. Cliënte is niet in haar rechten geschonden, hoogstens is sprake geweest van misverstanden of verwachtingen die niet zijn uitgekomen, waarbij het voor de zorgaanbieder overigens niet duidelijk is geworden bij welk aantal ingevroren eicellen cliënte wel tevreden zou zijn geweest. De zorgaanbieder meent dat de verwijten door cliënte te zwaar worden aangezet en dat deze grotendeels ongegrond zijn.
De gevorderde schadevergoeding, bestaande uit de kosten van behandeling, gederfde inkomsten en immateriële schade, komen aldus de zorgaanbieder niet voor vergoeding in aanmerking. Temeer daarvoor geen juridische grondslag bestaat nu de zorgaanbieder zijn plichten uit overeenkomst is nagekomen. Er is geen sprake van een toerekenbare tekortkoming jegens cliënte. De zorgaanbieder bestrijdt de juistheid van de stelling van cliënte dat zij een deelbehandeling (de follikelpunctie) heeft ondergaan die zij niet gewild heeft. Hier is geen sprake van een deelbehandeling en bovendien is de punctie volgens de regelen der kunst (lege artis) uitgevoerd én heeft deze niet tot een onaanvaardbaar resultaat geleid. De gevorderde vergoeding van gederfde inkomsten is verder niet met verifieerbare gegevens onderbouwd, zodat deze vordering evenmin toewijsbaar is, want ook al zou cliënte de desbetreffende follikelpunctie niet hebben ondergaan, dan zou dat op enig ander moment wel het geval zijn geweest, zodat op dat moment ook sprake zou zijn van inkomstenverlies. Voor toewijzing van immateriële schadevergoeding bestaat evenmin aanleiding, nu de zorgaanbieder niet onzorgvuldig jegens cliënte heeft gehandeld.
De zorgaanbieder verzoekt op grond van het voorgaande de klachten van cliënte ongegrond te verklaren en het verzoek tot schadevergoeding af te wijzen.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
Cliënte heeft op 18 september 2024 een behandelingsovereenkomst met de zorgaanbieder gesloten voor het verkrijgen van eicellen voor opslag met behulp van cryopreservatie. Daarbij is ook tussen partijen een overeenkomst gesloten tot bewaarneming van cryo-eicellen. Eind 2024 hebben inleidende gesprekken plaatsgevonden en de feitelijke behandeling is aangevangen met ovariële stimulatie in februari 2025. Op 25 februari 2025 heeft een 9 dagen echo plaatsgevonden en op 28 februari 2025, na extra medicamenteuze stimulatie, een echo en een follikelpunctie. Uit de acht gepuncteerde follikels konden uiteindelijk vier bruikbare eicellen worden verkregen die rijp genoeg waren om te kunnen worden ingevroren.
De overeenkomst die cliënte met de zorgaanbieder heeft gesloten, betreft een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Op grond van de behandelingsovereenkomsten die cliënte met de zorgaanbieder is aangegaan, moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (het goed hulpverlenerschap uit artikel 7:453 van het BW), die mede bepaald wordt door onder meer de stand en inzichten van de medische wetenschap, richtlijnen en protocollen. Het goed hulpverlenerschap houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.
De verplichting die voor de zorgaanbieder voortvloeit uit een geneeskundige behandelingsovereenkomst wordt in beginsel niet aangemerkt als een resultaatsverplichting, waarbij de hulpverlener moet instaan voor het bereiken van een bepaald resultaat, maar als een inspanningsverplichting, waarbij de hulpverlener zich verplicht zich voor het bereiken van een bepaald resultaat in te spannen. De reden hiervoor is dat het bij een geneeskundige behandeling meestal niet mogelijk is een bepaald resultaat te garanderen, omdat het menselijk lichaam in het proces een ongewisse factor vormt; zelfs bij onberispelijk medisch handelen kan het beoogde resultaat uitblijven. Van een tekortkoming kan dan ook pas worden gesproken indien komt vast te staan dat de hulpverlener zich onvoldoende heeft ingespannen of bij de inspanning een fout heeft gemaakt.
Cliënte houdt de zorgaanbieder niet zozeer aansprakelijk voor het teleurstellende resultaat van de behandeling, maar wel voor het haar niet serieus nemen en het niet respecteren van haar grenzen. Cliënte heeft sterk het gevoel gehad dat niet naar haar werd geluisterd en dat haar beslisrecht werd geschonden. Zo geeft zij aan zich overgehaald te hebben gevoeld tot extra hormonale stimulatie voor een betere opbrengst bij de follikelpunctie op 28 februari 2025, terwijl cliënte juist van deze punctie af wilde zien. Enkel wanneer uit de echo, gemaakt vóór de punctie, zou blijken dat er meer bruikbare eicellen op het echobeeld te zien waren, had cliënte in overweging willen nemen in te stemmen met de follikelpunctie. Dit keuzemoment is haar door de behandelend artsen ontnomen. Desgevraagd is door de behandelend arts ter zitting gereageerd op het ontnemen van cliënte van een beslismoment voorafgaande aan de punctie van 28 februari 2025. Door de behandelend arts werd stellig ontkend dat nog sprake zou zijn van een beslismoment na de echo van 28 februari 2025, want ook al zou de arts hebben geweten dat cliënte direct na deze echo had willen weten of de follikels gegroeid waren om daarmee haar kans op een succesvolle punctie te vergroten, dan had die informatie cliënte op dat moment niet kunnen worden gegeven. De commissie begrijpt uit hetgeen tijdens de hoorzitting vanuit de zorgaanbieder naar voren is gebracht, dat wanneer cliënte het gewenste beslismoment bij de arts ter sprake zou hebben gebracht, haar direct zou zijn verteld dat de aan de punctie voorafgaande echo niet in deze gewenste informatie voorziet. De echo vóór de punctie is om een vroegtijdige eisprong waar te kunnen nemen, een mogelijk risico als gevolg van de extra stimulans voor het doorrijpen van de follikels. Een voortijdige ovulatie zou de punctie op dat moment onmogelijk maken. De echo was niet gepland om informatie te geven over de grootte van de eicellen en/of te bepalen of deze rijp zijn, nu dat pas vast te stellen is na laboratoriumonderzoek na de uitgevoerde punctie. Kortom wanneer cliënte bij de arts zou hebben aangegeven welke informatie zij dacht te verwachten, dan had de arts daar direct op kunnen antwoorden dat geen metingen zouden worden verricht bij het echo-onderzoek en dat deze echo niets zou kunnen toevoegen of afdoen aan de beslissing tot het doen van de punctie. Immers de punctie vindt plaats wanneer de ei-blaasjes groot genoeg zijn, maar pas na laboratoriumonderzoek zal moeten blijken of sprake is van rijpe eicellen die geschikt zijn om in te vriezen.
Kortom de kern van de klacht dat door de zorgaanbieder is nagelaten op de dag van de punctie een meting te verrichten, waardoor cliënte een keuzemogelijkheid is ontnomen, wordt naar het oordeel van de commissie door de zorgaanbieder met kracht en voldoende gemotiveerd weerlegd. De commissie volgt de zorgaanbieder in de stelling dat de echo geen informatie zou hebben toegevoegd en niets zou hebben afgedaan aan de beslissing de aanwezige follikels te puncteren. Deze klacht oordeelt de commissie dan ook ongegrond.
Voorts bestaan de overige klachten samengevat eruit dat de klacht van cliënte niet goed is afgehandeld. Zo heeft het te lang geduurd voordat cliënte de beschikking kreeg over haar medisch dossier, de wettelijk bepaalde klachtafhandelingstermijn is niet gehaald en bovendien is cliënte teleurgesteld dat de zorgaanbieder haar niet tegemoet is gekomen in haar verzoek tot schadevergoeding.
De commissie oordeelt dat het weliswaar langer dan gebruikelijk heeft geduurd voor cliënte de beschikking over haar medisch dossier heeft gekregen, echter nu cliënte op basis van haar dossier goed haar klacht heeft kunnen formuleren, ziet de commissie niet in dat cliënte hier in haar belangen is geschaad en daardoor schade heeft geleden. Bovendien heeft de zorgaanbieder hiervoor al voorafgaande aan het indienen van het geschil excuses aangeboden.
Wat betreft de klachttermijn van 10 weken oordeelt de commissie dat zij niet inziet dat de zorgaanbieder hier steken heeft laten vallen. Weliswaar geldt volgens de wet aanvankelijk een termijn van zes weken voor het behandelen van een klacht, het innemen van een standpunt door de zorgaanbieder, echter de wet bepaalt ook dat deze termijn met vier weken kan worden verlengd. Dat de reactie van de zorgaanbieder niet de reactie is geweest waarop cliënte heeft gehoopt, doet daaraan niets af en doet het oordeel van de commissie niet anders luiden.
In verband met het verzoek tot schadevergoeding van cliënte overweegt de commissie als volgt.
Voor aanspraak op materiële en/of immateriële schadevergoeding is ten minste vereist dat de zorgaanbieder in enig opzicht toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verbintenis. Nu de commissie heeft overwogen dat de klachten niet gegrond zijn, betekent dat dat van een toerekenbare tekortkoming van de zijde van de zorgaanbieder geen sprake is, zodat cliënte ook geen aanspraak op schadevergoeding toekomt en dat de door haar verlangde schadevergoeding zal worden afgewezen.
De commissie verklaart de klachten van cliënte ongegrond en is van oordeel dat als volgt dient te worden beslist.
Beslissing
De commissie verklaart de klacht van cliënte in al haar onderdelen ongegrond en wijst het door haar verzochte af.
Overeenkomstig het reglement van de commissie is de zorgaanbieder aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Zelfstandige Klinieken, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, mevrouw dr. M.J. Pelinck, de heer mr. R.P. Gerzon, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. J.M. Bouter-Bijsterveld, secretaris, op 17 oktober 2025.