Ziekenhuis had ernstige pijnklachten na polsbreuk beter moeten onderzoeken

De Geschillencommissie Zorg




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: Medische fouten    Jaartal: 2026
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ten dele gegrond   Referentiecode: 1321036/1331737

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Een vrouw heeft een klacht ingediend tegen het IJsselland Ziekenhuis over de behandeling van haar hand en pols na een scooterongeluk op Bali. In augustus 2024 werd in het ziekenhuis een breuk in haar pols vastgesteld en kreeg zij gips. De vrouw bleef echter veel pijn houden, vooral bij haar duim. Later ontdekte een andere kliniek dat er ook een klein barstje in het bot bij haar duim zat. De vrouw vindt dat het ziekenhuis dit eerder had moeten zien en dat zij door de verkeerde behandeling extra pijn en mogelijk peesproblemen heeft gekregen. Ook voelde zij zich niet serieus genomen door de artsen. De Geschillencommissie Ziekenhuizen oordeelt dat het missen van het kleine barstje op de röntgenfoto niet automatisch een medische fout is. Ook is niet bewezen dat het ziekenhuis peesletsel of een pijnsyndroom heeft veroorzaakt. Wel had het ziekenhuis op 6 september 2024 beter moeten reageren toen de vrouw opnieuw ernstige pijn meldde. Een ervaren arts had haar klachten opnieuw moeten onderzoeken en zo nodig nieuwe foto’s moeten laten maken. Omdat dit niet gebeurde, heeft het ziekenhuis onvoldoende zorgvuldig gehandeld. De commissie verklaart dit onderdeel van de klacht gegrond en de overige onderdelen ongegrond. De gevraagde schadevergoeding wordt afgewezen, omdat niet is bewezen dat het gebrek aan extra onderzoek de schade heeft veroorzaakt. Het ziekenhuis moet wel € 77,50 aan klachtengeld terugbetalen.

De volledige uitspraak

in het geschil tussen

[naam] wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: klaagster)

en

IJsselland Ziekenhuis, gevestigd te Capelle aan den IJssel
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil

Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 16 juni 2026 te Utrecht. Partijen zijn digitaal ter zitting verschenen en hebben hun standpunt nader toegelicht. De zorgaanbieder werd daarbij vertegenwoordigd door [naam] (stafmedewerker klachtenmanagement) en [naam] (klachtenmedewerker).

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft de behandeling van hand- en polsletsel na een val. Klaagster verwijt de zorgaanbieder dat een fractuur in de duimbasis is gemist waardoor zij een verkeerde behandeling heeft ontvangen die heeft geleid tot veel pijn, peesletsel en een vertraging in herstel.

Standpunt van klaagster

De klacht van klaagster betreft verschillende fouten die zijn gemaakt op de afdeling chirurgie in het ziekenhuis van de zorgaanbieder in de periode van 22 augustus 2024 tot en met 20 september 2024. Daarbij is klaagster niet tevreden over de afhandeling van haar klacht in de periode daarna.

Klaagster heeft zich vanwege de val van een scooter op Bali na terugkeer in Nederland op 22 augustus 2024 in het ziekenhuis van de zorgaanbieder gemeld voor behandeling en zorg. Uit röntgenfoto’s bleek dat sprake was van een scaphoid fractuur (een breuk van de handwortelbeentjes). Genoteerd werd dat er geen andere fracturen waren.

Op de gipsafdeling werd de onderarm van klaagster in het gips gezet waarbij haar duim grotendeels vrij werd gelaten. Op 26 augustus 2024 werd het gips eraf gehaald en werden de hechtingen, die op Bali waren geplaatst, verwijderd. Vervolgens werd de onderarm van klaagster weer ingegipst, ditmaal strakker dan de keer ervoor. Klaagster had veel meer pijn in haar duim en hand dan voordat het gips op 22 augustus 2024 was geplaatst. Klaagster kon geen goede houding vinden voor haar hand en sliep nauwelijks meer.

Op 2 september 2024 heeft klaagster gebeld met de gipskamer en haar pijnklachten gemeld. Klaagster mocht langskomen en een arts assistent heeft een paar hechtingen verwijderd die volgens haar de pijn verklaarden. Ondanks het nadrukkelijke verzoek van klaagster mocht haar duim echter niet worden ingegipst. Vanwege de aanhoudende pijn mocht klaagster op 6 september 2024 terugkomen in de gipskamer en werd haar duim eindelijk ingegipst. Dit maakte de pijn wat dragelijker.

Op 20 september 2024 werd het gips verwijderd en werd geconstateerd dat de breuk voldoende hersteld was. Omdat de hand en pols nog erg broos en pijnlijk aanvoelden vroeg klaagster om een brace. Dit werd geweigerd “want dat was niet het beleid”. De medewerkers van de zorgaanbieder gaven klaagster het gevoel dat zij een aansteller was. De houding was steeds afwijzend en neerbuigend.
De dagen na de gipsverwijdering deed klaagster steeds trouw de oefeningen die zij had meegekregen maar het ging al snel veel slechter met haar pols en hand.

Met een verwijzing van haar huisarts heeft klaagster op 25 september 2024 een afspraak gemaakt bij de ‘Kliniek voor de Hand’. De arts van die kliniek heeft de pols onderzocht en foto’s gemaakt. Uit dit onderzoek bleek dat naast een scaphoid fractuur tevens sprake was van een trapeziumfractuur (een breuk in het handwortelbeentje dat zich onder de basis van de duim bevindt) en beginnende CRPS (Complex Regionaal Pijn Syndroom). De arts vond de situatie zeer ernstig en heeft klaagster een spalk aangemeten waarmee meteen vrijwel alle pijn verdween. Ook werd intensieve handtherapie voorgeschreven.

Op 10 oktober 2024 werd klaagster gebeld door het ziekenhuis voor een telefonische nacontrole. Klaagster heeft de hele situatie en het missen van de breuk uitgelegd. Op 11 oktober 2024 werd klaagster gebeld door [naam], hoofd van de afdeling chirurgie van het ziekenhuis. [Naam] klonk gehaast en vroeg klaagster haar verhaal op papier te zetten en naar de klachtafdeling van het ziekenhuis te mailen “om te voorkomen dat hij lang met klaagster aan de telefoon zou zitten”. Het gesprek verliep onplezierig maar [naam] erkende wel dat er een fractuur te zien was op de foto. In een reactie op de klacht van klaagster heeft [naam] de klachten (grotendeels) erkend. Klaagster is dan ook van mening dat het ziekenhuis haar aansprakelijkheid had moeten erkennen en klaagster een passende schadevergoeding had moeten bieden. De verzekeraar van het ziekenhuis, Medirisk, heeft de aansprakelijkheid echter afgewezen.

Klaagster vraagt de commissie dan ook om een uitspraak te doen over de handelwijze van het ziekenhuis en een oordeel te geven over de volgende klachtonderdelen:
1. Er is een fractuur/fissuur in de duimbasis gemist waardoor de duim van klaagster ten onrechte niet is ingegipst;
2. Doordat het gips drukte op de pees van de pijnlijke pols heeft klaagster klachten ontwikkeld van CRPS/dystrofie;
3. De diagnose Quervain (een pijnlijke hand en pols, veroorzaakt door een irritatie of peesontsteking aan de duimzijde van de pols) is gemist;
4. Er is verzuimd naar de pees van de pols te kijken;
5. Er is verzuimd om een senior arts naar klaagster te laten kijken en nogmaals goed naar de gemaakte foto’s te kijken, ondanks haar klachten over de duim en de extreme pijn;
6. De wijze van bejegening door de verschillende artsen. De houding was bot en bagatelliserend.

Klaagster houdt de zorgaanbieder verantwoordelijk voor de onnodige pijn en de schade die zij heeft geleden en verlangt daarvoor een vergoeding. De materiële schade bedraagt € 6.176,22 en bestaat uit de reiskosten die klaagster heeft moeten maken voor de vele bezoeken aan het ziekenhuis van de zorgaanbieder en de handkliniek (€ 176,22) en het omzetverlies dat klaagster als advocaat heeft geleden door de vele uren die zij door pijn en ziekenhuisbezoek niet heeft kunnen werken (€ 6.000,–). De immateriële schade bestaat uit de onnodige pijn die klaagster heeft geleden, de slapeloze nachten door de pijn en de zorgen en angsten die zij heeft doorgemaakt vanwege het in de handkliniek geconstateerde peesletsel en de frustratie vanwege het ‘niet gehoord worden’ door het ziekenhuis. Klaagster vraagt de commissie hiervoor een vergoeding naar billijkheid vast te stellen.

Standpunt van de zorgaanbieder

Klaagster is op 13 augustus 2024 op Bali gevallen met een scooter. Aldaar zijn 15 hechtingen geplaatst in twee wonden in haar hand en pols. Er werd geen aanleiding gezien om een foto te maken omdat er geen verdenking op een fractuur bestond.

Klaagster presenteerde zich op 22 augustus 2024 via de afdeling radiologie op de afdeling chirurgie van het ziekenhuis met een geconstateerde scaphoid fractuur. Op basis van de uitslag van de foto en lichamelijk onderzoek werd in overleg met een supervisor besloten tot gipsimmobilisatie.
Na vier dagen kwam klaagster terug op de gipsafdeling vanwege pijn ter plaatse van de wond en niet zozeer ter plaatse van de breuk. Een deel van de hechtingen werd verwijderd en het gips werd gewisseld.
Op 2 september 2024 meldde klaagster zich weer met klachten van toenemende pijn, ook bij de duim. Het gips werd verwijderd en enkele resten van de hechtingen werden verwijderd. Klaagster kreeg nieuw gips. Op 6 september 2024 kwam klaagster retour bij de gipskamer omdat zij last had van haar duim en zij die graag geïmmobiliseerd wilde zien. Er werd vervolgens nieuw gips aangelegd ‘met de duim erin’.

Op 20 september 2024 werd klaagster gezien voor het verwijderen van het gips. Het ging goed met klaagster, de klachten leken op hun retour en klaagster had goed met het bewegen van de vingers geoefend. De functie van de pols en duim waren nog fors beperkt door stijfheid in combinatie met angst voor bewegen. Klaagster werd geadviseerd goed te oefenen met de oefeningen die werden meegegeven. Ook werd een belafspraak voor na drie weken afgesproken. Bij die belafspraak heeft klaagster haar klachten geuit aan de assistent arts en te kennen gegeven dat zij zich tot een hand- en polskliniek had gewend. Omdat [naam] als chirurg supervisor graag de zorg waar mogelijk wil verbeteren en de casus intern wilde bespreken heeft hij de dag erna, op 11 oktober 2024, telefonisch contact opgenomen met klaagster. De zorgaanbieder betreurt het dat klaagster zich in dat gesprek en in andere contacten niet gehoord of serieus genomen heeft gevoeld; dat is geenszins de bedoeling geweest. Met het verzoek om de klachten op papier te zetten heeft [naam] juist beoogd zoveel mogelijk aandacht aan de klachten van klaagster te kunnen geven.

Op de foto van 22 augustus 2024 is de fissuur (haarscheuring) in het trapezium niet gezien. Was deze wel waargenomen dan had een onderarmgips met duimimmobilisatie overwogen kunnen worden maar dit is geen gangbare praktijk. Het is niet gezegd dat het maken van nieuwe foto’s of het raadplegen van een seniorarts tot andere bevindingen of een ander behandelplan had geleid. Van enige dystrofie is in het ziekenhuis niet gebleken. Klaagster heeft zich na 20 september 2024 tot een handkliniek gewend. In oktober 2024 zijn daar klachten die mogelijk passen bij Quervain besproken, zo begrijpt de zorgaanbieder, maar klaagster was toen al geen patiënt meer van het ziekenhuis.

De zorgaanbieder stelt zich op het standpunt dat het herstel van de duim en de pijnklachten van klaagster niet zijn toe te schrijven aan onprofessioneel handelen van het ziekenhuis.

Beoordeling van het geschil

De commissie zal de klacht van klaagster beoordelen aan de hand van de klachtonderdelen die zij naar voren heeft gebracht.

Beoordelingskader
De overeenkomst die klaagster met de zorgaanbieder heeft gesloten, betreft een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Op grond van de behandelingsovereenkomst die klaagster met de zorgaanbieder is aangegaan, moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (het goed hulpverlenerschap uit artikel 7:453 van het BW). Het goed hulpverlenerschap houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.
De zorgplicht houdt in beginsel geen resultaatsverplichting in, maar wordt aangemerkt als een inspanningsverplichting. Van een tekortkoming kan dan ook pas worden gesproken indien komt vast te staan dat de zorgaanbieder zich onvoldoende heeft ingespannen of bij de inspanning een fout heeft gemaakt.

1.Er is een fractuur/fissuur in de duimbasis gemist waardoor de duim van klaagster ten onrechte niet is ingegipst;
Anders dan klaagster naar voren heeft gebracht is door het ziekenhuis geen fractuur gemist maar is, op de foto van 22 augustus 2024, een fissuur in het trapezium (de duimbasis) niet gezien. Een fissuur is een barstje in het bot. Dat een fissuur niet gezien wordt, is geen medische fout of onzorgvuldigheid; een barstje kan op een foto niet goed zichtbaar zijn. Klaagster verwijt de zorgaanbieder dat haar duim op 22 augustus 2024 ten onrechte niet (mede) is ingegipst. Voor de behandeling van een fissuur gelden echter geen vaste protocollen of voorschriften. Gekozen kan worden voor een afwachtend beleid (zelf herstellend vermogen) of gips voor meer rust en comfort. Voor de commissie is niet vast te stellen of een eerdere constatering van de fissuur tot een andere behandeling zou hebben geleid. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

2. Doordat het gips drukte op de pees van de pijnlijke pols heeft klaagster klachten ontwikkeld van CRPS/dystrofie;
Voor zover klaagster klachten heeft ontwikkeld van dystrofie, hetgeen op basis van het dossier niet is vast te stellen, dan is dit toe te schrijven aan de val van de scooter op Bali en het letsel dat klaagster daarbij heeft opgelopen en niet aan de behandeling die zij in het ziekenhuis van de zorgaanbieder heeft gevolgd. Anders dan klaagster naar voren heeft gebracht was op 25 september 2024 geen sprake van beginnende dystrofie. De diagnose in de handkliniek luidde: “Status na scaphoid met trapeziumfractuur, bijna volledig geconsolideerd, cave CPRS”. Met ‘cave CPRS’ wordt bedoeld dat opgelet moet worden op het ontwikkelen van CRPS (bij dit letsel) en niet dat op dat moment al sprake was van (beginnende) CRPS. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

3. De diagnose Quervain (een pijnlijke hand en pols, veroorzaakt door een irritatie of peesontsteking aan de duimzijde van de pols) is gemist;
Uit de stukken blijkt dat bij klaagster pas in oktober 2024 klachten naar voren zijn gekomen die mogelijk passen bij Quervain. Ook wat deze mogelijke klachten betreft geldt dat deze zijn toe te schrijven aan de val en het letsel en niet aan de behandeling door de zorgaanbieder. Na 20 september 2024 heeft klaagster zich niet meer gemeld in het ziekenhuis van de zorgaanbieder maar heeft zij zich voor verdere behandeling/nazorg tot een handkliniek gewend. De zorgaanbieder heeft dan ook geen diagnose gemist. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

4. Er is verzuimd naar de pees van de pols te kijken;
Zoals hiervoor onder 2. en 3. is toegelicht is van schade aan de pees van de duim naar de pols niet gebleken. Als het gips heeft gedrukt op de pees kan dat pijnlijk zijn en klachten van pijn, die zijn ontstaan door de val, verergeren, maar daarmee is geen sprake van medisch onzorgvuldig handelen. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

5. Er is verzuimd om een senior arts naar klaagster te laten kijken en nogmaals goed naar de gemaakte foto’s te kijken ondanks haar klachten over de duim en de extreme pijn;
Toen klaagster zich, nadat het gips van de onderarm op 2 september 2024 was vervangen, op 6 september 2024 opnieuw meldde met ernstige pijnklachten van de duim, had het op de weg van het ziekenhuis gelegen om nader onderzoek te doen en een senior arts mee te laten kijken naar de klachten. De foto’s van 22 augustus 2024 hadden opnieuw beoordeeld kunnen worden of er hadden nieuwe foto’s gemaakt kunnen worden. Pijn na het aanbrengen van gips is gebruikelijk maar een toename van pijnklachten na een gipswissel verlangt nader onderzoek naar de aard en oorzaak hiervan. [Naam] heeft erkend dat op 6 september 2024 opnieuw gekeken had moeten worden of de initiële gedachte en diagnose klopten en of er nieuwe bevindingen waren. Nu het ziekenhuis dit niet heeft gedaan heeft het ziekenhuis daardoor niet voldaan aan zijn zorgplicht ten opzichte van klaagster. Dit klachtonderdeel is gegrond.

6. De wijze van bejegening door de verschillende artsen. De houding was bot en bagatelliserend.
Klaagster verwijt de zorgaanbieder dat de houding van meerdere artsen en met name het telefoongesprek met [naam], weinig empathisch was en klaagster niet serieus werd genomen.
De commissie twijfelt niet aan de beleving van klaagster op dit punt. Over de houding van [naam] en de inhoud van het gesprek dat klaagster met hem heeft gevoerd kan de commissie echter geen uitspraak doen. Wat door partijen over en weer gezegd is tijdens een gesprek en hoe dat is ervaren en begrepen is objectief niet vast te stellen en een perceptie van de betrokkenen. Dit geldt eveneens voor de afspraken die klaagster met artsen/arts-assistenten heeft gehad in de gipskamer. De commissie overweegt dat in gevallen waarin de lezingen van partijen omtrent een klacht uiteenlopen en niet goed kan worden vastgesteld welke van beide lezingen het meest aannemelijk is, die klacht niet gegrond kan worden verklaard.

Conclusie
Resumerend is de commissie van oordeel dat de zorgaanbieder verwijtbaar heeft gehandeld door op 6 september 2024 niet een senior arts (mee) te laten kijken naar de klachten van klaagster en die niet nogmaals te onderzoeken en te beoordelen. Wat dat betreft heeft de zorgaanbieder zich onvoldoende voor klaagster ingespannen en niet aan zijn zorgplicht ten opzichte van klaagster voldaan. De klacht van klaagster is wat dit onderdeel betreft gegrond. Voor het overige is de klacht van klaagster ongegrond.

Schadevergoeding
Voor het toekennen van schadevergoeding is ten minste vereist dat de zorgaanbieder in enig opzicht toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de behandelingsovereenkomst en voorts dat er een causaal verband is tussen deze tekortkoming en de schade die is geleden. Door de klachten van klaagster niet eerder te laten beoordelen door een senior arts heeft de zorgaanbieder, zoals hiervoor is toegelicht, zich onvoldoende ingespannen voor klaagster. Het causale verband tussen die tekortkoming en de gevorderde schade ontbreekt echter. Voor de commissie is immers niet vast te stellen of het beloop van de genezing van het letsel van klaagster anders was geweest indien een andere arts haar klachten mede had beoordeeld en eventueel had gekozen voor een andere behandeling zoals het (eerder) ingipsen van de duim. Dat in de handkliniek die klaagster na 20 september 2024 heeft geconsulteerd is gekozen voor een nadere, aanvullende behandeling wil niet zeggen dat de zorgaanbieder bij de behandeling van klaagster een fout heeft gemaakt. Daarbij wordt aangetekend dat een medisch probleem veelal op meerdere manieren kan worden behandeld. Iedere behandelaar heeft een eigen behandelwijze of voorkeur voor een bepaalde behandelmethode zonder dat gezegd kan worden dat de ene methode beter is dan de andere. De genezing van een breuk na een val vraagt hersteltijd. De duur hiervan is niet alleen afhankelijk van de geboden behandeling maar eveneens en met name van patiëntgebonden factoren zoals de anatomie en fysiologie van de patiënt, therapietrouw en het individueel herstellend vermogen. Het verzoek tot het toekennen van schadevergoeding wordt daarom afgewezen. Omdat de klacht deels gegrond is zal de commissie wel bepalen dat de zorgaanbieder het klachtengeld aan klaagster dient te vergoeden.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie:

– verklaart klachtonderdeel 5 gegrond;
– verklaart de overige klachtonderdelen ongegrond;
– wijst het verzoek tot het toekennen van schadevergoeding af;
– bepaalt dat de zorgaanbieder overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 77,50 aan klaagster dient te vergoeden ter zake van het klachtengeld.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit mevrouw mr. A.D.R.M. Boumans, voorzitter, de heer prof. dr. J.A. van der Hage en de heer mr. R.P. Gerzon, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. J.C. Quint, secretaris, op 16 juni 2026.