Commissie houdt beslissing aan in geschil over psychodiagnostisch onderzoek

De Geschillencommissie Zorg




Commissie: Zorg Algemeen    Categorie: onzorgvuldigheid/ schadevergoeding    Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Tussen Advies   Uitkomst: Aanhouding beslissing   Referentiecode: 1312862/1336796

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De uitspraak betreft een klacht van een cliënt over een psychodiagnostisch onderzoek, de gestelde diagnose, de inzet van een psycholoog in opleiding, de gedeclareerde zorgkosten en de afhandeling van zijn klachten. De cliënt stelt dat sprake is geweest van onzorgvuldige diagnostiek, onvoldoende supervisie en een gebrekkige klachtbehandeling, terwijl de zorgaanbieder dit gemotiveerd betwist. De commissie oordeelt dat zij op basis van de beschikbare stukken nog onvoldoende feitelijke informatie heeft om het geschil te kunnen beoordelen. Daarom wordt een mondelinge behandeling gelast en wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

De volledige uitspraak

in het geschil tussen

de heer [naam cliënt], wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de cliënt)

en

Stichting IrisZorg, gevestigd te Arnhem
(hierna te noemen: de zorgaanbieder)
gemachtigde: de heer [naam advocaat]

Behandeling van het geschil

Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Zorg Algemeen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.
De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.
De behandeling heeft plaatsgevonden op 23 juli 2026 te Den Haag.
Partijen zijn niet voor de zitting opgeroepen.

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft vermeend onzorgvuldig handelen door de zorgaanbieder in het zorg- en klachttraject, de door de zorgaanbieder gedeclareerde kosten en de schade die de cliënt door toedoen van de zorgaanbieder stelt te hebben geleden.

Standpunt van de cliënt

Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De cliënt heeft zich tot de zorgaanbieder gewend voor diagnostisch onderzoek. Het onderzoek is onder valse voorwendselen uitgevoerd door een volledig ongekwalificeerde basispsychologe. Zij zou alleen testen doen, maar uit de declaraties aan de zorgverzekeraar blijkt dat zij het onderzoek en het stellen van een diagnose zelfstandig heeft uitgevoerd. De beloofde supervisie door de GZ-psycholoog heeft niet daadwerkelijk plaatsgevonden.

De cliënt heeft drie identieke afspraken met zes medewerkers gehad. Daarin heeft hij steeds opnieuw zijn gehele verhaal en voorgeschiedenis uiteen moeten zetten. Verder heeft de basispsychologe alles afgehandeld. Zij heeft alleen maar onnodige intelligentietests afgenomen, zonder ook maar één gesprek met de cliënt te hebben gehad.

De basispsychologe heeft een rapport opgesteld dat enorm veel taal-, spel- en grammaticafouten bevatte. Daarnaast zijn er ook veel inhoudelijke gebreken. Er is een totale misdiagnose gesteld en een onjuist advies over de vervolgstappen gegeven. Dit is in een second opinion bevestigd.

Naar aanleiding van het rapport hebben de cliënt en zijn echtgenote vragen gesteld en op- en aanmerkingen gemaakt. Hierop kwam zeven weken lang geen schriftelijke reactie van de zorgaanbieder.
In een telefoongesprek heeft de basispsychologe gezegd dat het rapport niet zou worden aangepast en dat de kritiekpunten van de cliënt en zijn echtgenote alleen maar als bijlage zou worden toegevoegd. Omdat de cliënt en zijn echtgenote geen inhoudelijk antwoord kregen op de door hen gestelde vragen, hebben zij het gesprek beëindigd.

De cliënt heeft de indruk dat het rapport in eerste instantie vooral is geschreven voor de universiteit. De basispsychologe is daaraan voor haar opleiding tot GZ-psychologe verbonden. Weliswaar heeft de cliënt bij aanvang toestemming gegeven voor het toegankelijk maken van zijn geval voor de universiteit. De basispsychologe heeft daarbij de indruk gewekt dat professionals zouden meekijken en -denken. Hij heeft haar nooit toestemming gegeven voor het gebruik van het rapport voor eigen studiedoeleinden.

De cliënt is het niet eens met de declaraties die de zorgaanbieder bij de zorgverzekeraar heeft ingediend.
Er zijn in totaal 39 declaraties ingediend, waarvan er 26 zijn afgewezen.

De cliënt is ook niet tevreden over het klachttraject bij de zorgaanbieder. De reactie op de klacht staat vol onwaarheden en irrelevante informatie. De hele zaak heeft bij de cliënt en zijn echtgenote grote emotionele schade aangericht. Zij hebben er geen vertrouwen meer in dat een psycholoog de cliënt kan helpen.

De cliënt verzoekt hem een vergoeding van € 9.880,96 toe te kennen (ziektekosten, eigen risico en reiskosten). Daarnaast een compensatie voor de tijdsbesteding om zijn klacht goed in kaart te brengen en te onderbouwen. Ook wil hij een vergoeding voor door hem geleden immateriële schade.

Standpunt van de zorgaanbieder

Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Tussen september en december 2024 heeft onderzoek bij de zorgaanbieder plaatsgevonden. De onderzoeksvraag was gericht op diagnostisch onderzoek. Dit om zicht te krijgen op de klachten van de cliënt en om een passend behandeladvies te kunnen geven.

De werkzaamheden zijn verricht door een (basis)psychologe in opleiding tot GZ-psychologe, onder supervisie van een GZ-psychologe. Er vond wekelijks werkbegeleiding plaats, ook op casusniveau. De basispsychologe kreeg ook tweewekelijks supervisie diagnostiek door een klinisch psycholoog. Verder besprak de basispsychologe het diagnostiekproces binnen de GZ-opleiding met haar docenten en tijdens de lessen bij de universiteit. In het kader van die opleiding heeft zij de casus van de cliënt geanonimiseerd gebruikt. Dit is ook met de cliënt besproken.

De basispsychologe was bevoegd de werkzaamheden onder supervisie uit te voeren. Daarbij kwam haar professionele autonomie toe. Zij heeft naar eer en weten gehandeld, zorgvuldig onderzoek verricht en haar bevindingen neergelegd in een conceptrapport dat met de cliënt en zijn echtgenote is gedeeld. Dat de cliënt zich niet kan verenigen met de bevindingen en deze als vervelend heeft ervaren, wil niet zeggen dat het onderzoek of het resultaat daarvan fout is.

De zorgaanbieder betwist uitdrukkelijk dat hij tekort is geschoten in de nazorg gedurende of na het traject. Telkens is de moeite genomen om toelichting te geven op het conceptrapport en vragen van de cliënt en zijn echtgenote te beantwoorden.

De zorgaanbieder heeft alleen de daadwerkelijk gemaakte werktijd bij de zorgverzekeraar gedeclareerd. De cliënt kan niet verlangen dat de zorgaanbieder zorggelden aan de zorgverzekeraar terugbetaalt.
Er is ook geen reden tot het betalen van een schadevergoeding aan de cliënt, omdat er geen sprake is van enige tekortkoming van de zorgaanbieder. De cliënt heeft de schade bovendien niet onderbouwd.

De zorgaanbieder vindt de wijze waarop de cliënt en zijn echtgenote hun klachten hebben geuit, onbehoorlijk. De klachten lijken (voor een deel) te zijn ingegeven vanuit de echtgenote van de cliënt met wie de zorgaanbieder geen behandelrelatie heeft.

De zorgaanbieder vindt het ook ongepast dat de cliënt en zijn echtgenote tot tweemaal toe contact hebben opgenomen met de universiteit. Daarbij hebben zij de reputatie van de basispsychologe ten onrechte door het slijk gehaald.

De zorgaanbieder verzoekt de commissie de cliënt in zijn klacht en verzoek om schadevergoeding niet-ontvankelijk te verklaren, althans zijn klacht ongegrond te verklaren en zijn verzoek om schadevergoeding af te wijzen, met veroordeling van de cliënt in de kosten van deze procedure.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

Toetsingskader
De overeenkomst die de cliënt met de zorgaanbieder heeft gesloten, betreft een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Op grond van de behandelingsovereenkomst die de cliënt met de zorgaanbieder is aangegaan, moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (het goed hulpverlenerschap uit artikel 7:453 van het BW). Het goed hulpverlenerschap houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

Aanhouding
Tijdens de behandeling van 23 juli 2026 is de commissie tot het inzicht gekomen dat zij over onvoldoende feitelijke informatie beschikt om tot een eindoordeel te kunnen komen. Op grond van de haar thans ter beschikking staande informatie kan de commissie niet (met voldoende zekerheid) beoordelen of de zorgaanbieder al dan niet aan de op hem rustende verplichtingen heeft voldaan. Om een juiste en afgewogen beslissing te kunnen nemen, heeft de commissie de behoefte om nadere vragen aan partijen te stellen. De commissie acht het daarom noodzakelijk om een mondelinge behandeling te houden. Daarvoor zullen partijen door het secretariaat van de commissie worden uitgenodigd.

De onderwerpen die tijdens deze mondelinge behandeling in ieder geval aan de orde zullen komen, zijn de volgende;

– duiding en afbakening van de klachten van de cliënt;
– de bevoegdheden van de betrokken behandelaren, te weten: de basispsychologe [naam psychologe] en de regiebehandelaar [naam].
– de (inhoud van de) behandelingsovereenkomst en de eventuele bijstelling daarvan;
– de leer-/opleidingsovereenkomst van de zorgaanbieder met de universiteit;
– het concept/definitieve rapport;
– de gestelde diagnose.

Gelet op het voorgaande zal de commissie iedere verdere beslissing aanhouden.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie:

– zal door haar secretariaat een datum laten bepalen voor een nadere mondelinge behandeling en beide partijen daarvoor laten uitnodigen;
– houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Zorg Algemeen, bestaande uit de heer mr. J.M.P. Drijkoningen, voorzitter, de heer drs. D.J.L. Jonker en de heer mr. R.P. Gerzon, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. drs. I.M. van Trier, secretaris, op 23 juli 2026.