Commissie: Geestelijke Gezondheidszorg
Categorie: (Niet) Ontvankelijkheid
Jaartal: 2026
Soort uitspraak: niet-ontvankelijkverklaring
Uitkomst: niet-ontvankelijk
Referentiecode:
1311079/1338475
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg heeft een cliënte niet-ontvankelijk verklaard in haar klacht tegen een ggz-instelling. De cliënte vond dat haar medisch dossier ten onrechte was vernietigd en vroeg een schadevergoeding van € 25.000,-. De commissie oordeelde echter dat zij deze klacht niet eerst bij de zorgaanbieder had ingediend. Een eerdere klacht bij de zorgaanbieder ging over andere onderwerpen, zoals de kwaliteit van de zorg en de gestelde diagnoses. Omdat er geen bijzondere omstandigheden waren die een uitzondering op deze regel rechtvaardigden, heeft de commissie de klacht niet inhoudelijk behandeld.
De volledige uitspraak
in het geschil tussen
[naam] wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de cliënte)en
Emergis, gevestigd te Goes
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).
Onderwerp van het geschil
Door middel van een vragenformulier heeft de cliënte een geschil aanhangig gemaakt tegen de zorgaanbieder. Zij beklaagt zich over de vernietiging van gegevens uit haar medisch dossier door de zorgaanbieder. In het verweer heeft de zorgaanbieder zich onder meer op het standpunt gesteld dat de cliënte niet-ontvankelijk is in de klacht.
Standpunt van de cliënte
Voor het standpunt van de cliënte verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De zorgaanbieder heeft medische dingen vernietigd die nog niet vernietigd hadden mogen worden. De cliënte heeft de stukken nu zelf naar haar neuroloog moeten mailen.
De cliënte verzoekt de commissie haar een schadevergoeding toe te kennen van € 25.000,- voor het trauma dat de zorgaanbieder heeft veroorzaakt.
Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De zorgaanbieder is van mening dat de cliënte niet-ontvankelijk is in de klacht, omdat zij deze niet eerst bij de zorgaanbieder heeft ingediend. Zij heeft eerder wel een klacht bij de klachtencommissie van de zorgaanbieder (hierna te noemen: de klachtencommissie) ingediend, maar deze ging over een wezenlijk ander onderwerp dan de onderhavige klacht.
Voor zover de commissie oordeelt dat de cliënte wel ontvankelijk is in de klacht, heeft de zorgaanbieder inhoudelijk gereageerd op de klacht van de cliënte en de commissie verzocht deze ongegrond te verklaren.
Immers, de cliënte heeft zelf verzocht om vernietiging van haar dossier. De zorgaanbieder heeft adequaat en zorgvuldig gereageerd op dit verzoek.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
De zorgaanbieder beroept zich op niet-ontvankelijkheid. Dit verweer moet allereerst worden onderzocht.
De niet-ontvankelijkheidsgronden staan in artikel 6 van het reglement van de Geschillencommissie.
Dit artikel luidt – voor zover van belang – als volgt:
“1. De commissie verklaart op verzoek van de zorgaanbieder – gedaan bij eerste gelegenheid – de cliënt in zijn klacht niet ontvankelijk:
a. indien hij zijn klacht niet eerst volgens de wet bij de zorgaanbieder heeft ingediend, tenzij van de cliënt in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij onder de gegeven omstandigheden zijn klacht eerst bij de zorgaanbieder indient;
(…)
2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onder a en b, kan de commissie besluiten het geschil toch in behandeling te nemen, indien de cliënt ter zake van de niet naleving ervan naar het oordeel van de commissie redelijkerwijs geen verwijt treft.”
Op grond van de overgelegde stukken stelt de commissie vast dat de cliënte op 10 november 2025 een klacht heeft ingediend bij de interne klachtencommissie. Deze klacht betrof de kwaliteit van de geboden zorg gedurende opnames en overige behandelingen, het stellen van onjuiste diagnoses, en daarnaast in het algemeen de bejegening en communicatie door zorgverleners van de zorgaanbieder.
Deze klachtencommissie heeft op 21 november 2025 de Raad van Bestuur van de zorgaanbieder geadviseerd de klacht niet-ontvankelijk te verklaren. De reden daarvoor is dat het medisch dossier op verzoek van klaagster is vernietigd. Daarom is het voor de zorgaanbieder niet meer mogelijk om de juistheid van de klacht te toetsen en over de behandeling en de in dat kader gestelde diagnoses en genomen beslissingen transparant verantwoording af te leggen. De Raad van Bestuur van de zorgaanbieder heeft dit advies opgevolgd.
De commissie stelt voorts vast dat de cliënte thans klaagt over de vernietiging van het dossier als zodanig.
De zorgaanbieder stelt terecht dat de cliënte deze klacht niet eerst aan de zorgaanbieder heeft voorgelegd; uit het advies van de klachtencommissie blijkt dat de cliënte de vernietiging van het dossier in de eerdere interne klachtenprocedure niet aan de orde heeft gesteld. Dit betekent dat de cliënte op grond van artikel 6 lid 1 sub a van het reglement in beginsel niet-ontvankelijk is in de klacht.
De commissie is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan van de cliënte niet kon worden verlangd haar klacht eerst bij de zorgaanbieder in te dienen of op grond waarvan haar van de niet naleving van het reglementaire voorschrift om de klacht eerst bij de zorgaanbieder in te dienen, redelijkerwijs geen verwijt treft. Dit oordeel grondt de commissie op de door de zorgaanbieder verstrekte informatie over de zorgvuldige wijze waarop de beslissing tot vernietiging van het dossier van cliënte tot stand is gekomen. Om die reden ziet de commissie in dit geval geen aanleiding om een uitzondering te maken.
Op grond van het voorgaande zal de commissie de cliënte niet-ontvankelijk verklaren in de klacht.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie verklaart de cliënte niet-ontvankelijk in de klacht.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg, bestaande uit de heer mr. J.M.P. Drijkoningen, voorzitter, de heer drs. D.J.L. Jonker en mevrouw mr. H.E.L. Loeffen, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. drs. I.M. van Trier, secretaris, op 23 juli 2026.