Cliënt krijgt ongelijk in geschil over uitschrijfbrief en facturering door GGZ-aanbieder

De Geschillencommissie Zorg




Commissie: Geestelijke Gezondheidszorg    Categorie: -    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend advies na tussenadvies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 228327/248137

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Een cliënt diende een klacht in bij de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg over de manier waarop zijn behandeling in 2021 was beëindigd en de facturering daarvan. Slechts twee van de acht klachtonderdelen werden inhoudelijk beoordeeld, namelijk het ontbreken van een uitschrijfbrief aan zijn huisarts (klachtonderdeel 7) en onjuiste facturatie (klachtonderdeel 8). De cliënt stelde dat zijn huisarts geen uitschrijfbrief had ontvangen, maar kon dit niet onderbouwen. De zorgaanbieder toonde aan dat de brief wel was verzonden en ook in het dossier aanwezig is. Ook de kritiek van de cliënt op de inhoud van de brief werd door de commissie afgewezen, omdat die onder de professionele verantwoordelijkheid van de behandelaar valt. Wat betreft de facturering stelde de cliënt dat er ten onrechte €1.749,83 was gedeclareerd en dat hij in 2022 onterecht €327,02 aan indirecte tijd was gefactureerd. De commissie oordeelde dat de declaraties in lijn waren met de richtlijnen van de NZa en gebaseerd waren op de wettelijk toegestane DBC-systematiek. Er bleek geen fout of misstand. De factuur uit 2022 werd door de zorgaanbieder bovendien al uit coulance gecrediteerd. De klachten werden dan ook ongegrond verklaard en de verzoeken van de cliënt afgewezen. Een schadevergoeding werd niet toegekend.

De uitspraak

Behandeling van het geschil

Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

De commissie verwijst voor het verloop van de procedure naar haar voorbeslissing van 17 september 2024, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.
Bij deze beslissing heeft de commissie de cliënt ontvankelijk verklaard in onderdeel 7. en 8. van zijn klacht. In de klachtonderdelen 1. tot en met 6. is de cliënt niet ontvankelijk verklaard.

De inhoudelijke behandeling heeft plaatsgevonden op 8 januari 2025 te Den Haag. Partijen zijn ter zitting verschenen en hebben hun standpunt nader toegelicht. De cliënt werd daarbij vergezeld door de heer [naam]. De zorgaanbieder werd vertegenwoordigd door de heer [naam], directeur specialistische GGZ en bijgestaan door mevrouw [naam], gemachtigde.

Aan de stukken is de volledige tekst van de drie pleidooien die de cliënt ter zitting van 8 januari 2025 heeft gevoerd toegevoegd.

De cliënt heeft op 14 januari 2025 een verzoek tot wraking van de voorzitter van de commissie ingediend. Bij beslissing van 12 februari 2025 heeft de wrakingscommissie het wrakingsverzoek afgewezen. De commissie zal dan ook overgaan tot het inhoudelijk beoordelen van de klachtonderdelen 7. en 8. van de cliënt.

Onderwerp van het geschil

De cliënt is in 2021 in behandeling geweest bij de zorgaanbieder. De cliënt is het niet eens met de wijze waarop hij door de zorgaanbieder is behandeld.
De cliënt is het voorts niet eens met de wijze waarop hij door de zorgaanbieder is uitgeschreven en zijn huisarts is geïnformeerd (klachtonderdeel 7.). Voorts verwijt de cliënt de zorgaanbieder dat aan hem ten onrechte kosten in rekening zijn gebracht (klachtonderdeel 8.).

Standpunt van de cliënt

Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De cliënt is het er niet mee eens dat de klachtonderdelen 1. tot en met 6. die zien op zijn behandeling en de interne klachtafhandeling van de zorgaanbieder niet meer inhoudelijk zullen worden beoordeeld. De cliënt stelt zich op het standpunt dat een goede beoordeling van de klachtonderdelen 7. en 8. slechts in samenhang met de klachtonderdelen 1. tot en met 6. mogelijk is.

De kern van klachtonderdeel 7. ‘brief aan huisarts’ betreft het volgende.
De behandeling van de cliënt verliep in 2021 onzorgvuldig en niet naar wens en is dan ook niet voortgezet.
De huisarts van de cliënt is hier echter niet over geïnformeerd. De zorgaanbieder heeft gesteld dat op 29 april 2022 een uitschrijfbrief aan de huisarts is gezonden maar de huisarts heeft aan de cliënt laten weten dat hij die brief niet heeft ontvangen. De cliënt heeft op of na 29 april 2022 ook geen bericht ontvangen van zijn huisarts over de brief. De cliënt verwijt de zorgaanbieder dan ook dat geen uitschrijfbrief aan zijn huisarts is gezonden. Daarbij is de cliënt het niet eens met de inhoud van de brief van 29 april 2022.

Klachtonderdeel 8. ‘facturen’
De cliënt verwijt de zorgaanbieder dat verrichtingen die in de declaraties van de zorgaanbieder aan zijn zorgverzekeraar (DSW) zijn opgenomen niet hebben plaatsgevonden of van kortere duur zijn geweest dan door de zorgaanbieder is genoteerd. Ondanks herhaalde verzoeken heeft de zorgaanbieder hier geen, althans onvoldoende verantwoording en toelichting over gegeven.
Door de zorgaanbieder is over 2021 in totaal € 4.893,05 gedeclareerd. Op grond van de berekening van de cliënt is daarvan € 1.749,83 ten onrechte bij zijn verzekeraar in rekening gebracht zodat de zorgaanbieder dat bedrag dient te crediteren.
Daarnaast is door de zorgaanbieder op 22 november 2022 een bedrag van € 327,02 bij de zorgverzekeraar van de cliënt in rekening gebracht hoewel de cliënt in 2022 geen enkele zorgbehandeling meer heeft genoten. Ook dat bedrag dient te worden gecrediteerd.

Naast een erkenning van zijn klachten en het crediteren van de hierboven omschreven nota’s verzoekt de cliënt de commissie hem een schadevergoeding toe te kennen voor de kosten die hij heeft moeten maken om het geschil in te dienen (klachtengeld en kantoorkosten) van € 708,15.

Standpunt van de zorgaanbieder

Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

7. Brief aan huisarts
De cliënt meent dat zijn huisarts de uitschrijfbrief van 29 april 2022 niet zou hebben ontvangen.
Op 31 maart 2022 heeft de zorgaanbieder de huisartsenpraktijk van de cliënt geïnformeerd dat hij de cliënt zou gaan uitschrijven; dit was eerder al met de huisarts besproken. Op 29 april 2022 heeft de administratie van de zorgaanbieder de uitschrijfbrief aan de huisarts gestuurd. Die brief is in het dossier van de cliënt aanwezig.
Op 29 september 2022 heeft de zorgaanbieder een brief ontvangen van de cliënt waarin wordt gesteld dat de huisarts geen brief zou hebben ontvangen. Op 10 oktober 2022 heeft de zorgaanbieder contact opgenomen met de huisarts om te informeren of de uitschrijfbrief in goede orde was aangekomen. De huisarts heeft de zorgaanbieder laten weten dat hij hierover op verzoek van de cliënt niets mocht zeggen. Dat de huisarts de brief niet zou hebben ontvangen is de zorgaanbieder dan ook niet gebleken. Hoe dan ook was de huisarts op de hoogte van het einde van de behandeling van de cliënt en zijn uitschrijving. Het is de zorgaanbieder dan ook niet duidelijk welk belang de cliënt bij de klacht heeft.

8. Facturatie
De zorgaanbieder heeft gedeclareerd conform de daarvoor geldende regels en richtlijnen. Daarbij wordt niet alleen directe behandeltijd in rekening gebracht maar ook indirecte tijd waarbij de cliënt niet aanwezig is. De rekeningen zijn door de zorgverzekeraar van de cliënt vergoed.
Over het jaar 2022 is nog een declaratie verstuurd van € 327,02 Hier betrof het eveneens indirecte tijd. Hoewel ook die declaratie conform de geldende richtlijnen is opgesteld heeft de zorgaanbieder die declaratie onverplicht en uit coulance gecrediteerd.

Beoordeling van het geschil

Vooraf merkt de commissie op dat de beoordeling van het geschil zich zal beperken tot de klachtonderdelen 7. en 8.. Ten aanzien van het standpunt van de cliënt dat de klachtonderdelen 7. en 8. slechts beoordeeld kunnen worden in samenhang met de klachtonderdelen 1. tot en met 6. overweegt de commissie dat de procedure van de commissie daaraan in de weg staat. De procedure van de commissie kent geen hoger beroep. De cliënt is niet ontvankelijk verklaard in de klachtonderdelen 1. tot en met 6. De beslissing van 17 september 2024 is dan ook onherroepelijk en een inhoudelijke beoordeling van de klachtonderdelen 1. tot en met 6. kan niet meer volgen.

Ten aanzien van de klachtonderdelen 7. en 8. heeft de commissie het volgende overwogen.

7. Brief aan huisarts
De cliënt verwijt de zorgaanbieder dat de uitschrijfbrief van 29 april 2022 niet aan de huisarts is gestuurd. De zorgaanbieder heeft aangevoerd dat de brief wel is verstuurd en heeft daarvan een kopie overgelegd en deze is aan het dossier gevoegd. De cliënt heeft naar voren gebracht dat zijn huisarts hem heeft laten weten dat geen uitschrijfbrief is ontvangen. De cliënt heeft dat echter niet aangetoond. In het dossier bevindt zich geen brief van de huisarts waarin het ontbreken van de uitschrijfbrief wordt bevestigd. Nu de mededeling van de cliënt door de zorgaanbieder gemotiveerd is weersproken gaat de commissie ervan uit dat de zorgaanbieder de huisarts niet alleen mondeling maar ook schriftelijk door middel van de uitschrijfbrief op de hoogte heeft gebracht van het einde van de behandeling en de uitschrijving van de cliënt.
De cliënt heeft nog naar voren gebracht dat hij het niet eens is met de inhoud van de brief van de zorgaanbieder van 29 april 2022. Wat dat betreft merkt de commissie in zijn algemeenheid op dat een cliënt en behandelaar van mening kunnen verschillen over een diagnose, een behandeling en het einde daarvan. Indien een cliënt het niet eens is met hetgeen een behandelaar daarover aan de huisarts heeft gerapporteerd wil dat niet zeggen dat de behandelaar een fout heeft gemaakt. De behandelaar licht de huisarts in over zijn/haar bevindingen op basis van zijn behandeling, visie en expertise. Voor zover een cliënt zich daarin niet kan vinden staat het hem vrij om een toelichting met zijn eigen zienswijze en eventuele correcties en wijzigingen aan de rapportage/brief te hechten. Dit geldt in dit geval eveneens voor de cliënt.

8. Facturen
De cliënt verwijt de zorgaanbieder dat op onjuiste wijze is gedeclareerd waarmee aan de zorgverzekeraar van de cliënt ten onrechte een bedrag van € 1.749,83 in rekening is gebracht.
De commissie stelt vast dat de zorgaanbieder heeft gedeclareerd conform de geldende normen en richtlijnen van de NZa (de Nederlandse Zorgautoriteit). Deze normen en richtlijnen zijn gestoeld op de Diagnose-Behandel-Combinatie (DBC)-systematiek die gebaseerd is op het Nederlandse zorgsysteem en buiten de invloedsfeer van de zorgaanbieder ligt. Op grond van die systematiek wordt niet alleen “directe tijd” (contact met de patiënt) in rekening gebracht, maar ook “indirecte tijd” (tijd niet in het bijzijn van de patiënt, bijvoorbeeld voor overleg over de patiënt). De commissie is niet gebleken dat de zorgaanbieder hierbij een fout heeft gemaakt en de declaraties zijn dan ook volledig voldaan door DSW, de zorgverzekeraar van de cliënt.
De zorgaanbieder heeft in 2022 een declaratie gestuurd van € 327,02. De commissie is hierbij evenmin gebleken van een fout. De declaratie is door de zorgaanbieder aan de cliënt gecrediteerd waarmee wat dit betreft geen geschil meer tussen partijen bestaat.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht van de cliënt in beide onderdelen ongegrond is. De commissie komt daarmee niet toe aan een beoordeling van de schadevergoeding die de cliënt heeft gevorderd.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie:
– verklaart de klachten van de cliënt ongegrond;
– wijst het door de cliënt verzochte af.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, de heer drs. D.J.L. Jonker en mevrouw E.M. van den Berg, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. J.C. Quint, secretaris, op 8 januari 2025.