Commissie: Geestelijke Gezondheidszorg
Categorie: (On)Zorgvuldig handelen
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: bindend advies
Uitkomst: ten dele gegrond
Referentiecode:
1237380/1298167
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De cliënt diende meerdere klachten in over haar behandeling bij Altrecht tussen 2022 en 2024. Zij vond dat de diagnose persoonlijkheidsstoornis onzorgvuldig was gesteld, dat haar behandelplan niet goed met haar was besproken en dat de groepstherapie onverwacht was gestopt. Ook voelde zij zich onveilig door een LinkedIn‑bericht van een behandelaar en vond zij dat zij te weinig uitleg kreeg over haar ADHD‑medicatie. De commissie oordeelt dat de cliënt haar klachten mocht indienen, omdat deze al eerder met de manager behandelzaken waren besproken. Daarna beoordeelt de commissie de klachten inhoudelijk. De klacht over het behandelplan is ongegrond, omdat de cliënt vrijwillig meedeed aan de therapie en voldoende wist over de behandeling. De belangrijkste klacht, over de diagnosestelling, is wél gegrond: belangrijke documenten ontbreken in het dossier, waardoor niet vastgesteld kan worden of de diagnose zorgvuldig is gesteld. Ook het ontbreken van de ADHD‑diagnose in het dossier is onzorgvuldig. Alle andere klachten zijn ongegrond. Volgens de commissie was het stoppen van de groepstherapie niet abrupt, was er geen sociale uitsluiting of privacy‑schending en heeft Altrecht de cliënt voldoende begeleid bij de ADHD‑medicatie. De commissie wijst de schadevergoeding van € 20.000 af, omdat er geen duidelijk verband is tussen de gegronde klachten en de gestelde schade. Wel moet Altrecht het klachtengeld van € 52,50 terugbetalen aan de cliënt.
De volledige uitspraak
in het geschil tussen
[Naam], wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de cliënt)en
Altrecht, gevestigd te Utrecht
(hierna te noemen: de zorgaanbieder)
Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.
De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.
De behandeling heeft plaatsgevonden op 11 december 2025 te Den Haag.
Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen ter zitting te verschijnen. De cliënt was samen met haar partner, [naam], ter zitting aanwezig. Namens de ondernemer zijn [naam] (directeur zorg) en [naam] (advocaat) ter zitting verschenen.
Onderwerp van het geschil
De cliënt heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder.
Het geschil betreft de diagnosestelling, informed consent, (beëindiging van de) groepstherapie, begeleiding en bejegening door de zorgaanbieder.
Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De cliënt kreeg tussen 2022 en 2024 een onzorgvuldige behandeling bij de zorgaanbieder. Zo heeft de cliënt geen inzage gekregen in haar behandelplan en is de cliënt in het opstellen daarvan niet betrokken. In het dossier staat ten onrechte vermeld dat de cliënt met het behandelplan heeft ingestemd.
Ook kreeg de cliënt een foutieve diagnose persoonlijkheidsstoornis, zonder gedegen diagnostiek. Er is nooit een uitgebreid diagnostisch onderzoek uitgevoerd en er bestaat geen verslag of rapportage hierover in het dossier. De enige ingevulde SCID-vragenlijst die daarop betrekking heeft, is op grond van privacyoverwegingen vernietigd.
Uit het eerste behandelplan van 4 januari 2023 blijkt dat geen formele diagnose van een persoonlijkheidsstoornis is gesteld.
Er wordt gesproken over “verstoorde persoonlijkheidsontwikkeling” en probleemgebieden, maar er ontbreekt een officiële classificatie. Hierdoor ontbreekt de formele indicatie om de cliënt in de GIT-PD behandeling te plaatsen.
Verder was sprake van slechte communicatie en onveilige situaties. Zo is de behandeling niet aangepast na de ADHD-diagnose van de cliënt en kreeg zij onvoldoende informatie over ADHD-medicatie.
Daarnaast heeft één van de behandelaren een LinkedIn-post geschreven over de groepstherapie van de cliënt, waarin de groep als boos en wantrouwend werd neergezet. Gezien de gebruikte naam en locatie is de post te herleiden naar de groep van de cliënt. Het effect van deze publicatie gaat verder dan privacy kwesties; het schond het vertrouwen en de veilige behandelrelatie.
Ook is op 23 mei 2024 abrupt besloten dat de behandeling (groepstherapie) wordt gestopt, terwijl de cliënt op 25 maart 2024 was aangemoedigd ermee door te gaan. Na beëindiging van de groepstherapie kreeg de cliënt onvoldoende nazorg, mochten groepsleden niet meer met haar praten en was er geen ruimte voor verwerking van haar emoties.
De cliënt vordert een schadevergoeding van € 20.000,- ter vergoeding van vervolgzorg, gederfde inkomsten en immateriële schade.
Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Ontvankelijkheid
De zorgaanbieder stelt zich primair op het standpunt dat de cliënt in haar klacht bij de commissie niet kan worden ontvangen. Op grond van het bepaalde in artikel 6 van het reglement van de commissie geldt dat de cliënt in zijn/haar klacht niet kan worden ontvangen indien hij/zij zijn klacht niet eerst bij de zorgaanbieder heeft ingediend. Nu heeft de cliënt onderdelen van haar klacht inderdaad bij de zorgaanbieder kenbaar gemaakt en die zijn ook door de klachtencommissie behandeld, maar in de onderhavige procedure komt zij gedeeltelijk met nieuwe klachtonderdelen.
Het gaat om de volgende klachtonderdelen:
• Onzorgvuldige diagnosestelling persoonlijkheidsstoornis;
• Onzorgvuldige klachtenprocedure – geen hoor en wederhoor;
• Schadelijke evaluatie zonder nazorg;
• Geen ruimte voor verwerking;
• Onvoldoende begeleiding bij ADHD-medicatie;
• Geen gelegenheid tot afscheid – onvolledige toelichting aan de groep;
• Ongegronde sociale uitsluiting na conflict;
Voortgezet overleg met de zorgaanbieder.
De volgende klachtonderdelen werden door de cliënt wel eerder bij de zorgaanbieder ingediend:
• Geen behandelplan;
• Abrupt staken van de behandeling in tegenspraak met positieve evaluatie;
• Onveiligheid door LinkedIn-post behandelaar.
Behandelplan
Het is niet juist dat een behandelplan zou hebben ontbroken. In de periode dat de cliënt bij de zorgaanbieder werd behandeld, zijn zelfs drie behandelplannen verschenen. Deze dateren van respectievelijk 4 januari 2023, 27 maart 2024 en 21 augustus 2024. Ook is niet juist dat deze behandelplannen niet met de cliënt zouden zijn besproken. In de afzonderlijke behandelplannen staat bevestigd dat deze op 9 januari 2023, 5 april 2024 en 28 augustus 2024 met de cliënt werden besproken.
De cliënt wijst er wel terecht op dat in de behandelplannen van 2024 de diagnose ADHD ontbreekt. Dat is onzorgvuldig geweest en dat betreurt de zorgaanbieder.
Hoe dit heeft kunnen gebeuren, is helaas niet duidelijk. Deze nieuwe diagnose is namelijk wel opgenomen in de DSM en in de beschrijvende diagnose, zoals die als een soort van voorblad in de digitale versie van het behandeldossier zichtbaar wordt. In beginsel komt deze beschrijvende diagnose bij het opstellen van een nieuw behandelplan dan automatisch daarin te staan. Om onduidelijke redenen is dat bij de cliënt niet gebeurd en voor deze systeemfout biedt de zorgaanbieder zijn excuses aan.
Diagnosestelling
Ter zake het verwijt van een onzorgvuldige diagnosestelling persoonlijkheidsstoornis wijst de zorgaanbieder erop dat de cliënt wel degelijk adequaat is onderzocht. Er hebben namelijk met een GZ-psycholoog meerdere gesprekken plaatsgevonden en daarnaast heeft de cliënt ook de SCID-vragenlijst ingevuld aan de hand waarvan het SCID-interview werd afgenomen. De SCID-vragenlijst bevindt zich inderdaad niet meer in het dossier, maar de GZ-psycholoog heeft deze bij de diagnosestelling uiteraard wel betrokken.
In meer algemene zin geldt dat de zorgaanbieder meent dat het behandeldossier voldoende duidelijk maakt dat bij de cliënt wel degelijk sprake is van een persoonlijkheidsstoornis – hetgeen door haar ook overigens nooit eerder werd ontkend – alsook van ADHD, al dan niet in combinatie met een ASS-probleem.
Klachtbehandeling
Verder beklaagt de cliënt zich erover dat sprake zou zijn van een onzorgvuldige klachtenprocedure en dat geen hoor en wederhoor is gepleegd. Mede door de verwijzing naar een document, waarin de cliënt aanvullingen en correcties heeft aangebracht bij het advies van de klachtencommissie, is het standpunt van de cliënt kennelijk dat er onvoldoende is geluisterd naar haar.
Ten aanzien van dit klachtonderdeel wijst de zorgaanbieder erop dat de commissie geen beroepsinstantie is voor klachten over de klachtencommissie zelf. Zij behandelt geen procedurele beroepszaken over de wijze van behandelen van een klacht door de klachtencommissie. In dit klachtonderdeel kan de cliënt zodoende om een tweede reden niet worden ontvangen.
Beëindiging behandeling
De zorgaanbieder betwist dat sprake zou zijn van een abrupt einde van de behandeling, of dat een behandeling aan de cliënt zou zijn ontzegd. De cliënt heeft op meerdere momenten aangegeven geen heil (meer) te zien in de groepstherapie, ook geen vertrouwen te hebben in de sociotherapeut en zelfs heeft zij uitgesproken daarmee te willen stoppen. Toen zij daarop terug wilde komen, is met haar gezocht naar alternatieven binnen de mogelijkheden van het behandelteam en is besloten dat de cliënt aan de groepstherapie kon blijven deelnemen tot en met een nieuwe cyclus, met het doel continuïteit te waarborgen en te voorkomen dat zij zonder behandeling kwam te zitten.
Per 1 juni 2024 kwam de cliënt vervolgens onder de hoede van een nieuwe psychotherapeut. Helaas is ook dit behandelcontact geëindigd in het opzeggen van het vertrouwen door de cliënt. Hierna is met IHT gestart, echter heeft de cliënt niet willen deelnemen aan de psychotherapiegesprekken op de polilocatie van de zorgaanbieder in Woerden, waardoor de IHT toen is gestaakt.
Ook heeft de cliënt voldoende de gelegenheid gekregen om afscheid te nemen van de groepstherapie, maar de cliënt heeft zelf gekozen daarvan geen gebruik te maken.
Overig
Verder is aan de cliënt voldoende nazorg geboden, was voldoende ruimte voor verwerking en was geen sprake van sociale uitsluiting.
LinkedIn-post
Met betrekking tot de klacht over de LinkedIn post voert de zorgaanbieder aan dat geen vertrouwelijke en ook geen tot de persoon herleidbare informatie op social media is gedeeld. Het op LinkedIn gepubliceerde stuk betrof slechts een algemene beschouwing over het bekostigingssysteem in de GGZ. Anders dan de cliënt stelt, werd de groep van de cliënt niet “letterlijk beschreven”.
Noch uit de oorspronkelijk tekst noch uit de aangepaste tekst is zelfs op enigerlei wijze vast te stellen dat deze betrekking heeft op, of is te herleiden naar de cliënt of leden van de groep waarmee zij therapie ontving. Daarmee is deze tekst niet in strijd met de geheimhoudingsplicht en/of privacyregels en/of de zorgvuldigheid, die behandelaren jegens hun patiënten in acht behoren te nemen.
Begeleiding ADHD-medicatie
In januari 2024 is de diagnose ADHD gesteld. Vervolgens is in overleg met de cliënt gestart met methylfenidaat. Tijdens meerdere consulten is met de cliënt uitgebreid stilgestaan bij de werking, het verwachte effect en de mogelijke bijwerkingen van deze medicatie. Tevens zijn alternatieven besproken, zoals dexamfetamine en bupropion, waarbij is toegelicht waarom bepaalde middelen meer of minder geschikt zouden zijn in haar situatie. De cliënt heeft daarbij zelf aangegeven eerst de resterende voorraad methylfenidaat te willen gebruiken alvorens een overstap te overwegen.
De zorgaanbieder heeft de cliënt actief begeleid in het keuzeproces, onder meer door het aanbieden van extra telefonische afspraken en het verstrekken van informatie over ADHD en de verschillende behandelopties. Ook is de cliënt uitgenodigd om vragen te stellen en is haar ondersteuning geboden bij het maken van een keuze. De zorgaanbieder is van mening dat de informatievoorziening en begeleiding rondom de medicatiekeuze adequaat en conform de professionele standaard is geweest.
Schadevergoeding
Nu de zorgaanbieder duidelijk heeft gemaakt dat geen sprake is geweest van onzorgvuldig handelen, is er ook geen reden de zorgaanbieder met een schadevergoedingsverplichting te belasten. Ook is de schade onvoldoende onderbouwd en wordt het causaal verband betwist.
Beoordeling van het geschil
Ontvankelijkheid
De zorgaanbieder heeft zich beroepen op niet-ontvankelijkheid van de cliënt, nu acht klachtonderdelen niet eerst bij de zorgaanbieder zijn ingediend.
De commissie volgt dit standpunt van de zorgaanbieder niet. Uit de overgelegde stukken en het besprokene ter zitting blijkt dat de betreffende klachtonderdelen in de drie gesprekken met de manager behandelzaken aan de orde zijn gekomen. Dat de klachtencommissie deze klachtonderdelen niet heeft behandeld, doet daaraan niet af. Dat is immers geen verplichte stap conform de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz).
De klachtonderdelen zijn wel afgerond, zo heeft de manager behandelzaken ter zitting uitdrukkelijk bevestigd. Ten aanzien van de klachtonderdelen waarover partijen van mening bleven verschillen, heeft de manager behandelzaken de cliënt geïnformeerd dat het haar vrij staat haar klachten bij commissie voor te leggen.
In dat licht kan de cliënt naar het oordeel van de commissie niet worden tegengeworpen dat zij de betreffende acht klachtonderdelen niet alsnog aan de klachtencommissie heeft voorgelegd.
De commissie verklaart de cliënt ontvankelijk in haar klachten en gaat over tot inhoudelijke bespreking van de klachtonderdelen.
Geen behandelplan en geen informed consent
De cliënt stelt dat geen sprake is geweest van een met haar afgestemd behandelplan en dat zij pas na ruim twee jaar behandeling kennis heeft kunnen nemen van een behandelplan. De zorgaanbieder heeft dit betwist en in dit verband drie behandelplannen overgelegd.
De zorgaanbieder heeft ter zitting erkend dat deze behandelplannen niet steeds onverwijld met de cliënt zijn gedeeld. De commissie acht dit onwenselijk. Naar het oordeel van de commissie is deze omstandigheid echter onvoldoende om dit klachtonderdeel gegrond te verklaren. Daarbij acht de commissie van belang dat de cliënt uit eigen beweging is gestart met de GIT-PD-groepstherapie.
Gelet hierop kan de commissie niet vaststellen dat geen sprake is geweest van informed consent of dat de cliënt onvoldoende was geïnformeerd over de aard en het doel van de behandeling.
Dit klachtonderdeel is dan ook ongegrond.
Onzorgvuldige diagnosestelling persoonlijkheidsstoornis
De zorgaanbieder heeft bij de cliënt de diagnose persoonlijkheidsstoornis gesteld. De cliënt stelt zich op het standpunt dat de diagnostiek onzorgvuldig is geweest, nu de onderbouwing van de diagnose niet (meer) in haar dossier is terug te vinden.
Op basis van de overgelegde stukken kan de commissie niet vaststellen dat de diagnostiek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De SCID-vragenlijsten die de cliënt voorafgaand aan het stellen van de diagnose heeft ingevuld en die volgens de zorgaanbieder aan de diagnose ten grondslag hebben gelegen, zijn niet in het dossier opgenomen. De zorgaanbieder heeft ter zitting erkend dat deze vragenlijsten niet meer traceerbaar zijn. Naar het oordeel van de commissie dient dit als onzorgvuldig te worden aangemerkt.
Ten overvloede merkt de commissie op dat hieruit niet zonder meer volgt dat de gestelde diagnose inhoudelijk onjuist is. De commissie kan slechts vaststellen dat zij niet kan beoordelen of de diagnose op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, nu de daaraan ten grondslag liggende stukken ontbreken.
De commissie volgt de cliënt niet in haar stelling dat zij niet op de hoogte was van de diagnose persoonlijkheidsstoornis. Vaststaat dat de cliënt heeft deelgenomen aan een groepstherapie waarvan de benaming expliciet verwijst naar persoonlijkheidsproblematiek (GIT-PD), zodat zij geacht kan worden bekend te zijn geweest met de aard van de gestelde diagnose.
Dit klachtonderdeel is gegrond.
Onzorgvuldige klachtenprocedure
De cliënt klaagt over de wijze waarop haar klacht door de klachtencommissie is behandeld, meer specifiek dat niet al haar klachten zijn behandeld en dat onvoldoende hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden.
Op grond van artikel 19 lid 1 van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) heeft de commissie tot taak geschillen over gedragingen van een zorgaanbieder jegens een cliënt in het kader van de zorgverlening te beslechten.
De klachtencommissie van de zorgaanbieder betreft een zelfstandig en onafhankelijke instantie en valt niet onder het bereik van de zorgaanbieder of voor hem werkzame personen. De commissie kan dit klachtonderdeel daarom niet inhoudelijk behandelen.
De commissie verklaart zich onbevoegd dit klachtonderdeel inhoudelijk te behandelen.
Abrupte beëindiging groepstherapie
De cliënt klaagt dat zij enkele weken nadat zij op 25 maart 2024 een positieve evaluatie had ontvangen over haar deelname aan de GIT-PD-groepstherapie, het advies heeft gekregen de groepstherapie te beëindigen. Volgens de cliënt was de motivering hiervoor onduidelijk en was zij niet eerder geïnformeerd over een maximale behandelduur.
Op basis van de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting is besproken, kan de commissie niet vaststellen dat sprake is geweest van een abrupt genomen besluit. Uit de gespreksverslagen blijkt dat de effectiviteit en doelmatigheid van de groepstherapie reeds gedurende langere tijd onderwerp van gesprek zijn geweest tussen de cliënt en de zorgaanbieder. Door de zorgaanbieder is onweersproken gesteld dat de cliënt zelf eveneens meermalen twijfels heeft geuit over het vervolg van de groepstherapie.
De vermelding in de evaluatie van 25 maart 2024 dat het voortzetten van de groepstherapie op dat moment als passend werd beschouwd, leidt niet tot een ander oordeel.
Daarbij neemt de commissie in aanmerking dat de cliënt nadien, in mei 2024, het vertrouwen heeft opgezegd in één van de behandelaren, die tevens als begeleider betrokken was bij twee onderdelen van de groepstherapie. De commissie volgt de professionele afweging van de zorgaanbieder dat voortzetting van de groepstherapie onvoldoende zinvol is indien het noodzakelijke vertrouwen in (een deel van) de betrokken therapeuten ontbreekt.
Dit klachtonderdeel is dan ook ongegrond.
Schadelijke evaluatie, gebrek aan nazorg
De cliënt stelt dat zij na de beëindiging van de behandeling onvoldoende nazorg heeft ontvangen en dat de evaluatie van de behandeling voor haar schadelijk is geweest.
De commissie volgt dit standpunt niet. Uit de door de cliënt overgelegde schriftelijke evaluatie kan de commissie niet afleiden dat daarin schadelijke of onzorgvuldige uitlatingen zijn gedaan, noch dat daarin geen ruimte zou zijn geboden voor nazorg. Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken, is de commissie gebleken dat de cliënt en de zorgaanbieder na afloop van de groepstherapie met elkaar in gesprek zijn gebleven over de continuïteit van de behandeling en dat de cliënt de groepstherapie heeft hervat.
Verder volgt uit de stukken dat de cliënt als enige deelnemer aan de groepstherapie geen afzonderlijke schriftelijke evaluatie heeft ontvangen. De zorgaanbieder heeft toegelicht dat dit het gevolg was van de ontstane onrust en hectiek rondom de vraag of de cliënt de groepstherapie diende te beëindigen. De commissie ziet geen aanknopingspunten om aan te nemen dat de zorgaanbieder hierbij uit kwade wil heeft gehandeld.
Gelet op het voorgaande kan de commissie niet vaststellen dat sprake is geweest van onvoldoende nazorg of van een evaluatie die als schadelijk moet worden aangemerkt.
Dit klachtonderdeel is dan ook ongegrond.
Geen ruimte voor verwerking emotie
De cliënt stelt dat de zorgaanbieder onvoldoende ruimte heeft geboden voor het verwerken van de emoties, die bij haar zijn ontstaan naar aanleiding van de beëindiging van de behandeling.
Uit de door de cliënt overgelegde gespreksaantekeningen blijkt dat de zorgaanbieder in twee gesprekken in oktober 2024 de emotionele uitingen van de cliënt heeft begrensd. Naar het oordeel van de commissie betreft dit een professionele afweging die de zorgaanbieder heeft gemaakt binnen de context van de behandelrelatie. Uit dezelfde gespreksaantekeningen volgt dat de zorgaanbieder hiermee heeft beoogd een ontstane impasse te doorbreken en de cliënt te ondersteunen bij het zetten van vervolgstappen richting passende vervolgzorg.
Gelet hierop kan het handelen van de zorgaanbieder niet worden aangemerkt als onzorgvuldig of onheus. Dit klachtonderdeel wordt dan ook ongegrond verklaard.
Onveiligheid door LinkedIn-post behandelaar
De cliënt klaagt over een bericht dat haar behandelaar in augustus 2024 op LinkedIn heeft geplaatst. Volgens de cliënt zijn in dit bericht weliswaar geen namen genoemd, maar zou de inhoud ervan desalniettemin te herleiden zijn tot de groepssessie waaraan zij deelnam.
De commissie volgt dit standpunt niet. In lijn met het oordeel van de interne klachtencommissie van de zorgaanbieder is de commissie van oordeel dat het betreffende bericht niet herleidbaar is tot de cliënt of tot andere deelnemers aan de groepstherapie. De aard en inhoud van het bericht hebben geen betrekking op individuele of inhoudelijke behandelproblematiek, maar zien op algemene uitdagingen binnen de geestelijke gezondheidszorg. De commissie ziet dan ook geen aanknopingspunten om aan te nemen dat de privacy van de cliënt is geschonden of dat de zorgaanbieder hierin onzorgvuldig heeft gehandeld.
Dit klachtonderdeel is dan ook ongegrond.
Onvoldoende begeleiding bij ADHD-medicatie
De cliënt stelt dat zij onvoldoende is begeleid bij het gebruik van ADHD-medicatie en dat de behandeling niet is aangepast nadat in januari 2024 bij haar de diagnose ADHD is gesteld.
De commissie stelt vast dat de diagnose ADHD aanvankelijk niet in het dossier van de cliënt was opgenomen. Naar het oordeel van de commissie is dit als onzorgvuldig aan te merken, hetgeen door de zorgaanbieder ook is erkend.
De commissie merkt daarbij op dat ADHD symptomatologisch overlap kan vertonen met (persoonlijkheids)stoornissen. Het enkele feit dat een cliënt met een ADHD-diagnose behandeling ontvangt binnen een kader dat primair is gericht op persoonlijkheidsproblematiek, is dan ook niet zonder meer onzorgvuldig. De commissie begrijpt de beleving van de cliënt dat zij zich niet herkende in de problematiek van haar groepsgenoten, maar dit gegeven leidt niet automatisch tot de conclusie dat sprake was van een niet-passende behandeling.
In een situatie als deze is van belang dat de medicamenteuze behandeling en de afstemming daarvan zorgvuldig plaatsvinden. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de zorgaanbieder uitgebreid aandacht heeft besteed aan uitleg over de ADHD-diagnose en de mogelijke vervolgstappen. Met de cliënt hebben meerdere gesprekken plaatsgevonden over medicatie en behandelopties, waarbij de zorgaanbieder de cliënt heeft begeleid bij het maken van keuzes. Zo volgt uit de gespreksaantekeningen van 29 april 2024 dat met de cliënt is gesproken over verschillende medicatievormen en de daarbij behorende bijwerkingen.
Dit klachtonderdeel is dan ook ten dele gegrond.
Geen gelegenheid tot afscheid groepstherapie
De cliënt stelt dat zij, naar aanleiding van door haar geuite kritiek op een LinkedIn-bericht van haar behandelaar, niet in de gelegenheid is gesteld om afscheid te nemen van de therapiegroep.
De zorgaanbieder heeft dit uitdrukkelijk weersproken en aangevoerd dat de cliënt wel degelijk de mogelijkheid heeft gekregen om afscheid te nemen, maar dat zij er zelf voor heeft gekozen daarvan geen gebruik te maken. De cliënt heeft haar stelling niet nader geconcretiseerd en evenmin met stukken onderbouwd.
Gelet op het voorgaande kan de commissie niet vaststellen dat de cliënt het afscheid van de therapiegroep is onthouden. Dit klachtonderdeel wordt dan ook ongegrond verklaard.
Ongegronde sociale uitsluiting na conflict
De cliënt verwijt de zorgaanbieder dat bij haar sprake is geweest van sociale uitsluiting na het conflict met de zorgaanbieder over de te volgen therapie. Volgens de cliënt kregen andere groepsleden een contactverbod met de cliënt, terwijl zij reeds gestopt was met de groepstherapie en het betreffende contact in privésetting plaatsvond.
Uit het door de cliënt overgelegde document kan de commissie niet afleiden waardoor de cliënt het gevoel heeft gekregen sociaal te worden uitgesloten. Integendeel, uit de overige overgelegde stukken blijkt dat de cliënt goed kon omgaan met de andere groepsleden en daar steun kon vinden. In de stukken is geen enkel aanknopingspunt te vinden voor de stelling dat de groepsleden een contactverbod zouden hebben opgelegd gekregen.
Dit klachtonderdeel is dan ook ongegrond.
Voortgezet overleg met de zorgaanbieder
De cliënt stelt dat zij na de gesprekken met de manager behandelzaken onvoldoende terugkoppeling heeft ontvangen en het gevoel heeft dat onvoldoende gevolg is gegeven aan haar klachten.
Blijkens de overgelegde stukken is de zorgaanbieder gedurende de gehele periode in contact gebleven met de cliënt, zowel na beëindiging van de groepstherapie als na de afronding van de klachtbehandeling door de interne klachtencommissie. De cliënt heeft meerdere gesprekken gevoerd met de manager behandelzaken, waarin de voortgang en afhandeling van haar klachten zijn besproken. De zorgaanbieder heeft erkend dat uit deze gesprekken concrete punten zijn opgevolgd, maar dat partijen op enkele punten geen overeenstemming konden bereiken. In dat kader heeft de zorgaanbieder de cliënt verwezen naar de commissie.
Gelet op het voorgaande kan de commissie niet vaststellen dat de zorgaanbieder onvoldoende opvolging heeft gegeven aan de klachten van de cliënt.
Dit klachtonderdeel is dan ook ongegrond.
Schadevergoeding en klachtengeld
De cliënt heeft een vordering tot schadevergoeding van € 20.000,- ingediend vanwege gederfde inkomsten, kosten voor noodzakelijke vervolgzorg en immateriële schade.
Voor aanspraak op een schadevergoeding is ten minste vereist dat de zorgaanbieder in enig opzicht
toerekenbaar tekort is geschoten en daarnaast dat er een causaal verband kan worden gelegd tussen de behandeling door de zorgaanbieder en de schade die door de cliënt is gevorderd. De commissie is van oordeel dat dit causaal verband ontbreekt. De gegronde klachten, namelijk het ontbreken van de SCID-vragenlijst en de ADHD-diagnose in het dossier van de cliënt, staan onvoldoende in verband met de door de cliënt gevorderde schade.
De vordering tot schadevergoeding dient dan ook te worden afgewezen.
Omdat de klacht gedeeltelijk gegrond is, zal de commissie wel bepalen dat de zorgaanbieder het klachtengeld aan de cliënt dient te vergoeden.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
– verklaart de cliënt ontvankelijk in haar klachten;
– verklaart de klachten ten aanzien van de diagnosestelling en het ontbreken van de ADHD-diagnose in het dossier gegrond;
– verklaart de overige klachten ongegrond;
– wijst de vordering tot schadevergoeding af;
– bepaalt dat de zorgaanbieder het door de cliënt betaalde klachtengeld van € 52,50 aan de cliënt dient te vergoeden binnen 14 dagen na verzending van dit bindend advies.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg, bestaande uit de heer
mr. H.A. van Gameren, voorzitter, de heer drs. T. Knap, mevrouw H.E.L. Loeffen, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. S.M.E. Balfoort, secretaris, op 11 december 2025.