Commissie: Geestelijke Gezondheidszorg
Categorie: (Immateriele) schadeBeëindiging behandelingsovereenkomst
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: bindend advies
Uitkomst: gegrond
Referentiecode:
1034529/1223025
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De cliënte verbleef op basis van een Bed op Recept in het crisiscentrum. Na een verlofperiode keerde zij terug terwijl zij onder invloed van cannabis was. De psychiater beëindigde daarop direct haar BOR‑opname. De commissie kon niet vaststellen of zij vooraf voldoende was geïnformeerd over de gevolgen van blowen, maar oordeelt dat vooral het handelen ná haar terugkeer onzorgvuldig was. De psychiater nam het ontslagbesluit zonder overleg met het ambulante behandelteam, terwijl dat team het zwaartepunt van haar behandeling vormde en de BOR‑opname bedoeld was om suïciderisico te verminderen. Daarmee handelde hij niet zoals van een redelijk bekwaam hulpverlener mag worden verwacht. De klacht wordt gegrond verklaard. Materiële schadevergoeding wordt afgewezen, maar de cliënte krijgt € 500 immateriële schadevergoeding en het klachtengeld van € 52,50 terug.
De uitspraak
in het geschil tussen
mevrouw [naam cliënte], wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de cliënte)
en
Parnassia Groep BV, gevestigd te ‘s-Gravenhage
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).
Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft het handelen van de zorgaanbieder in november 2024. De cliënte verwijt de
zorgaanbieder dat zij zonder waarschuwing is weggestuurd uit het crisiscentrum, nadat zij thuis een jointje
had gerookt.
Standpunt van de cliënte
Voor het standpunt van de cliënte verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het
standpunt op het volgende neer.
De cliënte is op 24 november 2024 in het crisiscentrum van de zorgaanbieder opgenomen. Zij wilde daar
eigenlijk niet heen vanwege haar ervaringen met de psychiater daar. Met behulp van de politie en de
ambulance is zij daar toch terecht gekomen, want zij had een ‘Bed op recept’ (BOR).
De cliënte heeft aan een verpleegkundige gemeld dat het in haar hoofd bleef draaien en dat zij zichzelf
wilde sederen door een jointje te nemen, omdat zij pijn en krampen had. De verpleegkundige heeft tegen
de cliënte gezegd: “Wie ben ik om je tegen te houden?” Zij heeft niet aangegeven dat de cliënte zou
worden weggestuurd als zij een jointje zou nemen.
De volgende dag is de cliënte thuis even een jointje gaan roken. Daarna is zij teruggekomen op de
afdeling. De verpleging zag dat de cliënte een jointje had gerookt en lachte erom. De cliënte heeft niet te
horen gekregen dat zij weg zou moeten.
Later werd de cliënte uit haar kamer gehaald door een vrouwelijke arts, Zij moest mee naar een
spreekkamer waar de psychiater en nog een arts zaten. De psychiater gaf de cliënte te kennen dat zij
moest gaan, omdat zij een joint had gerookt. De cliënte had een waarschuwing verwacht en dit viel rauw op
haar dak. De psychiater was echter onverbiddelijk.
Als de cliënte had geweten dat zij niet welkom was als zij een joint had gerookt, dan had zij dat niet
gedaan. Er werd gezegd dat het haar is verteld, maar dat weet zij echt niet meer. De verpleging heeft het
haar niet gemeld.
De patiëntenvertrouwenspersoon en de ambulante behandelaar van de cliënte hebben geprobeerd te
bemiddelen, maar de psychiater bleef bij zijn standpunt. De klachtencommissie van de zorgaanbieder heeft
de klacht van de cliënte dat de communicatie niet duidelijk was en de cliënte niet goed op de hoogte was
van de consequenties, gegrond verklaard.
De klacht van de cliënte dat zij onterecht met gedwongen ontslag is gestuurd, is door de
klachtencommissie ongegrond verklaard. Daar is de cliënte het niet mee eens. Dat de cliënte door de
ambulance naar het crisiscentrum is gebracht, toont aan dat zij niet in orde was en niet
toerekeningsvatbaar was. Daarom had de psychiater de verplichting goed voor haar te zorgen. Hij had haar
een waarschuwing moeten geven in plaats van haar weg te sturen. Hij heeft verzuimd in zijn zorgplicht.
De psychiater heeft zich ook niet gehouden aan de werkinstructie voor gedwongen ontslag. Hij en de
klachtencommissie menen dat de zorg rondom de BOR-constructie een andere werkwijze betreft en die
instructie daarom niet van toepassing is. Echter, die instructie is ook voor schorsingen en zorgt juist voor
zorgvuldigheid. Deze zorgvuldigheid heeft de cliënte gemist. Zo is zij ook niet afgemeld bij de
zorgaanbieder, waardoor zij geen medicatie kreeg bij de apotheek. Ook de ambulante begeleider van de
cliënte is niet op de hoogte gesteld. Ook al is het een BOR-constructie, dan nog moeten regels worden
gevolgd.
De cliënte vond de psychiater mensonvriendelijk. Hij heeft de cliënte nog meer in wanhoop gebracht dan zij
al was. Dat vindt zij hem te verwijten, zij heeft daardoor een trauma opgelopen. Zij is heel angstig geworden
en durft daardoor ook niet meer terug naar het crisiscentrum. Zij voelt zich niet veilig bij de psychiater en de
verpleging. Door het opgelopen trauma gaat het nu slechter met haar dan vóór het verblijf in het
crisiscentrum in november 2024.
Als gevolg van het onterechte ontslag heeft de cliënte vaker een beroep gedaan op de ambulante
hulpverlening. Zij is ook vaak door de crisisdienst beoordeeld. Zij is gaan automutileren en heeft
suïcidepogingen gedaan. Zij moest dan worden opgehaald door de ambulance, die haar naar het
ziekenhuis bracht. Daar kwam zij onder andere op de Intensive Care terecht. Aan één van deze
suïcidepogingen heeft zij een blijvend litteken op haar pols overgehouden.
De cliënte verlangt erkenning dat de psychiater haar niet had moeten wegsturen, maar een
tussenoplossing had moeten zoeken voor het incident. Zij wil ook dat zij beter wordt geïnformeerd over de
consequenties wanneer zij iets doet dat niet is toegestaan
De onterechte beslissing om de cliënte weg te sturen, heeft de cliënte ernstige emotionele schade
berokkend. Daarnaast is zij dagen misgelopen die zij in het crisiscentrum had mogen verblijven op basis
van de BOR-regeling. De twee dagen die zij nog over had in november 2024, heeft zij niet meer op kunnen
nemen.
Door toedoen van de zorgaanbieder heeft de cliënte bovendien extra zorgkosten gehad ten bedrage van in
totaal € 30.080,60 (ambulancevervoer: € 4.718,85, ziekenhuiszorg: € 14.839,16 en veelvuldig beroep op de
GGZ: € 10.522,59).
De cliënte verzoekt de commissie te bepalen dat de zorgaanbieder haar deze schade moet vergoeden,
althans haar in redelijkheid en billijkheid een schadevergoeding toe te kennen voor de door haar geleden
schade.
Ter zitting heeft klaagster benadrukt dat zij niet is geïnformeerd over de consequenties als zij thuis een
jointje zou gaan roken. Bovendien heeft de psychiater haar zonder waarschuwing weggestuurd, terwijl zij
nog in crisis was. Dit heeft ernstige gevolgen gehad (automutilatie en suïcidepogingen).
Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern
komt het standpunt op het volgende neer.
De cliënte is op juiste en zorgvuldig gemotiveerde gronden ontslagen uit het crisiscentrum. Van schending
van de zorgplicht of andere onzorgvuldigheden is geen sprake geweest.
De cliënte verbleef in november 2024 op basis van de BOR-regeling in het crisiscentrum. Deze constructie
is bedoeld als tijdelijke time-outvoorziening voor cliënten die bekend zijn binnen de GGZ en tijdelijk een
verhoogde draaglast ervaren. Doel van deze regeling is onder meer het ondersteunen van cliënten bij het
ontwikkelen van adequate coping strategieën en het voorkomen van destructief gedrag. Binnen deze
behandelvorm rust een aanzienlijke mate van eigen verantwoordelijkheid op de cliënt: het is aan de cliënt
om tijdig opname aan te vragen en zich tijdens de opname zodanig te gedragen dat het behandeldoel
daadwerkelijk wordt gediend. Het gebruik van cannabis als middel om spanning te reguleren is met deze
behandelopzet onverenigbaar. Het blowen tijdens een verlofperiode ondermijnt het doel van de opname.
De cliënte heeft zich op 26 november 2024 afgemeld met de mededeling iets leuks te gaan doen met haar
partner. De verpleging heeft haar voorafgaand aan het verlof geadviseerd niet te blowen. De cliënte heeft
daarop met een lach gereageerd en gaf geen garantie zich aan het advies te houden. Zij is diezelfde avond
zichtbaar onder invloed teruggekeerd op de afdeling. Zij heeft bevestigd dat zij tijdens het verlof cannabis
had gebruikt.
Omdat de opname onder deze omstandigheden niet langer het beoogde doel diende, is besloten deze te
beëindigen.
De zorgaanbieder benadrukt dat dit besluit geen disciplinaire maatregel betrof, maar voortkwam uit een
behandelinhoudelijke afweging: de opname had zijn doelmatigheid verloren.
Ten aanzien van het verwijt dat de werkinstructie voor gedwongen ontslag niet is gevolgd, merkt de
zorgaanbieder op dat deze instructie in dit geval niet van toepassing was. Dat hangt samen met de aard
van de opname: deze maakte onderdeel uit van de ambulante behandeling, die op zichzelf niet is
beëindigd.
Met betrekking tot de informatievoorziening over drugsgebruik stelt de zorgaanbieder voorop dat bij iedere
opname de huisregels van de afdeling aan de cliënt worden overhandigd. In deze huisregels staat
uitdrukkelijk vermeld: “In de kliniek mag je geen alcohol en drugs gebruiken, in bezit hebben of
verhandelen. Dit geldt ook voor medicijnen en materialen die bedoeld zijn om drugs te gebruiken of te
maken. (…) Het is niet toegestaan om tijdens je verblijf in de kliniek onder invloed van drank of drugs te
zijn.” Hoewel de huisregels zich formeel beperken tot gebruik en bezit binnen de kliniek, volgt uit de daarin
neergelegde huisregel dat ook het onder invloed terugkeren van verlof niet is toegestaan. Deze norm was
voor de cliënte kenbaar en begrijpelijk.
Tijdens de opname is het onderwerp ‘blowen’ tweemaal expliciet met haar besproken: zowel op de dag
voorafgaand aan het incident als op de dag van haar verlof. Daarbij is haar in duidelijke bewoordingen
meegedeeld dat drugsgebruik niet is toegestaan en dat dit gevolgen kan hebben voor haar opname.
De cliënte is bovendien een ervaren cliënte binnen de kliniek en mag op de hoogte worden geacht van de
geldende gedragsregels tijdens een BOR-opname.
De zorgaanbieder is van mening dat van een schending van de informatieplicht geen sprake is geweest.
De zorgaanbieder erkent dat de cliënte heeft aangegeven zich niet meer welkom te voelen op de afdeling
en betreurt dat zij de bejegening door de behandelend psychiater als stellig en weinig menselijk heeft
ervaren. De zorgaanbieder begrijpt dat de beslissing om de opname te beëindigen, voor de cliënte hard en
teleurstellend is geweest, zeker gezien haar psychische kwetsbaarheid ten tijde van het ontslag.
De zorgaanbieder benadrukt dat het hier gaat om een subjectieve beleving van de cliënte, die op zichzelf
serieus wordt genomen. Tegelijkertijd is de zorgaanbieder van mening dat de betrokken psychiater in de
uitvoering van zijn taak zorgvuldig heeft gehandeld en in het gesprek bij ontslag transparant heeft
gecommuniceerd over de behandelafwegingen. Zijn intentie was om duidelijkheid te bieden, niet om
afstand te scheppen. In het ontslaggesprek heeft de psychiater ook erkend dat zijn communicatie mogelijk
als zakelijk of streng is overgekomen, en dat dit niet zijn bedoeling was.
De zorgaanbieder heeft oog voor het belang van een veilige behandelrelatie en onderstreept dat er, zolang
de BOR-constructie voortduurt, gelegenheid is om met de cliënte in gesprek te gaan over de ervaren
verstoring van het contact. Indien herstel van vertrouwen niet mogelijk blijkt, staat de zorgaanbieder open
voor overdracht aan een andere regiebehandelaar binnen het crisiscentrum.
De BOR-regeling van de cliënte is na het ontslag niet beëindigd. Tijdens het ontslaggesprek is uitdrukkelijk
aangegeven dat de cliënte opnieuw welkom is voor opname onder deze regeling, mits zij zich dan houdt
aan de geldende afspraken. Dat zij er vervolgens voor heeft gekozen om geen nieuwe opnames aan te
vragen, is een eigen beslissing geweest. De zorgaanbieder heeft haar daarin op geen enkel moment
belemmerd.
De BOR-regeling biedt inderdaad recht op een vastgesteld aantal opnamedagen per maand. Deze dagen
zijn echter niet overdraagbaar en kunnen niet worden opgespaard of meegenomen naar een volgende
maand. Van een beperking of belemmering door de zorgaanbieder in het gebruik van de regeling is dan
ook geen sprake geweest.
Het verzoek van de cliënte om toekenning van een schadevergoeding heeft uitsluitend betrekking op
vergoeding van materiële schade. De genoemde schadeposten betreffen zorgkosten die zijn vergoed door
de zorgverzekeraar van de cliënte. Zij heeft deze kosten derhalve niet zelf hoeven te dragen. Voor zover de
cliënte beoogt te stellen dat zij haar wettelijk eigen risico heeft moeten aanspreken, geldt dat zij reeds voor
het ontslag in zorg was en het eigen risico derhalve hoe dan ook verschuldigd zou zijn geweest. Ook om
die reden ontbreekt het aan causaal verband tussen het ontslag en de gestelde schade.
Voor zover de cliënte in haar toelichting spreekt over psychische achteruitgang en gevoelens van angst en
stress, kwalificeren deze als immateriële schade. Een vordering ter zake van immateriële schade is in dit
verzoek echter niet opgenomen en ligt derhalve niet ter beoordeling voor.
De zorgaanbieder verzoekt de commissie de klacht van de cliënte ongegrond te verklaren en haar verzoek
tot schadevergoeding af te wijzen.
Ter zitting heeft de zorgaanbieder benadrukt dat het besluit om de cliënte te ontslaan uit het crisiscentrum
en de BOR-regeling op te schorten weloverwogen is genomen.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
Toetsingskader
De overeenkomst die de cliënte met de zorgaanbieder heeft gesloten, betreft een geneeskundige
behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Op grond van de behandelingsovereenkomst die de cliënte met de zorgaanbieder is aangegaan, moet de
zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij
handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor
hulpverleners geldende professionele standaard (het goed hulpverlenerschap uit artikel 7:453 van het BW),
die mede bepaald wordt door onder meer de stand en inzichten van de medische wetenschap, richtlijnen
en protocollen. Het goed hulpverlenerschap houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die
een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben
betracht.
De klacht
De cliënte stelt allereerst dat zij door de verpleegkundigen niet vooraf op de hoogte is gesteld van de
mogelijke gevolgen van het thuis gaan roken van een jointje. De zorgaanbieder heeft daartegenover
gesteld dat de verpleegkundigen de cliënte bij haar vertrek naar huis hebben gewezen op de risico’s en
mogelijke consequenties van blowen.
Gelet op de verschillende lezingen van partijen is de feitelijke gang van zaken voor de commissie achteraf
niet vast te stellen. De commissie twijfelt niet aan de oprechtheid van de verklaringen van de cliënte, noch
aan die van de zorgaanbieder. Echter, voor de commissie is niet vast te stellen wat tijdens het gesprek wel
of niet is gezegd.
Wat daar ook van zij, de cliënte heeft ter zitting verklaard dat haar klacht met name ziet op het handelen
van de zorgaanbieder na terugkeer van haar verlof.
Vaststaat dat de psychiater van de zorgaanbieder heeft besloten de BOR-opname van de cliënte te
beëindigen, omdat zij onder invloed terugkwam op de afdeling.
De psychiater heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat hij dit besluit zelfstandig heeft genomen, zonder
overleg met het ambulante team dat de cliënte begeleidt.
Nu het zwaartepunt van de behandeling van de cliënte bij het ambulante team lag, had het naar het oordeel
van de commissie op de weg van de psychiater gelegen om dit team te betrekken voorafgaand aan zijn
besluit. Dit klemt te meer, omdat het doel van de BOR-opname – zoals de psychiater ter zitting heeft
verklaard – het voorkomen van suïcide was. Door het ambulante team had wellicht een betere inschatting
kunnen worden gemaakt van de risico’s van het naar huis sturen van de cliënte en met name van de kans
op suïcide in de thuissituatie.
De psychiater heeft ter zitting weliswaar gesteld dat een voorafgaand overleg de uitkomst niet zou hebben
veranderd, maar de commissie sluit dit niet uit.
Gelet op het voorgaande komt de commissie tot de conclusie dat de psychiater niet heeft gehandeld, zoals
van een redelijk bekwaam en redelijk handelend zorgaanbieder mag worden verwacht. Die tekortkoming
kan aan de zorgaanbieder worden toegerekend. De klacht van de cliënte zal dan ook gegrond worden
verklaard.
Het verzoek tot schadevergoeding
De commissie zal de vordering van de cliënte tot vergoeding van de door haar gestelde materiële schade
als niet onderbouwd afwijzen. Ter zitting heeft de cliënte bovendien erkend dat zij de door haar opgevoerde
zorgkosten niet zelf heeft hoeven dragen.
In het vragenformulier heeft de cliënte voorts aangegeven dat zij ernstige emotionele schade heeft geleden.
In weerwil van het door de zorgaanbieder gestelde, leidt de commissie hieruit af dat de cliënte bij het
indienen van de klacht heeft bedoeld (ook) aanspraak te maken op een immateriële schadevergoeding.
Daarvoor geldt het volgende.
Het toekennen van een dergelijke vergoeding is mogelijk indien er sprake is van een aantasting van de
persoon. De commissie kan niet vaststellen dat de handelingen van de cliënte (automutilatie en
suïcidepogingen) na het beëindigen van de BOR-opname het directe gevolg zijn geweest van die
beëindiging en dat deze niet zouden hebben plaatsgevonden als deze opname zou zijn gecontinueerd.
Echter, de commissie kan zich voorstellen dat de cliënte de onmiddellijke beëindiging van de BOR-opname
als een afwijzing heeft ervaren en dat zij zich daardoor in de steek gelaten heeft gevoeld. De commissie
acht voorts begrijpelijk dat de cliënte, zoals zij stelt, door het handelen van de psychiater geen vertrouwen
meer in hem heeft en ook niet in de zorgaanbieder als zodanig en dus ook dat zij daardoor niet meer uit
eigen beweging gebruik heeft gemaakt van het crisiscentrum. Ter onderbouwing van de immateriële schade
stelt de cliënte verder dat zij veel last heeft gehad van angst en stress en dat zij een trauma heeft
opgelopen, waardoor het nu slechter met haar gaat dan vóór het verblijf op het crisiscentrum in november
2024.
Weliswaar heeft de cliënte haar stellingen niet met medische stukken onderbouwd, maar de commissie is
van oordeel dat het door de cliënte ondervonden geestelijk leed kan worden gezien als aantasting van de
persoon. De commissie komt het voorts aannemelijk voor dat sprake is van een causaal verband tussen dit
leed en het handelen van (de psychiater van) de zorgaanbieder.
Op grond van het voorgaande ligt naar het oordeel van de commissie een vergoeding van immateriële
schade in de rede. De commissie zal de vergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid
vaststellen op een bedrag van € 500,–.
Klachtengeld
Omdat de klacht van de cliënte gegrond is, dient de zorgaanbieder overeenkomstig het reglement van de
commissie het door de cliënte betaalde klachtengeld van € 52,50 te vergoeden.
Hetgeen partijen voorts nog naar voren hebben gebracht behoeft geen bespreking, nu dit niet tot een ander
oordeel kan leiden.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
– verklaart de klacht van de cliënte gegrond;
– bepaalt dat de zorgaanbieder de cliënte een bedrag van € 500,– aan immateriële
schadevergoeding moet betalen;
– bepaalt dat de zorgaanbieder het door de cliënte betaalde klachtengeld van € 52,50 dient te
vergoeden;
– bepaalt dat de betaling van de immateriële schadevergoeding en het klachtengeld binnen een
maand na verzenddatum van dit bindend advies dient plaats te vinden;
– wijst het meer of anders verzochte af.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg, bestaande uit de heer
mr. dr. B. Wallage, voorzitter, mevrouw mr. H.E.L. Loeffen en mevrouw dr. N.D. Veen, leden, in
aanwezigheid mevrouw mr. drs. I.M. van Trier, secretaris, op 2 oktober 2025.