Onzorgvuldig handelen zorgaanbieder; immateriële schadevergoeding toegewezen

De Geschillencommissie Zorg




Commissie: Zorg Algemeen    Categorie: Zorgplicht    Jaartal: 2026
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 1331942/1340552

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Cliënte stelde dat een zorgaanbieder gedurende ruim 2,5 jaar onzorgvuldig heeft gehandeld bij de diagnostiek, medicatieverstrekking, dossiervorming en informatieverstrekking aan haar huisarts en het UWV. De commissie oordeelt dat de zorgaanbieder onvoldoende heeft vastgelegd waarop de diagnoses waren gebaseerd, dat de dossiervorming tekortschiet en dat onvoldoende is aangetoond waarom de huisarts niet is geïnformeerd. Bovendien heeft de zorgaanbieder onzorgvuldig gehandeld door medische informatie aan het UWV te verstrekken zonder voldoende specifieke toestemming en zonder aantoonbare betrokkenheid van een arts. Wegens het gebrek aan causaal verband tussen de tekortkomingen en de financiële schade, wijst de commissie geen materiële schadevergoeding toe.  Wel acht zij echter aannemelijk dat de cliënte hierdoor psychische nadelige gevolgen heeft ondervonden. Daarom wordt een immateriële schadevergoeding van € 2.500 toegekend.

De volledige uitspraak

in het geschil tussen

[Naam] wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de cliënte)

en

NL-PSY BV, gevestigd te Hoogeveen
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil

Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Zorg Algemeen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 3 augustus 2026 te Utrecht.

Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen ter zitting te verschijnen. De cliënte was samen met haar vader ter zitting aanwezig. Namens de zorgaanbieder is digitaal ter zitting verschenen: [naam].

Onderwerp van het geschil

De cliënte heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder.

De cliënte verwijt de zorgaanbieder onzorgvuldig handelen. Meer in het bijzonder klaagt de cliënte over de volgende punten:

  1. er is sprake van onzorgvuldige diagnostiek, medicatieverstrekking en dossiervorming
  2. de huisarts van de cliënte heeft nooit een verslag van de behandelingen ontvangen
  3. er is zonder toestemming onjuiste informatie aan het UWV verzonden

De cliënte stelt dat haar gezondheid als gevolg van het onzorgvuldig handelen is verslechterd. Daarbij stelt zij door dit handelen schade te hebben geleden. Ze vordert daarom een schadevergoeding van € 25.000,-.

Standpunt van de cliënte

Voor het standpunt van de cliënte verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De cliënte is in juni 2023 door haar huisarts verwezen naar de zorgaanbieder, waar zij gedurende ruim 2,5 jaar in behandeling is geweest. Bij haar zijn in 2024 de diagnoses ADHD en PTSS gesteld. In 2025 heeft een nieuwe behandelaar vastgesteld dat geen sprake was van PTSS. Deze achteraf onjuist gebleken diagnose heeft tot veel verwarring geleid en bijgedragen aan een verslechtering van haar gezondheidstoestand.

De diagnostiek is onzorgvuldig geweest. Bij aanvang van de behandeling heeft de cliënte geen intakeverslag of onderbouwd behandelplan ontvangen en voor haar was onvoldoende inzichtelijk op welke gronden de diagnose ADHD is gesteld. Daarnaast is haar medicatie voor ADHD voorgeschreven, terwijl hier geen onderbouwing voor was, zodat zij inmiddels afhankelijk is geworden van deze medicatie. Er is voor deze medicatie geen afstemming geweest met haar huisarts, waardoor zij verschillende middelen door elkaar gebruikte. Dit heeft haar gezondheid is gevaar gebracht.

Ook is er sprake van gebrekkige dossiervorming, omdat zij nooit verslagen van haar behandelingen heeft ontvangen, zoals een intakeverslag. De huisarts van de cliënte beschikt ook niet over de verslaglegging van haar behandelingen.

Ondanks onduidelijke diagnostiek en het ontbreken van een onderbouwd behandelplan, heeft de zorgaanbieder zonder toestemming van de cliënte een prognose over haar gezondheid en de behandeltermijn naar het UWV gestuurd. De cliënte heeft deze prognose van tevoren niet ingezien en zij herkende zichzelf er ook niet in, aangezien deze inschatting niet in verhouding stond tot haar werkelijke situatie. Als gevolg van de prognose is haar uitkering verlaagd en moet zij – sneller dan zij aankan – re-integreren.

Dit alles heeft ertoe geleid dat de psychische klachten van de cliënte zijn verergerd, waardoor zij volledig arbeidsongeschikt is geraakt. Ze vordert een vergoeding van € 25.000,- voor het inkomensverlies als gevolg van de verlaagde uitkering, het feit dat ze daardoor aanspraak moest maken op het geld uit haar onderneming en spaarrekening, alsmede voor de immateriële schade die ze heeft geleden.

Standpunt van de zorgaanbieder

Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Diagnose en behandeling 
Het is te betreuren dat de diagnostische duidelijkheid voor de cliënte uitbleef, maar uit het dossier blijkt dat op basis van zelfrapportage, anamnestische gesprekken, het psychiatrisch onderzoek en de ontwikkelingsanamnese voor zover deze met de cliënte is besproken, er meer dan voldoende basis is om de diagnose ADHD te stellen.

De diagnose PTSS werd enige tijd later dan de diagnose ADHD gesteld op basis van de klachten die de cliënte ervaarde en de destijds geldende DSM-5 criteria. De diagnose kwam later te vervallen omdat de klachten van de cliënte niet meer voldeden aan de nieuwe DSM-5 criteria. Er is daarom geen sprake van het willekeurig stellen van diagnoses. Bovendien is er door de klinisch psycholoog een behandelplan gemaakt en met de cliënte gedeeld.

Het voorschrijven van medicatie is zorgvuldig verlopen. Afhankelijkheidsproblemen vanwege de voorgeschreven medicatie zijn door de zorgaanbieder nooit vastgesteld. Er zijn gedurende de behandeling weliswaar episodes van emotionele ontregeling geweest waarbij het een mogelijkheid was dat dit zou kunnen worden veroorzaakt door de medicatie waar de cliënte op was ingesteld, maar dit is nooit vastgesteld. Bovendien zijn er gedurende de behandeling lange periodes geweest van emotionele stabiliteit tijdens het gebruik van de medicatie. De cliënte meldde de afhankelijkheidsklachten pas na het indienen van de interne klachtenbrief in januari 2026, terwijl zij op 30 januari 2024 al was gestart met deze medicatie. De zorgaanbieder heeft als reactie op de klachtenbrief aangeboden om hier gesprekken over te voeren, maar daar is de cliënte niet op ingegaan.

Het delen van informatie met de huisarts 
De reden dat de huisarts nooit een behandelplan heeft ontvangen is dat hiervoor toestemming nodig is van de cliënte. Deze toestemming is niet terug te vinden in het dossier en daarom is het behandelplan nooit opgestuurd naar de huisarts.

Informatieverstrekking aan het UWV 
De cliënte stelt dat het UWV is geïnformeerd zonder haar toestemming, maar dat wordt betwist. De cliënte heeft zelf toestemming gegeven om het UWV te informeren. Het toestemmingsformulier bevindt zich in het dossier.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

Juridisch kader 

De rechtsverhouding tussen partijen is aan te merken als een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Op de grond van de behandelingsovereenkomst die cliënte met de zorgaanbieder is aangegaan, moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 BW). De zorgplicht houdt in dat de zorgaanbieder de zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot/hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht. Een onderdeel hiervan is het bijhouden van een dossier met betrekking tot de behandeling van de patiënt en diens gezondheidstoestand, de zogenoemde dossierplicht (artikel 7:454 BW).

Tegen de achtergrond van dit besliskader moet de commissie beoordelen of de zorgaanbieder tekort is geschoten in het nakomen van de zorgovereenkomst met de cliënte.

De cliënte heeft een aantal klachten aan de commissie voorgelegd. Deze zullen hierna achtereenvolgens worden besproken.

 

Onzorgvuldige diagnostiek 
De cliënte stelt dat de zorgaanbieder de diagnoses ADHD en PTSS heeft gesteld zonder dat deze  schriftelijk waren onderbouwd.

De commissie overweegt als volgt.

De zorgaanbieder heeft in zijn verweer toegelicht op welke gronden de diagnose ADHD tot stand is gekomen. Gelet op de verwijten van de cliënte had het op de weg van de zorgaanbieder gelegen zijn toelichting te onderbouwen met schriftelijke stukken. Dat heeft hij echter nagelaten. Het intakeverslag, behandelplan en andere stukken waarnaar de zorgaanbieder in het verweer verwijst, ontbreken in het dossier. Als gevolg daarvan kan de commissie niet nagaan welke diagnostische afwegingen zijn gemaakt, op welke wijze deze met de cliënte zijn besproken en in hoeverre overeenstemming bestond over de diagnose en de daarop gebaseerde behandeling.

Ten aanzien van de diagnose PTSS komt de commissie tot hetzelfde oordeel. Hoewel de zorgaanbieder heeft toegelicht waarom deze diagnose op enig moment is komen te vervallen, ontbreken in het dossier stukken waaruit blijkt op grond waarvan de diagnose PTSS oorspronkelijk is gesteld, dan wel op welke gronden de diagnose vervolgens is herzien en ingetrokken.

Ook blijkt uit de beschikbare stukken niet dat er multidisciplinair overleg dan wel intercollegiale afstemming tussen de betrokken behandelaren over de diagnostiek en de daarop gebaseerde behandeling is geweest. De commissie acht dit een tekortkoming in het diagnostisch proces.

De conclusie is dat dit klachtonderdeel gegrond is.

Gebrekkige dossiervorming 
Ten aanzien van de dossiervorming stelt de commissie voorop dat op grond van de dossierplicht van de zorgaanbieder mag worden verwacht dat behandelingen en diagnostische bevindingen op een juiste manier worden vastgelegd en met de cliënte worden besproken. Uit de overgelegde stukken kan de commissie niet afleiden dat de zorgaanbieder aan die verplichting heeft voldaan. De commissie acht de klacht daarom gegrond.

Medicatieverstrekking
De cliënte stelt dat aan haar medicatie is voorgeschreven die niet paste bij haar situatie en zonder dat daarvoor een duidelijke diagnostische onderbouwing aanwezig was en dat zij daardoor afhankelijk is geworden van deze medicatie.
Hiervoor is reeds overwogen dat de diagnose ADHD onvoldoende is onderbouwd. Nu de medicatie is voorgeschreven op basis van deze diagnose, acht de commissie de klacht op dit onderdeel gegrond. De commissie kan niet vaststellen of, en in hoeverre, een eventueel gebrek in de diagnostische onderbouwing heeft geleid tot de door de cliënte gestelde afhankelijkheid van de medicatie. Voor zover de cliënte de zorgaanbieder verantwoordelijk houdt voor haar afhankelijkheid van de voorgeschreven medicatie, is de klacht ongegrond.

Informatieverstrekking naar de huisarts 
De cliënte voert aan dat haar huisarts geen verslagen omtrent haar behandelingen heeft ontvangen en dat de zorgaanbieder medicatie heeft voorgeschreven zonder afstemming met de huisarts. De zorgaanbieder heeft naar voren gebracht dat de cliënte geen toestemming had gegeven voor het delen van informatie met de huisarts.

De commissie overweegt dat in diverse richtlijnen is vastgelegd dat continuïteit van zorg gewaarborgd moet worden. Hiervoor is het onder meer van belang dat er voldoende afstemming is tussen rechtstreeks betrokken zorgverleners. Het informeren van de verwijzende huisarts vormt daarbij het uitgangspunt, mits de cliënt daarvoor toestemming verleent.

Uit het dossier blijkt niet dat de zorgaanbieder de cliënte om toestemming heeft gevraagd voor het informeren van de huisarts. Evenmin blijkt uit het dossier dat de cliënte die toestemming heeft geweigerd. De cliënte heeft bovendien uitdrukkelijk betwist dat haar toestemming is gevraagd of dat zij heeft geweigerd toestemming te geven voor het informeren van haar huisarts.

Naar het oordeel van de commissie had het op de weg van de zorgaanbieder gelegen om een verzoek om toestemming en eventuele weigering daarvan zorgvuldig vast te leggen. Nu dergelijke vastlegging ontbreekt en de zorgaanbieder zijn standpunt niet met stukken heeft onderbouwd, heeft hij onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom de huisarts niet is geïnformeerd en op welke wijze de continuïteit van zorg is gewaarborgd.

De commissie acht dit klachtonderdeel daarom gegrond.

Zonder toestemming informatie naar het UWV gestuurd 
De cliënte stelt dat er zonder haar toestemming onjuiste informatie naar het UWV is gestuurd. De zorgaanbieder betwist dit en wijst erop dat het toestemmingsformulier met de stukken is meegestuurd.

De commissie heeft kennisgenomen van het toestemmingsformulier en stelt vast dat hierin weliswaar algemene toestemming is verleend voor het verstrekken van informatie aan het UWV, maar dat hieruit niet volgt dat medische informatie zonder meer aan het UWV toegezonden had mogen worden. Voor het delen van medische informatie is gerichte en voldoende specifieke toestemming vereist. De cliënte had het recht om kennis te nemen van de stukken voordat deze aan het UWV werden toegezonden.

Daarnaast acht de commissie van belang dat de betreffende brief aan het UWV is opgesteld en verzonden door een psychiatrisch verpleegkundige. De commissie is van oordeel dat de verpleegkundige, gelet op de aard van de verstrekte informatie en het doel waarvoor deze werd verstrekt, niet zelfstandig tot ondertekening van deze brief had mogen overgaan zonder betrokkenheid van een arts.
Ter zitting heeft de zorgaanbieder bovendien verklaard dat bij dergelijke correspondentie met het UWV doorgaans een arts wordt betrokken. Uit de overgelegde stukken blijkt niet dat een arts bij de totstandkoming of verzending van de brief betrokken is geweest. Dit, in samenhang met het ontbreken van gerichte toestemming, maakt dat de zorgaanbieder onzorgvuldig heeft gehandeld ten aan zien van het versturen van informatie naar het UWV.

De commissie acht de klacht gegrond.

Schadevergoeding 
De cliënte vordert een bedrag van € 25.000,- voor de gelede materiële en immateriële schade. Voor aanspraak op een schadevergoeding is ten minste vereist dat de zorgaanbieder in enig opzicht toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de behandelingsovereenkomst en dat er een causaal verband is tussen deze tekortkoming en de schade die is geleden. Uit het hiervoor overwogene volgt dat de zorgaanbieder toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen voortvloeiend uit de behandelovereenkomst. De vraag is vervolgens of door deze tekortkoming ook daadwerkelijk immateriële en/of materiële schade is geleden door de cliënte.

De cliënte stelt dat ze materiële schade heeft geleden doordat de zorgaanbieder onjuiste informatie aan het UWV heeft verstrekt, als gevolg waarvan haar uitkering lager is vastgesteld. Naar het oordeel van de commissie heeft de cliënte onvoldoende onderbouwd dat deze schade voor rekening van de zorgaanbieder moet komen. Daarbij acht de commissie het van belang dat het UWV een zelfstandige beslissing neemt op basis van een eigen beoordeling. Het is onvoldoende duidelijk dat de beslissing van het UWV rechtstreeks voortvloeit uit het handelen van de zorgaanbieder. Het vereiste causale verband is daarom onvoldoende komen vast te staan. De commissie wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade af.

Voor immateriële schadevergoeding geldt op grond van artikel 6:106 lid 1 onder b BW dat deze slechts toekomt aan degene die lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad, of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

De commissie stelt dat gedurende een periode van ongeveer 2,5 jaar sprake is geweest van onzorgvuldige diagnostiek, medicatievoorschrijving en dossiervorming. Naar het oordeel van de commissie heeft de zorgaanbieder daarmee niet gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend zorgaanbieder mag worden verwacht. Gelet op de aard, de samenhang en de duur van deze tekortkomingen acht de commissie het voldoende aannemelijk dat de cliënte hiervan nadelige gevolgen heeft ondervonden. Volgens de commissie is het daarom voldoende komen vast te staan dat de psychische klachten van de cliënte gedurende deze periode zijn verergerd, waaronder meer angstgevoelens en een verminderd vertrouwen in de gezondheidszorg. De cliënte heeft hierover consistent en overtuigend verklaard.

De omvang van immateriële schade laat zich niet nauwkeurig vaststellen. In een dergelijk geval mag de schade naar redelijkheid en billijkheid worden begroot (ex aequo et bono). Daarbij houdt de commissie rekening met de aard en duur van de tekortkomingen en de ernst van de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. De commissie kent daarom een immateriële schadevergoeding toe van € 2.500,-.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

– verklaart de klacht in alle klachtonderdelen gegrond;
– wijst het verzoek tot vergoeding van materiële schade af;
– kent aan de cliënte een vergoeding van immateriële schade toe van € 2.500,-;
– bepaalt dat de zorgaanbieder, nu de klacht gegrond is, overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 52,50 aan de cliënte moet vergoeden ter zake van het klachtengeld.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Zorg Algemeen, bestaande uit mevrouw mr. J.M. van Jaarsveld, voorzitter, de heer drs. D.J.L. Jonker, de heer mr. P.C. de Klerk, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. S.M.E. Balfoort, secretaris, op 3 augustus 2026.