Commissie: Ziekenhuizen
Categorie: -
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: bindend advies
Uitkomst: ongegrond
Referentiecode:
779109/882333
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De cliënt werd op 15 februari 2024 opgenomen met een mediale collumfractuur. Aanvankelijk werd gekozen voor een conservatieve behandeling, mede vanwege zijn ernstige medische voorgeschiedenis (ASA klasse IV) en het risico van narcose of complicaties bij een operatie. Toen later een dislocatie werd vastgesteld, is alsnog tot een operatie besloten. De cliënt verwijt de zorgaanbieder dat hij niet direct op de eerste dag geopereerd is, wat volgens hem geleid heeft tot pijn, ongemak en blijvende achteruitgang van zijn gezondheid. De zorgaanbieder stelt dat het behandelbeleid zorgvuldig en conform de geldende richtlijnen is uitgevoerd, waarbij voortdurend is geëvalueerd op basis van de medische situatie van de cliënt. De commissie oordeelt dat het medisch handelen verantwoord was, gelet op de risico’s en omstandigheden. Wel had de communicatie met de cliënt en zijn partner beter gekund, mede door wisselende aanspreekpunten en onduidelijkheid over het beleid. Toch acht de commissie de klacht ongegrond. De gevorderde schadevergoeding van €25.000 wordt afgewezen.
De uitspraak
in het geschil tussen
de heer [naam], wonende te [plaatsnaam] (hierna te noemen: de cliënt)
en
Noordwest Ziekenhuisgroep, gevestigd te Alkmaar
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).
Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.
De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.
De behandeling heeft plaatsgevonden op 1 april 2025 te Utrecht.
Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen ter zitting te verschijnen. De cliënt is met zijn echtgenote, mevrouw [naam], ter zitting verschenen. Namens de zorgaanbieder zijn ter zitting aanwezig: mevrouw [naam] (advocaat), de heer [naam] (orthopedisch chirurg) en mevrouw [naam] (jurist), en een stagiair van Centramed als toehoorder.
Onderwerp van het geschil
De cliënt heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder.
Het geschil betreft de vraag of de zorgaanbieder zorgvuldig heeft gehandeld tijdens de opname van de cliënt vanwege een heupfractuur, door niet op de eerste dag te besluiten tot opereren.
Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dat op het volgende neer.
Op 15 februari 2024 is de cliënt, man van de klaagster, opgenomen bij de zorgaanbieder met een heupfractuur. In overleg is besloten tot opereren. De cliënt had geen delier maar wel een verhoogd valrisico, waarop valpreventie is ingezet. De daarop volgende dag wilde de chirurg toch een conservatief beleid voeren en alleen opereren als sprake was van dislocatie. De cliënt had zeer veel pijn, mede doordat de cliënt voor de verzorging van zijn clagett op zijn gebroken heup moest liggen.
Op 26 en 27 februari is gebleken dat alsnog sprake was van dislocatie waardoor de cliënt toch geopereerd zou worden. Op 29 februari is de cliënt gevallen, waarna hij een tweepersoonskamer kreeg met toezicht. Op 1 maart is de cliënt geopereerd. Enkele dagen later is de cliënt ontslagen zonder gedegen beleid.
De zorgaanbieder valt te verwijten dat de cliënt niet reeds op de eerste dag is geopereerd. Hierdoor hebben de cliënt en de klaagster veel leed ervaren. De kwaliteit van leven van de cliënt is ernstig achteruit gegaan. De cliënt vordert een schadevergoeding van €25.000,– voor gederfde inkomsten en ervaren leed.
Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dat op het volgende neer.
Bij de cliënt was sprake van ernstige comorbiditeit, waardoor een operatie onder algehele narcose te risicovol was. Voor een operatie onder spinale anesthesie moesten de bloedverdunners die de cliënt nam, eerst een aantal dagen gestaakt worden.
Een mediale collumfractuur met inclavatie heeft geen dwingende operatie indicatie. Deze fractuur kan ook conservatief behandeld worden en daar is na uitvoerig multidisciplinair overleg dan ook voor gekozen. Dit is ook uitgebreid met de cliënt en zijn familie besproken, zoals blijkt uit het medisch dossier. De zorgaanbieder acht het dan ook verdedigbaar dat is gekozen voor een conservatieve behandeling. De stelling van de klaagster dat als heupletsel niet direct geopereerd wordt, mobiliteit verloren zal gaan, is juist voor de meeste fracturen, maar niet voor de mediale collumfractuur zoals aanwezig bij de cliënt.
Op 27 februari 2024 bleek sprake van dislocatie, waarna werd besloten de cliënt alsnog te opereren. De operatie kon een aantal dagen later plaatsvinden, omdat eerst gestopt moest worden met de bloedverdunners om het risico op een bloeding tijdens de ruggenprik te verkleinen en daarmee ook het risico op verlammingsverschijnselen. De operatie is uitgevoerd op 1 maart 2024.
Operatieve mogelijkheden
Er waren voorafgaand aan de dislocatie twee operatieve mogelijkheden: een kopsparende behandeling (osteosynthese) en een kopvervangende operatie (in de vorm van de kophalsprothese), zoals de cliënt nu op 1 maart heeft gekregen.
Indien gekozen was voor een kopsparende behandeling zouden restklachten en beperkingen zeker mogelijk zijn geweest. Ook zouden complicaties kunnen optreden. Als een complicatie zich voor zou doen, dan was plaatsing van een kophalsprothese alsnog noodzakelijk. Er is een reële kans dat de behandeling zoals deze nu heeft plaatsgevonden hetzelfde is als de behandeling die zou hebben plaatsgevonden in de situatie waarin nog geen dislocatie was opgetreden.
De resultaten van plaatsing van een kophalsprothese direct na het optreden van de fractuur en na plaatsing bij secundaire dislocatie verschillen niet.
Schade
De zorgaanbieder is van mening dat er niet medisch onzorgvuldig is gehandeld, er is daarmee ook geen recht op schadevergoeding. Ook is de schadevordering onvoldoende onderbouwd.
Beoordeling van het geschil
Toetsingskader
De overeenkomst die de cliënt met de zorgaanbieder heeft gesloten, betreft een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Op grond van de behandelingsovereenkomst die de cliënt met de zorgaanbieder is aangegaan, moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (het goed hulpverlenerschap uit artikel 7:453 van het BW), die mede bepaald wordt door onder meer de stand en inzichten van de medische wetenschap, richtlijnen en protocollen. Het goed hulpverlenerschap houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.
Situatie cliënt
Op 15 februari 2024 is de cliënt bij de zorgaanbieder binnengekomen met een mediale collumfractuur met inclavatie. De cliënt heeft een zeer uitgebreide medische voorgeschiedenis. Zo is bij de cliënt sprake van ASA klasse IV, wat inhoudt dat sprake is van één of meer zeer ernstige, levensbedreigende aandoeningen. De client is bekend met een ernstige reductie in longfunctie en -capaciteit en had twee maanden voor de heupfractuur nog acute nierinsufficiëntie.
Deze factoren brengen mee dat in de besluitvorming rondom de behandeling van de heupfractuur extra voorzichtigheid moet worden betracht.
Handelen zorgaanbieder
De zorgaanbieder heeft gezien de gezondheidsrisico’s bij de cliënt een conservatief beleid ingezet en heeft geconstateerd dat dit beleid niet tot verslechtering bij de cliënt leidde. De cliënt gaf na enkele dagen een pijnscore aan van 0 en bleek vrij mobiel. Toen toch dislocatie van de fractuur plaatsvond, heeft de zorgaanbieder in overleg alsnog besloten tot opereren. Op dat moment was de cliënt al gestopt met het slikken van bloedverdunners, zodat spinale verdoving mogelijk zou zijn.
In een dergelijke precaire situatie zoals die van de cliënt is slechts een conservatief beleid of een kophalsprothese mogelijk. Indien de zorgaanbieder een kopsparende behandeling had uitgevoerd, was dat gezien de medische voorgeschiedenis en de nierfunctie van de cliënt niet in lijn met de NVT-richtlijn “Mediale collumfractuur: intracapsulaire femurhals fractuur”.
Naar het oordeel van de commissie heeft de zorgaanbieder zorgvuldig gehandeld door telkens de risico’s in acht te nemen, de situatie opnieuw te bekijken en te bespreken in het multidisciplinair overleg. Daarnaast heeft de zorgaanbieder volgens de professionele orthopedische standaard gehandeld door in eerste instantie een conservatief beleid te voeren en na dislocatie over te gaan tot een kopvervangende ingreep.
Communicatie
Wel merkt de commissie op dat de communicatie met de cliënt en zijn echtgenote beter had gekund. Uit de stukken maakt de commissie op dat elke keer een andere specialist bij de gesprekken aanwezig was. Hierdoor is bij de cliënt en zijn echtgenote onduidelijkheid ontstaan over de besluitvorming en het ingezette beleid. Daarnaast concludeert de commissie dat voor de cliënt en zijn echtgenote meer rekening gehouden had kunnen worden met de verpleegtechnische uitdagingen in de verzorging van de clagett.
Het bovenstaande leidt echter niet tot een gegrondverklaring van de klacht. De commissie kan niet anders concluderen dan dat de zorgaanbieder met inachtneming van de gezondheidstoestand van de cliënt en conform de geldende NVT-richtlijn heeft gehandeld.
Nu de klachten van de cliënt ongegrond worden verklaard, komt de commissie niet toe aan de beoordeling van de schadevordering. Deze vordering wordt dan ook afgewezen.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
– verklaart de klachten van de cliënt ongegrond;
– wijst de vordering tot schadevergoeding af.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit mevrouw mr. A.D.R.M. Boumans, voorzitter, de heer drs. B. van Wageningen, de heer J. Donga, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. S.M.E. Balfoort, secretaris, op 1 april 2025.