Beoordeling van hygiëne, medische overdracht en ontslagbeleid bij oncologische ziekenhuisopname

  • Home >>
  • Ziekenhuizen >>
De Geschillencommissie Zorg




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: -    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 708654/882399

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De klager verwijt het UMC Utrecht onzorgvuldig handelen tijdens de opname van zijn echtgenote op de verpleegafdeling hematologie. Volgens klager zijn hygiënemaatregelen niet goed nageleefd, is de behandelend hematoloog niet bij de cliënt geweest, en is zij ten onrechte ontslagen ondanks een aanwezige bacteriële infectie. De zorgaanbieder stelt dat de hygiëne conform landelijke richtlijnen is gehandhaafd en dat de E. coli-bacterie reeds bij opname in de darmen aanwezig was. Isolatieverpleging was medisch niet geïndiceerd. Ten aanzien van het artsenbeleid wijst de zorgaanbieder op de geldende werkwijze waarbij de hoofdbehandelaar op de polikliniek geen rol heeft tijdens de klinische opname. De commissie oordeelt dat het handelen van het ziekenhuis in overeenstemming was met professionele standaarden. Wel constateert zij dat de communicatie over de overdracht van het hoofdbehandelaarschap verbeterd had moeten worden, maar dit leidt niet tot een gegrondverklaring van de klacht. Het ontslag van de cliënt op 8 april 2024 wordt als medisch verantwoord beoordeeld, gezien haar stabiele toestand op dat moment. De nadien opgetreden sepsis en het overlijden op 23 april 2024 zijn volgens de commissie niet het gevolg van verwijtbaar handelen van de zorgaanbieder. Nu geen sprake is van een tekortkoming in de zorg, wordt de schadevordering van € 25.000 afgewezen. Alle klachtonderdelen worden ongegrond verklaard.

De uitspraak

in het geschil tussen

de heer [naam], wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de klager)

en

Universitair Medisch Centrum Utrecht, gevestigd te Utrecht
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil

Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 23 april 2025 te Utrecht.

De klager is samen met zijn dochter, mevrouw [naam], ter zitting verschenen. Namens de zorgaanbieder waren ter zitting aanwezig: mevrouw [naam] (jurist), mevrouw [naam] (physician assistant), mevrouw [naam] (hematoloog) en mevrouw [naam] (senior unithoofd).

Onderwerp van het geschil

De klager heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder.

Het geschil betreft de vraag of de zorgaanbieder zorgvuldig heeft gehandeld in de verzorging van de cliënt (met inachtneming van de hygiënemaatregelen) en of de cliënt ondanks de bacteriële infectie ontslagen mocht worden. Ook betreft het geschil de rol van de hematoloog.

Standpunt van de klager

Voor het standpunt van de klager verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dat op het volgende neer.

Tijdens het verblijf van de cliënt (echtgenoot van de klager) op de verpleegafdeling hematologie is zij niet goed verzorgd en zijn de hygiënemaatregelen onvoldoende in acht genomen. Zo droegen verpleegkundigen geen handschoenen en geen mondkapjes, of op incorrecte wijze. De drie patiënten op dezelfde kamer maakten allemaal gebruik van dezelfde sanitaire voorzieningen, terwijl de cliënt een zware kuur onderging en zeer verzwakt was.

Ook namen de behandelend internist-hematoloog en de verpleegkundigen hun werk niet serieus. Tijdens de opname is de internist-hematoloog niet zelf langsgekomen om de cliënt te onderzoeken. Ook zijn drie verschillende bacteriën genoemd waarvan de cliënt ziek zou zijn geworden. Zo was sprake van een vermoeden van een infectie met de E. coli bacterie, maar is zij desondanks ontslagen uit het ziekenhuis. Enkele dagen later is de cliënt vanwege een verslechtering van haar situatie opgenomen op de Intensive Care en is zij aldaar overleden.

De klager vordert een schadevergoeding van € 25.000, – ter compensatie van de materiële en immateriële schade.

Standpunt van de zorgaanbieder

Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dat op het volgende neer.

De cliënt is van 3 tot 8 april 2024 opgenomen op de verpleegafdeling hematologie en onderging in die periode chemotherapie ter behandeling van het folliculair lymfoom. Conform de standaardprocedure is patiënte bij aanvang van de opname getest op bacteriën via een inventarisatiekweek. Op zondag 7 april 2024 werd bekend dat patiënte bij aanvang van de opname een E. coli bacterie in haar darmen bij zich droeg. Op 11 april 2024 is de cliënt in verband met koorts, pijn, diarree en een distributieve shock bij neutropene sepsis opgenomen op de Intensive Care. De cliënt is op 23 april 2024 in bijzijn van haar familie op de IC overleden.

Verzorging en hygiëne verpleegafdeling
Er is niet gebleken dat de cliënt tijdens de opname, door bijvoorbeeld slechte hygiëne of het delen van een kamer en sanitaire voorzieningen met andere patiënten, besmet is geraakt met deze of andere bacteriën. Ze droeg de bacterie immers al bij zich.

Aangezien de uitslag van de inventarisatiekweek op dat moment geen consequenties had voor de verdere behandeling of beleid is hier volgens het geldende protocol verder geen actie op ondernomen.

Op de verpleegafdeling hematologie wordt conform de landelijke richtlijnen voor infectiepreventie (WIP/SRI) gehandeld. Ten aanzien van het gebruik van mondkapjes geldt dat zorgverleners die zich binnen 1,5 meter afstand van de patiënt bevinden een mondkapje dragen. De zorgaanbieder meent dat de cliënt conform de geldende protocollen en richtlijnen is verzorgd.

Aanwezigheid behandelend arts
Het beleid bij de zorgaanbieder is dat wanneer patiënten opgenomen zijn op de verpleegafdeling, er andere artsen verantwoordelijk zijn voor de zorg van de patiënt. Dit betreft een zaalarts of, zoals in het geval van de cliënt een physician assistent onder supervisie van de zaalarts en dus niet de behandeld arts van de polikliniek.

De zorgaanbieder meent dat niet gesteld kan worden dat de internist-hematoloog ten onrechte de cliënt niet heeft bezocht gedurende haar opname op de verpleegafdeling.

Test en verblijf in ziekenhuis vanwege E. coli
Het is de zorgaanbieder niet duidelijk wat klager precies bedoelt met “klager begrijpt niet waarom de cliënt niet is getest” nu bij de cliënt conform de standaardprocedure een inventarisatiekweek bij aanvang van de opname is afgenomen. Uit de klacht wordt verder niet duidelijk welke eventuele andere test klager precies bedoelt.

Nadat de cliënt de chemotherapie heeft ondergaan is zij, conform het protocol van deze chemokuur, op 8 april 2024 in goede conditie ontslagen. Ondanks het feit dat uit de uitslag van de inventarisatiekweek volgde dat de cliënt de E. coli bacterie in haar darmen droeg, bestond geen indicatie om een behandeling hiervoor te starten dan wel cliënt langer op de verpleegafdeling te houden. De E. coli bacterie is resistent tegen veel antibiotica en behandeling met antibiotica wordt dan ook pas ingezet wanneer de cliënt erg ziek is van de bacterie. Dat was tijdens de opname van 3 tot 8 april 2024 nog niet het geval.

De cliënt is ontslagen met intensieve controles, conform protocol twee keer per week. Op 10 april 2024 belde klager met de afdeling omdat de cliënt veel diarree had.
Op 11 april 2024 kwam de cliënt voor controle op de dagbehandeling. De cliënt was toen heel ziek, zij had koorts en een lage bloeddruk. Bij de cliënt is toen direct breed spectrum antibiotica gestart die ook de E. coli bacterie dekte.

Schadevordering
De zorgaanbieder meent dat geen grondslag bestaat voor toekenning van een schadevergoeding. Ook ontbreekt de onderbouwing van (de hoogte van de) verzochte schadevergoeding en het causaal verband tussen het handelen van de zorgaanbieder en de eventuele schade.

Beoordeling van het geschil

Toetsingskader
De overeenkomst die de cliënt met de zorgaanbieder heeft gesloten, betreft een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Op grond van de behandelingsovereenkomst die de cliënt met de zorgaanbieder is aangegaan, moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (het goed hulpverlenerschap uit artikel 7:453 BW), die mede bepaald wordt door de stand en inzichten van de medische wetenschap, richtlijnen en protocollen. Het goed hulpverlenerschap houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

Wat aan het geschil vooraf is gegaan
Op 3 april 2024 is de cliënt opgenomen op de verpleegafdeling van de hematologie. Bij opname van de cliënt is conform protocol een inventarisatiekweek afgenomen om de aanwezigheid van bacteriën te kunnen vaststellen. Op 7 april 2024 is gebleken dat de cliënt bij aankomst in het ziekenhuis een E. coli bacterie bij zich droeg. De cliënt is op 8 april 2024 ontslagen uit het ziekenhuis. In de thuissituatie is de gezondheidstoestand van de cliënt aanzienlijk verslechterd, hetgeen op 11 april 2024 heeft geleid tot een heropname op de Intensive Care. De cliënt is op 23 april 2024 overleden als gevolg van een sepsis.

Reikwijdte geschil
Het geschil van de cliënt ziet op drie klachtonderdelen: de zorgaanbieder heeft onvoldoende hygiënemaatregelen in acht genomen tijdens de verzorging van de cliënt, de behandelend arts is niet bij de cliënt komen kijken en de cliënt is uit het ziekenhuis ontslagen ondanks haar bacteriële infectie.

De commissie bespreekt deze klachtonderdelen hierna afzonderlijk. De commissie benadrukt hierbij dat alleen het handelen van deze zorgaanbieder wordt beoordeeld. Hoe in een ander ziekenhuis is gehandeld en wat daar is gebeurd is voor de beoordeling van de onderhavige klachten volstrekt irrelevant.

Verzorging en hygiëne
De klager verwijt de zorgaanbieder dat onvoldoende hygiënemaatregelen in acht zijn genomen tijdens de verzorging van de cliënt. Volgens de klager hebben niet alle zorgverleners tijdens de zorgverlening gebruikgemaakt van handschoenen en zijn mondmaskers niet consistent op de juiste wijze gedragen, in sommige gevallen slechts over de mond en niet over neus en mond gezamenlijk. De zorgaanbieder stelt dat conform geldende protocollen en richtlijnen binnen een straal van 1,5 meter van een cliënt het dragen van een mondmasker verplicht is. De zorgaanbieder betreurt het dat de dochter van de klager waarnam dat in enkele gevallen hiervan mogelijk werd afgeweken. Aangezien de commissie niet direct getuige was van de betreffende situatie, kan niet met zekerheid worden vastgesteld dat sprake is geweest van onzorgvuldig handelen door de zorgaanbieder.

Verder stelt de klager dat het onzorgvuldig was om de cliënt op een meerpersoonskamer te verzorgen. De klager is van mening dat het ziekteverloop van de cliënt anders was geweest indien zij in isolatie was verpleegd.

De commissie is van oordeel dat de keuze om cliënt op een meerpersoonskamer te verzorgen niet als onzorgvuldig kan worden aangemerkt.
Vanuit wetenschappelijke literatuur is bekend dat isolatieverpleging geen aantoonbare invloed heeft op het tegengaan van infectieverspreiding. Gezien de gezondheidstoestand van cliënt ten tijde van opname bestond er geen aanleiding tot isolatieverpleging.

Ook kan de commissie niet vaststellen dat het niet-geïsoleerd verzorgen van cliënt causaal verband houdt met haar overlijden. Uit de resultaten van de bij opname afgenomen kweek blijkt immers dat de betreffende bacteriële infectie reeds aanwezig was bij opname in het ziekenhuis.

Aanwezigheid behandelend arts
De klager verwijt dokter [naam] dat zij de cliënt niet meer heeft bezocht op de verpleegafdeling. Naar het oordeel van de commissie was dokter [naam] geen hoofdbehandelaar meer, nu de cliënt was overgedragen aan de afdeling hematologie. Gelet hierop kan het dokter [naam] niet worden aangerekend dat zij geen contact meer heeft gehad met cliënt gedurende de opname op de verpleegafdeling.

De commissie is evenwel van oordeel dat de communicatie omtrent deze overdracht te wensen overliet. Het had op de weg van de zorgaanbieder gelegen zich ervan te vergewissen dat zowel de cliënt als de klager adequaat waren geïnformeerd en begrepen wat de overdracht van het hoofdbehandelaarschap inhield en wat dit betekende voor de verdere betrokkenheid van dokter [naam] bij de behandeling.

Dit leidt echter niet tot een gegrondverklaring van de klacht. De commissie verklaart dit klachtonderdeel dan ook ongegrond.

Ontslag ondanks infectie
De commissie is van oordeel dat cliënt in medisch verantwoorde en stabiele conditie uit het ziekenhuis is ontslagen. Gelet op de beperkte symptomen op het moment van ontslag, bestond er geen medische indicatie voor voortgezet verblijf in het ziekenhuis. De enkele aanwezigheid van een bacterie, zoals vastgesteld via kweekonderzoek, is daarvoor onvoldoende. De commissie merkt daarbij op dat de aanwezigheid van een bacteriële infectie niet automatisch betekent dat (verlengde) opname noodzakelijk is; dit is afhankelijk van diverse klinische factoren.

Verder stelt de commissie vast dat klager en diens familie bij ontslag van cliënt voldoende instructies en informatie hebben ontvangen omtrent het verloop van de situatie en het belang van het tijdig inschakelen van medische hulp bij eventuele verslechtering. Ook zijn zij adequaat geïnformeerd over de resultaten van de kweek en de daaruit volgende acties.

Dit klachtonderdeel is dan ook ongegrond.

Conclusie
Nu de klachten van de klager ongegrond zijn, komt de commissie niet toe aan de beoordeling van de schadevordering. De schadevordering wordt dan ook afgewezen.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie:
– verklaart de klachten van de klager ongegrond.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit mevrouw mr. A.D.R.M. Boumans, voorzitter, mevrouw M.J.T. Kleijnen- van ’t Hullenaar, de heer J. Donga, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. S.M.E. Balfoort, secretaris, op 23 april 2025.