Commissie: Ziekenhuizen
Categorie: (On)Zorgvuldig handelen
Jaartal: 2026
Soort uitspraak: bindend advies
Uitkomst: ten dele gegrond
Referentiecode:
1324148/1337555
De uitspraak:
Waar gaat deze uitspraak over?
Deze zaak gaat over een vrouw die kort na haar bevalling en een spoedkeizersnede in juni 2023 klachten kreeg, waaronder koorts en een infectie. Zij vond dat het ziekenhuis haar te vroeg had laten overstappen van antibiotica via een infuus naar antibiotica in tabletvorm, haar te vroeg naar huis had gestuurd, onvoldoende naar haar had geluisterd en haar tijdens het ontslag en de heropname onvoldoende zorgvuldig en empathisch had behandeld. Ook was zij ontevreden over de manier waarop haar klacht later intern door het ziekenhuis was afgehandeld. De commissie oordeelt dat het ziekenhuis inderdaad niet volgens het eigen protocol heeft gehandeld bij de overgang van intraveneuze naar orale antibiotica, omdat deze stap werd gezet voordat duidelijk was voldaan aan de daarvoor geldende voorwaarden en zonder voldoende onderbouwing in het dossier. Om die reden is dit onderdeel van de klacht gegrond. Voor de overige klachten, waaronder het ontslag uit het ziekenhuis, de communicatie en bejegening, de heropname en de interne klachtenprocedure, ziet de commissie onvoldoende bewijs dat het ziekenhuis onzorgvuldig of verwijtbaar heeft gehandeld. Ook kan niet worden vastgesteld dat de gemaakte fout heeft geleid tot de wondinfectie, de heropname of de psychische klachten van klaagster. Daarom wijst de commissie het verzoek om een schadevergoeding van € 25.000 af. Wel moet het ziekenhuis het door klaagster betaalde klachtengeld van € 127,50 terugbetalen.
De volledige uitspraak
in het geschil tussen
[Naam], wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: klaagster)en
Stichting Gelre Ziekenhuizen, gevestigd te Apeldoorn
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).
Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.
De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.
De behandeling heeft plaatsgevonden op 3 september 2026 te Utrecht. Klaagster is verschenen samen met haar partner, [naam]. Namens de zorgaanbieder zijn verschenen [naam], jurist en [naam], medisch manager van Gynaecologie en Verloskunde (digitaal) en haar gemachtigde, [naam], advocaat.
Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft het handelen van de zorgaanbieder rondom het ontslag en heropname van klaagster na haar bevalling in juni 2023 en bij de interne klachtafhandeling.
Standpunt van klaagster
Voor het standpunt van klaagster verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dit op het volgende neer.
Op 31 mei 2023 werd de bevalling van klaagster ingeleid wegens hypertensie. Na een gecompliceerd verloop en een spoedkeizersnede, ontwikkelde klaagster postoperatief koorts en rillingen. Hiervoor werd intraveneuze antibiotica gestart. Tijdens de opname was zij vermoeid en suf. Rond het moment van ontslag op 5 juni waren er meerdere zorgwekkende medische signalen. Desondanks werd besloten tot ontslag, terwijl klaagster niet 24 uur koortsvrij was en met medicatie die niet volgens protocol is voorgeschreven. Tijdens het ontslaggesprek voelde klaagster zich erg onder druk gezet. Door haar fysieke toestand kon zij alleen aangeven dat het niet goed met haar ging. Klaagster voelde zich niet gehoord en onvoldoende serieus genomen. Communicatie was gebrekkig en beslissingen werden onvoldoende transparant gecommuniceerd. Kort na ontslag verslechterde de toestand van klaagster, wat leidde tot een heropname op 9 juni 2023. Ook deze heropname verliep chaotisch: klaagster moest langdurig wachten in een kleine ruimte ondanks hevige pijnklachten. De communicatie over bevindingen en het verdere beleid was onduidelijk en summier. De bejegening is als kil en weinig empathisch ervaren. Dit alles heeft geleid tot blijvende emotionele en psychische klachten waarvoor klaagster onder behandeling is geweest en waardoor haar vertrouwen in de zorg ernstig is geschaad.
Klaagster meent dat er onvoldoende zorgvuldig is gehandeld, zowel medisch als communicatief, en dat dit heeft bijgedragen aan haar heropname en langdurige klachten.
Tot slot is de communicatie met de klachtenfunctionaris niet goed verlopen, waarbij klaagster zich niet gehoord voelde en haar klacht niet serieus werd opgepakt. Gesprekken met haar hebben voor veel verwarring gezorgd en niets opgeleverd. De komst van de nieuwe klachtenfunctionaris heeft wel een goed gesprek opgeleverd, maar het vertrouwen van klaagster is geschaad, zodat zij besloten heeft tot indiening van de klacht. Klaagster verzoekt een schadevergoeding toe te kennen voor materiële en immateriële schade.
Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dit op het volgende neer.
Bij het ontslag na de eerste opname is medisch verantwoord en zorgvuldig gehandeld. Ten tijde van het ontslag was klaagster klinisch niet ziek en had zij al meer dan 24 uur geen koorts. De incidentele temperatuurverhogingen op 3 en 4 juni werden gevolgd door meerdere normale temperatuurmetingen.
Dit rechtvaardigde de overgang van intraveneuze naar orale antibiotica. De voorgeschreven antibiotica waren adequaat; klaagster kreeg zelfs een hogere dosering dan gebruikelijk.
Ook is sprake geweest van voldoende nazorg en een vangnet. Klaagster heeft na het ontslag nog een nacht op de kinderafdeling verbleven en is de volgende dag gecontroleerd door een verpleegkundige en verloskundige. Daarbij werd opnieuw een normale temperatuur vastgesteld. Ook waren afspraken gemaakt met de eerstelijns verloskundige en de huisarts over het controleren van de bloeddruk. Dat na het ontslag alsnog een wondinfectie ontstond, betekent niet dat het ontslag onzorgvuldig was.
Ten aanzien van de communicatie en bejegening stelt de zorgaanbieder dat de door klaagster beschreven ervaringen niet worden herkend en niet uit het medisch dossier blijken. De zorgaanbieder erkent dat communicatie door patiënten anders kan worden ervaren dan door zorgverleners is bedoeld en betreurt dat klaagster de opname en het ontslag als onprettig heeft ervaren. Tijdens de heropname is, mede naar aanleiding van door klaagster als traumatisch ervaren bevalling en opname, maatschappelijk werk ingeschakeld. Tijdens die heropname is extra aandacht aan klaagster besteed en kon zij langer blijven totdat zij zich voldoende vertrouwd voelde om naar huis te gaan. Een later gewenst gesprek met de destijds betrokken arts-assistent kon niet worden georganiseerd omdat deze inmiddels in het buitenland werkzaam was. Door het verstreken tijdsverloop en de verschillende lezingen kan niet meer worden vastgesteld wat precies is gezegd en gebeurd.
Wat betreft de gevraagde schadevergoeding van € 25.000,- voert de zorgaanbieder aan dat klaagster niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van geestelijk letsel dat juridisch kan worden aangemerkt als een aantasting in de persoon in de zin van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW). De door haar genoemde angst-, stress- en herbelevingsklachten zijn onvoldoende om een dergelijke persoonsaantasting aan te nemen. Bovendien is niet aangetoond dat deze klachten uitsluitend door of in causaal verband met de verweten gedragingen zijn ontstaan. Daarbij wijst de zorgaanbieder erop dat de zwangerschap en bevalling moeizaam zijn verlopen en dat angst en stress ook bij jonge ouders kunnen voorkomen wanneer moeder of kind een moeilijke start heeft gehad. Ook ontbreekt voldoende onderbouwing van de gestelde schade. Het verzoek om schadevergoeding dient daarom te worden afgewezen.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
Toetsingskader
Op grond van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet het ziekenhuis bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 van het BW). Deze zorgplicht houdt in dat het ziekenhuis die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.
De verplichting die voor een hulpverlener (in dit geval: de zorgaanbieder) voortvloeit uit een geneeskundige behandelingsovereenkomst wordt in beginsel niet aangemerkt als een resultaatsverplichting, waarbij de hulpverlener moet instaan voor het bereiken van een bepaald resultaat, maar als een inspanningsverplichting, waarbij de hulpverlener zich verplicht zich voor het bereiken van een bepaald resultaat in te spannen.
De reden hiervoor is dat het bij een geneeskundige behandeling meestal niet mogelijk is een bepaald resultaat te garanderen, omdat het menselijk lichaam in het (genezings-)proces een ongewisse factor vormt; zelfs bij onberispelijk medisch handelen kan het beoogde resultaat uitblijven. Van een tekortkoming kan dan ook pas worden gesproken indien komt vast te staan dat de hulpverlener zich onvoldoende heeft ingespannen of bij de inspanning een fout heeft gemaakt. Voor de aansprakelijkheid van de zorgaanbieder is vereist dat voldoende aannemelijk is dat de zorgaanbieder tekort is geschoten in de nakoming dan wel de uitvoering van de behandelingsovereenkomst. De aanwezigheid van een fout of nalaten is een vereiste voor aansprakelijkheid van de zorgaanbieder. De tekortkoming moet aan de zorgaanbieder kunnen worden verweten en de patiënt moet door deze tekortkoming nadeel zijn toegebracht.
Klaagster heeft een klacht ingediend over de behandeling en bejegening tijdens en na haar bevalling, alsmede over de wijze waarop haar klacht vervolgens intern is behandeld.
De commissie heeft voor de leesbaarheid de klacht onderverdeeld in vijf klachtonderdelen te weten:
1. De overgang van intraveneuze naar orale antibiotica
2. Het ontslag van klaagster op 5 juni 2023
3. Communicatie en bejegening
4. De heropname op 9 juni 2023
5. De interne klachtenprocedure
Deze onderdelen worden hieronder afzonderlijk behandeld.
Ad 1. De overgang van intraveneuze naar orale antibiotica
Tussen partijen staat vast dat klaagster een dag na de keizersnede koorts en rillingen heeft ontwikkeld en daarvoor intraveneuze antibiotica kreeg. Uit het dossier blijkt dat de ontstekingswaarden verhoogd waren en op het moment van ontslag nauwelijks waren gedaald. Daar staat tegenover dat klaagster op dat moment geen koorts had, dat meerdere temperatuurmetingen normaal waren en dat zij klinisch geen zieke indruk maakte. De commissie stelt echter vast dat bij de overgang van intraveneuze naar orale antibiotica niet overeenkomstig het binnen de zorgaanbieder eerder vastgestelde en geldende beleid is gehandeld.
Uit dit beleid volgt immers dat eerst na een periode van ten minste 24 uur zonder koorts op orale antibiotica wordt overgegaan. In het geval van klaagster is blijkens de notities in het dossier echter eerder tot deze overgang besloten. De commissie begrijpt dat er op dat moment verschillende omstandigheden waren die voor de behandelaars aanleiding konden geven om de behandeling aan te passen. De afwezigheid van koorts en het klinisch beeld vormden daarvoor relevante omstandigheden. Dat neemt echter niet weg dat van het geldende beleid is afgeweken en dat voor de verpleegkundige(n) en patiënte onduidelijkheid bestond over het aangepaste beleid. Indien in een individueel geval aanleiding bestaat om van het (eigen) beleid af te wijken, mag van de zorgverlener worden verwacht dat hiervoor een voldoende duidelijke medische onderbouwing bestaat die ook wordt vastgelegd in het dossier en dat, waar nodig, aanvullende waarborgen worden ingebouwd. Daarvan is de commissie in dit geval onvoldoende gebleken.
Dit klachtonderdeel is daarom gegrond.
Ad 2. Het ontslag
Klaagster verwijt de zorgaanbieder tevens dat zij te vroeg is ontslagen. De commissie maakt hierbij onderscheid tussen de beslissing om over te gaan op orale antibiotica en de beslissing om klaagster uit het ziekenhuis te ontslaan. Zoals hiervoor overwogen, is de commissie van oordeel dat bij de overgang naar orale antibiotica niet overeenkomstig het eigen geldende beleid is gehandeld. Dat betekent echter niet zonder meer dat ook de beslissing om klaagster te ontslaan medisch onverantwoord was. Ten tijde van het ontslag was klaagster koortsvrij en waren meerdere normale temperatuurmetingen verricht. Hoewel de ontstekingswaarden nog verhoogd waren, maakte klaagster klinisch geen zieke indruk. Daarnaast was voorzien in controle en nazorg na het ontslag. De commissie kan achteraf niet vaststellen dat een langer verblijf in het ziekenhuis een infectie zou hebben voorkomen. Evenmin kan worden vastgesteld dat de wondinfectie bij een verblijf van nog één nacht eerder zou zijn ontdekt of dat de heropname daarmee zou zijn voorkomen. Een wondinfectie kan zich immers ook ontwikkelen terwijl een patiënt antibiotica gebruikt en kan zich pas later klinisch manifesteren.
De commissie acht het daarom niet aannemelijk dat de heropname op 9 juni 2023 het gevolg is geweest van een onzorgvuldig ontslag. Dat klaagster en haar echtgenoot achteraf bezien graag hadden gezien dat zij nog een nacht in het ziekenhuis had kunnen blijven, is begrijpelijk. De commissie kan echter op basis van het dossier en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht niet vaststellen dat er op het moment van ontslag een medische noodzaak bestond om klaagster langer opgenomen te houden. Dit onderdeel van de klacht is daarom ongegrond.
Ad 3. Communicatie en bejegening
Klaagster heeft de communicatie en bejegening tijdens de opname en het ontslag als onvoldoende, kil en weinig empathisch ervaren. Zij stelt dat zij zich onder druk gezet, niet gehoord en niet serieus genomen voelde. De zorgaanbieder herkent deze lezing niet. Uit het medisch dossier blijkt evenmin dat klaagster tijdens het ontslag op de door haar beschreven wijze onder druk is gezet. De arts die ter zitting is gehoord, was niet bij het ontslaggesprek aanwezig. Uit de gebruikelijke werkwijze volgt dat het ontslag wordt besproken door de arts-assistent en verpleegkundige en dat bij twijfel overleg met de supervisor plaatsvindt. Er zijn onvoldoende aanwijzingen dat een dergelijke twijfel zich in dit geval heeft voorgedaan.
De commissie heeft begrip voor het feit dat klaagster het ontslag, gelet op haar lichamelijke toestand en het ingrijpende verloop van de bevalling, als zeer belastend heeft ervaren. Dat betekent echter niet dat de commissie achteraf kan vaststellen dat de betrokken zorgverleners haar daadwerkelijk onvoldoende serieus hebben genomen of zich onvoldoende empathisch hebben opgesteld. Bij de beoordeling van dit onderdeel speelt bovendien een rol dat partijen een verschillende lezing hebben van hetgeen tijdens de gesprekken is gezegd en dat, mede gelet op het tijdsverloop, niet meer objectief kan worden vastgesteld wat zich precies heeft afgespeeld. De commissie kan daarom niet vaststellen dat de communicatie of bejegening zodanig tekort is geschoten dat sprake is van verwijtbaar handelen. Dit klachtonderdeel is ongegrond.
Ad 4. De heropname
Klaagster heeft de heropname op 9 juni 2023 als zeer belastend ervaren. Zij beschrijft onder meer dat zij langdurig in een kleine ruimte heeft moeten wachten terwijl zij hevige pijn had en dat de communicatie over de bevindingen en het verdere beleid onvoldoende duidelijk was. De commissie heeft begrip voor de impact die deze ervaring op klaagster heeft gehad. De commissie dient echter te beoordelen of uit hetgeen naar voren is gebracht kan worden geconcludeerd dat de zorg tijdens de heropname onder de maat is geweest. Daarvoor biedt het dossier onvoldoende aanknopingspunten. Evenmin kan de commissie vaststellen dat de omstandigheden tijdens de heropname het gevolg waren van het eerder geconstateerde handelen ten aanzien van de antibiotica of van het ontslag. Hoewel de commissie begrijpt dat de heropname voor klaagster een belangrijk en belastend onderdeel van haar ervaring is geweest, kan daaruit op zichzelf geen verwijtbaarheid van de zorgaanbieder worden afgeleid. Dit onderdeel van de klacht is ongegrond.
Ad 5 De interne klachtenprocedure
Klaagster heeft kritiek geuit op de wijze waarop haar klacht intern is behandeld. Zij heeft de communicatie met de klachtenfunctionaris als onbevredigend ervaren en stelt dat zij zich niet gehoord voelde.
Uit de stukken blijkt dat klaagster op 12 februari 2025 haar klacht heeft ingediend bij de zorgaanbieder.
Op 15 februari 2024 heeft het eerste contact met klachtenfunctionaris plaatsgevonden.
Op 19 december 2024 is de klacht in overleg met klaagster gesloten bij de zorgaanbieder en is zij geïnformeerd over mogelijke vervolgstappen. De commissie stelt vast dat de interne behandeling van de klacht geruime tijd heeft geduurd. Uit de stukken blijkt echter niet dat klaagster gedurende die periode kenbaar heeft gemaakt dat zij de interne klachtenprocedure op dat moment wilde afronden. Evenmin is gebleken dat de klachtenfunctionaris haar klacht niet serieus heeft genomen of haar op onheuse wijze heeft bejegend.
De commissie neemt daarbij in aanmerking dat uiteindelijk, mede met de komst van een nieuwe klachtenfunctionaris, een gesprek heeft plaatsgevonden dat door klaagster als positief is ervaren. Dat het interne traject voor klaagster niet tot de door haar gewenste uitkomst heeft geleid en dat zij verwarring heeft ervaren over de verschillende gesprekken, is begrijpelijk, maar is onvoldoende om te concluderen dat de klachtenfunctionaris verwijtbaar heeft gehandeld. De commissie acht dit klachtonderdeel daarom ongegrond.
Schadevergoeding
Klaagster heeft verzocht om een schadevergoeding van € 25.000,- wegens materiële en immateriële schade.
De commissie stelt voorop dat zij slechts dan aanleiding kan zien tot het toekennen van een vergoeding indien voldoende aannemelijk is dat sprake is van schade die het gevolg is van een aan de zorgaanbieder toe te rekenen tekortkoming. De commissie heeft hiervoor geoordeeld dat het klachtonderdeel over de te vroege overgang van intraveneuze naar orale antibiotica gegrond is.
De commissie heeft echter niet kunnen vaststellen dat deze handelwijze heeft geleid tot de wondinfectie, de heropname of de door klaagster gestelde langdurige klachten. Klaagster kreeg reeds antibiotica en na de heropname is de antibioticabehandeling opnieuw intraveneus voortgezet. Dat de infectie ondanks het gebruik van antibiotica is ontstaan, maakt op zichzelf niet aannemelijk dat deze infectie het gevolg was van de eerdere overgang van intraveneuze naar orale antibiotica.
Ook kan niet worden vastgesteld dat de heropname zou zijn voorkomen indien de intraveneuze antibiotica langer waren voortgezet of indien klaagster een nacht langer in het ziekenhuis was gebleven.
De commissie heeft voorts onvoldoende objectieve gegevens ontvangen waaruit volgt dat de door klaagster genoemde psychische klachten in juridisch relevante zin het gevolg zijn van de gegrond bevonden tekortkoming. De commissie heeft alle begrip voor de ingrijpende en emotioneel belastende ervaringen die klaagster rond de bevalling, de opname en de heropname heeft gehad. Dat betekent echter niet dat iedere nadelige ervaring of ieder psychisch gevolg juridisch aan de zorgaanbieder kan worden toegerekend. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom afgewezen
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie;
– verklaart de klacht gedeeltelijk gegrond voor wat betreft het vroegtijdig overstappen op orale antibiotica en voor het overige ongegrond;
– veroordeelt de zorgaanbieder tot terugbetaling aan klaagster van het door haar betaalde klachtengeld van € 127,50, te voldoen binnen vier weken na ontvangst van deze uitspraak;
– wijst af de vordering tot schadevergoeding.
Overeenkomstig het reglement van de commissie is de zorgaanbieder aan de commissie behandelingskosten verschuldigd. Deze behandelingskosten worden geheel betaald.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit mevrouw mr.
S.W.M. Speekenbrink, voorzitter, de heer dr. A.B. Hooker, de heer mr. R.P. Gerzon, leden,
in aanwezigheid van mevrouw mr. M. Gardenier, secretaris, op 3 september 2026.