Cliënt vormt gevaar voor medewerkers; getroffen maatregelen terecht

De Geschillencommissie Zorg
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Verpleging Verzorging en Geboortezorg    Categorie: zorgverlening/ bejegening    Jaartal: 2023
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 203725/231721

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Dit geschil vloeit voort uit een behandelingsovereenkomst tussen cliënt en zorgaanbieder. Cliënt verbleef bij zorgaanbieder, voordat hij door zorgaanbieder werd overgeplaatst naar een andere zorginstelling. Cliënt verwijt zorgaanbieder ten onrechte dwangmaatregelen te hebben toegepast. De commissie oordeelt dat zorgaanbieder de getroffen maatregelen terecht heeft genomen. Dat cliënt zich beperkt voelt in zijn vrijheid neemt niet weg dat de maatregelen terecht zijn toegepast. De getroffen maatregelen zijn genomen, omdat cliënt de leefregels op de locatie vaak ernstig overtrad en een gevaar voor de medewerkers vormde. De klacht wordt ongegrond verklaard.

De uitspraak

In het geschil tussen

de heer [naam], wonende te [plaatsnaam] (hierna te noemen: de cliënt)

en

Stichting Laurens, gevestigd te Rotterdam
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Verpleging Verzorging en Geboortezorg (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

De behandeling is aangevangen op 6 oktober 2023 te Utrecht. De voorzitter heeft partijen toen voorgehouden dat niet de commissie het geschil dient te behandelen doch de Klachtencommissie Onvrijwillige Zorg (KCOZ), aangezien de Wet Zorg en Dwang (WZD) op de zorgverlening voor de cliënt van toepassing is. De voorzitter heeft partijen (terug)verwezen naar het KCOZ, maar hen de mogelijkheid geboden terug te keren bij de commissie in geval KCOZ de klacht van de cliënt alsnog niet zou willen behandelen. De KCOZ heeft de cliënt (weer) naar de commissie verwezen, omdat naar haar mening de zorg voor de cliënt niet onder het toepassingsbereik van de WZD valt.

De (voortgezette) inhoudelijke behandeling heeft plaatsgevonden op 20 december 2023 te Utrecht.
Partijen zijn ter zitting verschenen en hebben hun standpunt toegelicht.
De cliënt werd ter zitting bijgestaan door mevrouw [naam], cliëntvertrouwenspersoon WZD, en mevrouw [naam].
Ter zitting werd de zorgaanbieder vertegenwoordigd door mevrouw [naam], locatiemanager, mevrouw [naam], teamleider, en mevrouw [naam], ergotherapeut.

Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft de kwaliteit van de zorg die de zorgaanbieder aan de cliënt heeft geleverd. De cliënt verwijt de zorgaanbieder dat ten onrechte dwangmaatregelen zijn toegepast, dat zijn elektrische rolstoel is afgenomen waardoor hij ernstig in zijn bewegingsvrijheid beperkt werd en hem geen inzage is verstrekt in zijn dossier.

Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De cliënt heeft van 2019 tot 2022 op de locatie Aesopus van de zorgaanbieder gewoond. De cliënt heeft hersenletsel ten gevolge van een hersenbloeding. De cliënt is gedeeltelijk verlamd en gebruikt een elektrische rolstoel. De cliënt heeft ondersteuning nodig bij zijn dagelijkse verzorging en heeft begeleiding nodig bij het organiseren van zijn financiën. De cliënt heeft een WLZ (Wet Langdurige Zorg) indicatie. De cliënt had voor Aesopus gekozen, omdat hij regelmatig softdrugs gebruikt en het gebruik daarvan bij Aesopus werd toegestaan. Daarbij was het niet alleen een verpleeghuis voor ouderen, maar ook voor leeftijdgenoten van de cliënt. De cliënt vond in Aesopus een groep gelijkgestemden en had het daar naar zijn zin.
Toen het management veranderde, werd dit anders; op het terrein van Aesopus mocht opeens niet meer geblowd of gedronken worden en de bejegening werd onprettig. Ook was de cliënt niet meer tevreden over de geboden hulpverlening.
Zo was er sprake van het ‘bestraffen’ van incidenten met een gedwongen verhuizing naar een ander verpleeghuis waarbij de cliënt bij terugkomst naar een andere afdeling was verplaatst. De cliënt is een keer door meerdere medewerkers naar zijn kamer gebracht en op zijn bed geplaatst, waarna zijn bedhekken omhoog werden gedaan waardoor de cliënt werd opgesloten. Hij werd verplicht tot het dragen van incontinentiemateriaal, zijn elektrische rolstoel werd hem afgenomen en hij kreeg geen toegang tot zijn eigen dossier en rapportages.
Sinds juli 2022 verblijft de cliënt in een instelling van een andere zorgaanbieder waar hij het erg naar zijn zin heeft. De cliënt wordt door de zorgaanbieder echter niet meer toegelaten tot het terrein van Aesopus en kan zijn oude vrienden daar niet meer bezoeken. De jarenlange drang en dwang bij de zorgaanbieder zijn de cliënt niet in de koude kleren gaan zitten. De cliënt heeft meerdere gesprekken gevoerd met de zorgaanbieder in het bijzijn van zijn vertrouwenspersoon, welke gesprekken echter niet tot een bevredigend resultaat hebben geleid. De cliënt heeft zijn klachten voorgelegd aan de KCOZ, die heeft gesteld dat de cliënt niet tot de WZD doelgroep behoort. De cliënt verlangt dan ook een oordeel van de commissie over het laakbaar handelen van de zorgaanbieder. De vertrouwenspersoon van de cliënt vraagt daarbij om een uitspraak voor de doelgroep waartoe de cliënt behoort; doordat de KCOZ te kennen heeft gegeven dat de zorg voor de cliënt niet onder de WZD valt, is de doelgroep nu ‘vogelvrij’.

De cliënt verlangt een immateriële schadevergoeding (smartengeld) van € 25.000,– voor het leed dat hem door de zorgaanbieder is aangedaan en een excuusbrief.

Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De cliënt heeft van 22 juli 2019 tot 14 juli 2022 op de locatie Aesopus van de zorgaanbieder gewoond. De cliënt verbleef daar vrijwillig. De klachten die de cliënt beschrijft, komen voort uit incidenten na verbale en fysieke agressie richting medewerkers en bewoners van Aesopus.

Onder invloed van alcohol en softdrugs zijn er vele ernstige incidenten geweest. Medewerkers durfden niet meer te werken op de afdeling van de cliënt; het ziekteverzuim was hoog. De cliënt gebruikte zijn elektrische rolstoel als wapen en reed met 30 km per uur in op medewerkers. Ook sloeg hij met stokken. De zorgaanbieder is genoodzaakt geweest aangifte te doen van de agressie incidenten. Na het vertrek van de cliënt hielden de incidenten niet op, om welke reden de cliënt een locatieverbod is opgelegd.
De cliënt is een communicatieve, verbaalbegaafde man met een hoge gunfactor. Steeds is getracht in overleg met hem te blijven en steeds werden maatregelen in overleg met de cliënt genomen. De gedragingen van de cliënt werden echter steeds extremer en de situatie werd onhoudbaar; de cliënt vormde een gevaar voor anderen en zichzelf. De gedragingen van de cliënt hebben geleid tot fysieke en psychische schade bij medewerkers. Eigenlijk zou de zorgaanbieder schadevergoeding van de cliënt moeten vragen, maar zover wil de zorgaanbieder niet gaan. De zorgaanbieder heeft als doel en streven optimale zorg voor zijn cliënten te leveren. Indien iemand niet tevreden is over die zorg, kan iemand een andere woonomgeving zoeken; de zorg vindt plaats in het vrijwillig kader.
De rapportages van de incidenten veroorzaakt door de cliënt beslaan inmiddels 72 pagina’s; er werd uiteindelijk dagelijks gerapporteerd.

Ten aanzien van de door de cliënt gemelde klachtonderdelen merkt de zorgaanbieder het volgende op.

-De elektrische rolstoel waar de cliënt gebruik van maakte, was niet zijn eigendom, maar had hij in bruikleen. De zorgaanbieder was genoodzaakt de rolstoel in te nemen om de veiligheid van andere bewoners en medewerkers te waarborgen. De cliënt werd een trippelstoel met elektrische wielen ter vervanging verstrekt. De cliënt heeft dan ook zijn mobiliteit behouden;
-Ook heeft de zorgaanbieder de cliënt moeten verplaatsten naar een andere afdeling om de veiligheid voor andere bewoners te kunnen garanderen;
-Voordat de cliënt bij de zorgaanbieder verbleef, gebruikte hij al incontinentiemateriaal; in overleg met de cliënt is het beleid wat dit betreft aangepast;
-De cliënt had via het cliëntportaal toegang tot zijn dossier en rapportages. De cliënt raakte echter met regelmaat de inloggegevens kwijt die vervolgens voor hem op papier werden genoteerd.

De zorgaanbieder heeft redelijkerwijs alle inspanningen geleverd die van hem verwacht mogen worden om de cliënt de zorg en hulp te verlenen die bij hem past. De veiligheid van de cliënt en zijn omgeving heeft de zorgaanbieder echter genoodzaakt tot het nemen van maatregelen.

Beoordeling van het geschil
Wettelijk kader en beoordelingskader
De voorzitter heeft partijen bij aanvang van de zitting voorgehouden dat het wettelijk kader waarbinnen de commissie de klachten kan beoordelen, beperkt is tot de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (de Wkkgz). De commissie is niet bevoegd te oordelen over klachten die zien op de Wet zorg en dwang.
De commissie kan daarbij geen uitspraken doen over of voor een “doelgroep” waartoe de cliënt behoort, zoals verzocht door zijn vertrouwenspersoon. Het beoordelingskader van de commissie beperkt zich tot individuele gevallen en klachten.

Inhoudelijke beoordeling
Samengevat heeft de cliënt drie klachten aan de commissie voorgelegd:
1. De zorgaanbieder heeft ten onrechte dwangmaatregelen toegepast;
2. De zorgaanbieder heeft de elektrische rolstoel van de cliënt ten onrechte ingenomen;
3. De cliënt had geen inzage in zijn dossier en rapportages.

 1. Toepassen dwangmaatregelen.
De cliënt heeft erkend dat er meerdere incidenten hebben plaatsgevonden gedurende zijn verblijf op de locatie van de zorgaanbieder. De cliënt stelt zich op het standpunt dat de zorgaanbieder te verstrekkende maatregelen, zoals een overplaatsing naar een andere afdeling, heeft genomen om zijn gedrag ‘te bestraffen’ zo begrijpt de commissie.
Van enige disproportionaliteit in maatregelen is de commissie echter niet gebleken. Uit de stukken en hetgeen de zorgaanbieder ter zitting heeft toegelicht, is voor de commissie vast komen te staan dat de cliënt de leefregels op de locatie van de zorgaanbieder met regelmaat en op ernstige wijze heeft overtreden waarbij een gevaar voor de medewerkers, medebewoners maar ook voor de cliënt zelf is ontstaan. De cliënt heeft de incidenten niet ontkend of weersproken, maar lijkt de ernst daarvan niet in te zien. De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder, gelet op de omstandigheden, op juiste gronden maatregelen heeft genomen om de veiligheid op de locatie te waarborgen. De commissie acht dit klachtonderdeel dan ook ongegrond.

2. Afnemen elektrische rolstoel
De rolstoel waar de cliënt gebruik van maakte op de locatie van de zorgaanbieder, was de cliënt in bruikleen verstrekt. Evenals hiervoor is overwogen ten aanzien van de dwangmaatregelen, is de commissie ook wat dit betreft van oordeel dat de zorgaanbieder op juiste gronden de rolstoel heeft afgenomen nadat de cliënt deze op meerdere momenten “als wapen” had gebruikt zoals de zorgaanbieder heeft toegelicht. De cliënt heeft deze incidenten evenmin ontkend of weersproken. De commissie kan zich voorstellen dat deze maatregel de cliënt een gevoel van beperking van zijn vrijheid heeft gegeven, maar de door de cliënt zelf veroorzaakte omstandigheden noopten daartoe. Daarbij heeft de zorgaanbieder gezorgd voor een trippelstoel waarmee de cliënt zich nog steeds kon voortbewegen. Dit klachtonderdeel is tevens ongegrond.

3. Geen inzage in dossier of rapportages
Ter zitting is gebleken dat de cliënt (uiteindelijk) zijn dossier en rapportages heeft ingezien. De zorgaanbieder heeft gemotiveerd toegelicht dat de cliënt permanent toegang had tot zijn dossier via het cliëntenportaal en hem bij verlies van inlogcodes die opnieuw werden aangereikt. De cliënt heeft dit niet weersproken, zodat ook dit klachtonderdeel ongegrond wordt verklaard.

Omdat de commissie van oordeel is dat de klachten van de cliënt ongegrond zijn, komt zij aan een beoordeling van het verzoek tot het toekennen van schadevergoeding niet toe.

Derhalve wordt als volgt beslist

Beslissing
De commissie verklaart de klachten van de cliënt ongegrond, zodat het door de cliënt verlangde wordt afgewezen.

Overeenkomstig het regelement van de commissie is de zorgaanbieder aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Verpleging Verzorging en Geboortezorg, bestaande uit de heer mr. H.A. van Gameren, voorzitter, mevrouw mr. M.B. van Leusden-Donker en de heer mr. P.C. de Klerk, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. J.C. Quint, secretaris, op 20 december 2023.