Commissie: Zorg Algemeen
Categorie: informatie(verstrekking)
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: bindend advies
Uitkomst: ongegrond
Referentiecode:
1175835/1274572
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De volledige uitspraak
in het geschil tussen
[naam], wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: klaagster),gemachtigde: [naam]
en
Stichting Abortuskliniek Den Haag, gevestigd te Utrecht
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).
Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Zorg Algemeen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.
De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.
De behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 6 november 2025 te Den Haag.
Partijen hebben vooraf aangegeven niet ter zitting aanwezig te zullen zijn en zijn om die reden niet voor de zitting opgeroepen.
Onderwerp van het geschil
Klaagster verwijt de zorgaanbieder nalatigheid in de informatievoorziening en voorlichting.
Standpunt van klaagster
Voor het standpunt van klaagster verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Klaagster vroeg voorafgaande aan de abortusafspraak via e-mail aan de zorgaanbieder of haar hoge BMI mogelijk een bezwaar zou zijn voor het uitvoeren van de ingreep. Zij vroeg dit om te voorkomen dat ze op de dag van de afspraak mogelijk onverrichter zake weer naar huis zou moeten. De reactie was geruststellend: de zorgaanbieder had overleg gehad met de huisarts van klaagster en dit intern besproken. Tijdens het consult 14 maart 2025 kreeg klaagster te horen dat de ingreep vanwege het hoge BMI toch niet door kon gaan. Ze moest onverrichter zake weer terug naar huis. Al die emoties hadden voorkomen kunnen worden bij tijdige informatie vooraf.
Intake en ingreep moesten vervolgens worden uitgesteld en verplaatst naar het ziekenhuis (resp. 28 maart en 2 april 2025). Hiermee zijn bijna drie weken onnodig verloren gegaan, terwijl de zwangerschap in die periode ‘gewoon’ doorzette, met alle emotionele impact van dien. Klaagster heeft hierover op 30 maart 2025 via een e-mail een klacht bij de zorgaanbieder ingediend. Vanwege de emotionele en fysieke impact bij haar heeft haar moeder het contact met de zorgaanbieder overgenomen. Haar moeder heeft dit telefonisch meegedeeld en uitgelegd aan de zorgaanbieder (receptioniste). Vanuit de kliniek is er vervolgens diverse malen (naar verluidt door de arts) telefonisch contact met klaagster gezocht, o.a. twee keer op de dag dat zij de ingreep onderging (woensdag 2 april) en ook nog op de vrijdag daarna (4 april), ondanks dus de eerdere verzoeken aan de kliniek de contacten via haar moeder als contactpersoon te laten lopen. Haar moeder heeft vervolgens diverse malen de zorgaanbieder gevraagd naar de stand van zaken met betrekking tot de eerder ingediende klachten. Zij heeft geen reactie ontvangen.
Klaagster vordert dat verweerster wordt veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van € 500,– voor door haar geleden emotionele schade en de benzine voor de autoritten naar en van de kliniek.
Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dit op het volgende neer.
De zorgaanbieder heeft klaagster doorverwezen naar tweedelijnszorg, gezien het verhoogde risico op complicaties en het feit dat deze potentiële complicaties bij de zorgaanbieder niet adequaat konden worden opgevangen.
Voor zover klaagster stelt dat bij haar ten onrechte de indruk is gewekt dat er hoe dan ook een abortusingreep zou worden verricht die dag, wordt dit door verweerster betwist. Uit de e-mail van verweerster aan klaagster d.d. 13 maart 2025 volgt uitdrukkelijk dat klaagster die dag zou worden onderzocht en dat met klaagster zou worden besproken welke behandelmethodes voor haar een mogelijkheid zouden zijn. Klaagster stelt dat de abortusingreep als gevolg van haar hoge BMI toch niet kon doorgaan. Dat is niet juist. Bij klaagster bestonden meerdere contra-indicaties voor het ondergaan van een abortusingreep. Bij klaagster was het gezien de combinatie van een verhoogd BMI, haar chronische aandoeningen en het medicatiegebruik niet verantwoord de abortusingreep bij de zorgaanbieder te verrichten. Met deze co-morbiditeit was de zorgaanbieder tot het consult niet bekend. De klacht dient ongegrond te worden verklaard. De zorgaanbieder betwist dat sprake is van geleden schade die voor vergoeding in aanmerking komt.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
De commissie dient te oordelen of de zorgaanbieder heeft gehandeld zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelende hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben gehandeld.
De commissie heeft op basis van de aangeleverde stukken het volgende vastgesteld.
In het eerste telefonisch contact op 5 maart 2025 heeft klaagster het advies gekregen van de telefoniste van de zorgaanbieder om na werktijd te bellen, zodat zij met een waarnemend arts zou kunnen overleggen of curettage mogelijk was. Er is op die dag al wel een afspraak gemaakt op vrijdag 14 maart. Klaagster heeft die avond niet gebeld, omdat op de site van de zorgaanbieder expliciet staat vermeld, dat buiten werktijden bellen voor (medische) spoedgevallen is en dit niet in haar geval gold. In plaats van bellen heeft klaagster op 5 maart 2025 een e-mail naar de zorgaanbieder gestuurd met de vraag of haar BMI van 40+ een bezwaar voor curettage zou kunnen zijn. Omdat klaagster niets meer van de zorgaanbieder heeft vernomen, heeft zij haar huisarts gevraagd te bemiddelen. De zorgaanbieder heeft de huisarts laten weten dat zij ‘zeker’ curettages uitvoert bij vrouwen met een BMI van 40+, zij het dan misschien met een verdoving in plaats van een roesje.
Op 13 maart 2025 heeft de receptioniste klaagster geantwoord dat met betrekking tot het overgewicht overleg is geweest met de huisarts en dit intern is besproken en dat klaagster kan komen op de geplande afspraak waar “dan zal worden bekeken en besproken wat de verschillende behandelmethodes mogelijk zijn voor jou”.
Op 14 maart 2025 is tijdens het consult duidelijk geworden dat er diverse contra-indicaties bestonden voor het uitvoeren van de abortusingreep door de zorgaanbieder, zowel door middel van een abortuspil als middels curettage. Niet alleen was sprake van een hoog BMI, maar ook was sprake van diabetes mellitus, een chronische aspecifieke respiratoire aandoening (‘CARA’) en geneesmiddelengebruik (rybelsus, gliclazide, amitriptyline, pregabaline, fluoxetine, desloratadine, rosuvastatine en soms tramadol). De anesthesist oordeelde dat het niet verantwoord was klaagster (bij de zorgaanbieder) te sederen vanwege de verhoogde risico’s op complicaties die spoedopname in een ziekenhuis noodzakelijk zouden kunnen maken. Gelet op dit significant verhoogd risico is klaagster door de zorgaanbieder doorverwezen naar de tweedelijnszorg.
De commissie begrijpt dat het voor klaagster een emotionele periode is geweest en dat zij hoopte dat zij na de ingreep op 14 maart 2025 weer verder kon gaan met haar leven. Echter naar haar oordeel kan uit de e-mail van 13 maart 2025 niet expliciet worden afgeleid dat de ingreep ook daadwerkelijk op 14 maart zou plaatsvinden. Klaagster heeft weliswaar in haar e-mail aangegeven dat zij een BMI van 40+ had maar heeft daarbij niet vermeld dat zij daarnaast andere klachten had en medicatie gebruikte. Als zij het advies van de receptioniste had opgevolgd en op 5 maart na werktijd telefonisch contact had opgenomen met één van de behandelend artsen was naar alle waarschijnlijkheid de co-morbiditeit in samenhang met het medicatiegebruik aan de orde gekomen en was haar op dat moment geadviseerd om naar een ziekenhuis te gaan.
De behandelend arts heeft, naar het oordeel van de commissie, zorgvuldig gehandeld door klaagster door te verwijzen naar een ziekenhuis (tweedelijns zorg) vanwege een verhoogd risico op complicaties, die zouden kunnen optreden tijdens de sedatie. De zorgaanbieder heeft onweersproken gesteld dat zij voor de behandeling daarvan niet is toegerust. De commissie zal daarom de klacht ongegrond verklaren. Nu er geen sprake is van onzorgvuldig handelen van de zijde van de zorgaanbieder zal ook de vordering tot schadevergoeding worden afgewezen.
Klaagster heeft tevens aangegeven dat de zorgaanbieder niet op de correspondentie van haar moeder heeft gereageerd. Hoewel deze klacht buiten de reikwijdte van het reglement valt waarbinnen de commissie een oordeel kan geven, merkt de commissie op dat de zorgaanbieder een gerechtvaardigd belang had om eerst te verifiëren of de moeder wel door klaagster schriftelijk was gemachtigd alvorens medische gegevens te delen. Deze machtiging is nooit afgegeven.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie verklaart de klacht ongegrond en wijst de vordering tot schadevergoeding af.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Zorg Algemeen, bestaande uit de heer mr. J.M.P. Drijkoningen, voorzitter, de heer drs. J.H.A. Vollebergh, de heer mr. R.P. Gerzon, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. W. Hartong van Ark, secretaris, op 6 november 2025.