Commissie: Zorg Algemeen
Categorie: -
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: bindend advies
Uitkomst: onbevoegd
Referentiecode:
582231/729576
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De cliënte heeft een klacht ingediend tegen een zorgaanbieder die huishoudelijke ondersteuning levert op basis van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). De klacht betreft het niet uitvoeren van een gemeentelijke beslissing om het aantal uren huishoudelijke hulp uit te breiden van 90 minuten naar 5 uur per week. De zorgaanbieder stelt dat personele onderbezetting de reden is dat deze uitbreiding niet kan worden uitgevoerd. De zaak werd op 7 maart 2025 behandeld door de Geschillencommissie Zorg Algemeen. De commissie moest eerst beoordelen of zij bevoegd was het geschil inhoudelijk te behandelen. Op basis van de Wkkgz mogen alleen geschillen over Wlz-zorg, Zvw-zorg of andere vormen van individuele gezondheidszorg worden behandeld. De Wmo valt daar niet onder, omdat de verantwoordelijkheid voor klachtenafhandeling bij Wmo-voorzieningen bij gemeenten en aanbieders zelf ligt. De commissie concludeerde daarom dat zij niet bevoegd is uitspraak te doen over dit geschil. Klachten over huishoudelijke ondersteuning via de Wmo moeten worden behandeld via de daarvoor bedoelde gemeentelijke of interne klachtenregelingen. De klacht van cliënte werd dan ook niet-ontvankelijk verklaard. Er is dus geen inhoudelijk oordeel over het geschil gegeven.
De uitspraak
Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Zorg Algemeen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.
De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.
De behandeling heeft plaatsgevonden op 7 maart 2025 te Utrecht.
Beide partijen hebben ter zitting hun standpunten nader toegelicht.
Cliënte heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, de heer [naam], die via een ZOOM verbinding de zitting heeft bijgewoond.
De zorgaanbieder werd ter zitting vertegenwoordigd door mevrouw [naam], juriste [naam zorgaanbieder] en mevrouw [naam], regiocoördinator [naam zorgaanbieder].
Samenvatting
De commissie is niet bevoegd geschillen te behandelen over dienstverlening op basis van de Wmo. De wetgever heeft gemeenten de bevoegdheid gegeven om vast te stellen voor welke voorzieningen de verplichting van een klachtenregeling geldt (artikel 2.1.3 lid 2 sub d Wmo 2015). Voor de inrichting van een dergelijke klachtenregeling zijn de aanbieders van Wmo-voorzieningen zelf verantwoordelijk (artikel 3.2 lid 1 sub a Wmo 2015) en vallen klachten op basis van de Wmo daarom buiten het bestek van de Wkkgz.
Onderwerp van het geschil.
De cliënte klaagt dat de zorgaanbieder ten onrechte geen uitvoering heeft gegeven aan de beslissing van de gemeente met betrekking tot de uitbreiding van het aantal uren ondersteuning in de huishouding bij cliënte.
Beoordeling
De commissie heeft het volgende vastgesteld.
Cliënte ontvangt vanaf 16 oktober 2023 huishoudelijke ondersteuning in natura van de zorgaanbieder, die wordt gefinancierd door de gemeente op basis van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Aanvankelijk werd door de zorgaanbieder 90 minuten ondersteuning per week gegeven. Inmiddels heeft de gemeente een indicatie van 5 uren ondersteuning per week afgegeven. Cliënte klaagt dat de zorgaanbieder ten onrechte geen uitvoering heeft gegeven aan deze beslissing van de gemeente. De zorgaanbieder stelt niet in staat te zijn deze zorg te leveren vanwege personele onderbezetting.
Voordat de commissie een oordeel kan geven over het geschil dient te worden beoordeeld of zij op grond van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) bevoegd is dit geschil te behandelen.
Uit artikel 19 lid 1 van de Wkkgz volgt dat de commissie tot taak heeft geschillen over gedragingen van een zorgaanbieder jegens een cliënt in het kader van de zorgverlening te beslechten.
Zorg is in de Wkkgz gedefinieerd als Wlz-zorg, Zvw-zorg en andere zorg. Onder “andere zorg” vallen handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg zoals beschreven in artikel 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) en handelingen met een ander doel dan het bevorderen of bewaken van de gezondheid van de cliënt. Met het laatste wordt onder meer gedoeld op alternatieve en cosmetische zorg.
In het onderhavige geschil gaat het om de vraag of de zorgaanbieder ten onrechte geen uitvoering heeft gegeven aan de uitbreiding van uren ter ondersteuning in de huishouding bij cliënte, die is verleend op basis van de Wmo.
De commissie is niet bevoegd geschillen te behandelen over dienstverlening op basis van de Wmo. De wetgever heeft gemeenten de bevoegdheid gegeven om vast te stellen voor welke voorzieningen de verplichting van een klachtenregeling geldt (artikel 2.1.3 lid 2 sub d Wmo 2015). Voor de inrichting van een dergelijke klachtenregeling zijn de aanbieders van Wmo-voorzieningen zelf verantwoordelijk (artikel 3.2 lid 1 sub a Wmo 2015) en vallen klachten op basis van de Wmo daarom buiten het bestek van de Wkkgz.
Nu over het niet gevolg geven aan de indicatie van de gemeente voor ondersteuning in de huishouding, vastgesteld op basis van de Wmo, wordt geklaagd, moet deze klacht worden behandeld in het kader van de Wmo en is de commissie niet bevoegd.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie is niet bevoegd een oordeel over dit geschil te geven.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Zorg Algemeen, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, de heer R. Simons, de heer J. Zomerplaag, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. W. Hartong van Ark, secretaris, op 7 maart 2025.