Commissie: Ziekenhuizen
Categorie: informatie(verstrekking)
Jaartal: 2026
Soort uitspraak: bindend advies
Uitkomst: ten dele gegrond
Referentiecode:
1310260/1316814
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De cliënte diende een klacht in tegen Noordwest Ziekenhuisgroep over de behandeling van een infectie die ontstond na het plaatsen van een tissue expander voor een borstreconstructie. Zij vond dat haar klachten en pijn niet serieus genoeg waren genomen en dat de expander eerder verwijderd had moeten worden. De Geschillencommissie oordeelde dat het ziekenhuis medisch gezien zorgvuldig heeft gehandeld door eerst antibiotica te geven en pas later de expander te verwijderen, omdat dit volgens de geldende richtlijnen een gebruikelijke aanpak is. Wel stelde de commissie vast dat de cliënte onvoldoende is geïnformeerd over de verschillende behandelmogelijkheden en de gevolgen daarvan, waardoor zij niet goed heeft kunnen meebeslissen over haar behandeling. Hierdoor was er geen sprake van voldoende geïnformeerde toestemming (informed consent). Dit deel van de klacht werd gegrond verklaard. Omdat de cliënte aannemelijk maakte dat zij hierdoor psychische schade heeft opgelopen en EMDR-therapie volgt om de gebeurtenis te verwerken, kende de commissie een immateriële schadevergoeding van € 2.500 toe. Daarnaast moet het ziekenhuis het betaalde klachtengeld van € 52,50 terugbetalen.
De volledige uitspraak
in het geschil tussen
mevrouw [naam], wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de cliënte)
en
Noordwest Ziekenhuisgroep, gevestigd te Alkmaar
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).
Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.
De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.
De behandeling heeft plaatsgevonden op 8 juli 2026 te Utrecht. Namens de zorgaanbieder waren aanwezig: mevrouw mr. [naam] (jurist ziekenhuisgroep), mevrouw mr.[naam] (jurist ziekenhuisgroep), de heer [naam] (plastisch chirurg). De cliënte was samen met haar man ter zitting aanwezig
Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen ter zitting te verschijnen.
Onderwerp van het geschil
De cliënte heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder.
De cliënte verwijt de zorgaanbieder dat bij de behandeling van de na haar borstoperatie opgetreden complicatie onvoldoende zorgvuldig is gehandeld. De cliënte voelt zich onvoldoende gehoord en niet serieus genomen bij de beoordeling en behandeling van de opgetreden complicatie. De zorgaanbieder is van mening dat de complicatie uitvoerig en zorgvuldig is behandeld.
Standpunt van de cliënte
Voor het standpunt van de cliënte verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Na een traject van chemotherapie werd op 29 oktober 2024 de linkerborst van de cliënte geamputeerd. Ter voorbereiding op een borstreconstructie is vervolgens een tissue expander geplaatst. In de periode na de operatie heeft de cliënte gedurende een week veel pijn en ongemak ervaren en is de cliënte door verschillende zorgverleners gezien. Ondanks het dagelijks contact dat de cliënte met de zorgaanbieder had en het voorgeschreven krijgen van antibiotica, verbeterde de situatie niet. De cliënte stelt dat zij meerdere malen naar huis is gestuurd terwijl haar klachten verergerden. Ook voert zij aan dat haar zorgen onvoldoende serieus werden genomen, terwijl zij het gevoel had dat er iets niet in orde was.
Op 12 november 2024 is uiteindelijk de tissue expander verwijderd. Volgens de cliënte is dit op voor haar traumatische wijze gebeurd, nadat er pus en wondvocht uit de wond waren gaan lekken. De cliënte begrijpt dat een ontsteking een bekende complicatie van de ingreep kan zijn, maar stelt zich op het standpunt dat de signalen van de ontsteking onvoldoende serieus zijn genomen en dat de tissue expander eerder had moeten worden verwijderd. Volgens de cliënte hadden daarmee zowel de pijnklachten die zij destijds heeft ervaren als de traumatische gevoelens die ze aan de gebeurtenis heeft overgehouden, kunnen worden voorkomen. Zij voert verder aan dat haar is medegedeeld dat geen specifiek protocol op haar situatie van toepassing was, er was sprake van ‘een grijs gebied’ en begrijpt daarom niet waarom de zorgaanbieder zich in een eerdere fase op het standpunt heeft gesteld dat conform een protocol is gehandeld.
De cliënte vordert via de commissie een vergoeding van de door haar geleden materiele en immateriële schade ten bedrage van 25.000,-.
Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De zorgaanbieder verzoekt de klacht ongegrond te verklaren. Volgens de zorgaanbieder is de cliënte naar aanleiding van ieder contactmoment teruggebeld dan wel op de polikliniek gezien, waarna zij medisch is beoordeeld en behandeld. Toen sprake bleek van een infectie is gepoogd de tissue expander te behouden door middel van behandeling met antibiotica. Deze behandeling heeft echter niet het gewenste resultaat gehad. Volgens de zorgaanbieder is een infectie die onvoldoende reageert op antibiotica een bekende complicatie bij het gebruik van prothesen en tissue expanders. Nadat duidelijk werd dat behoud van de tissue expander niet mogelijk was, is deze verwijderd. Vervolgens is het gebruikelijke traject van wondverzorging ingezet en uitgevoerd.
De zorgaanbieder betwist dat onzorgvuldig is gehandeld. De cliënte stelt dat de plastisch chirurg heeft aangegeven dat sprake is van een grijs gebied ten aan zien van de behandeling rondom de infectie, omdat bij de zorgaanbieder geen specifiek protocol bestaat voor deze situatie. In dat verband merkt de zorgaanbieder op dat hiermee is bedoeld dat de behandeling van de infectie heeft plaatsgevonden volgens de professionele standaarden, waaronder landelijke richtlijnen, wetenschappelijke inzichten en gangbare beroepsnormen. De zorgaanbieder erkent dat er geen specifiek protocol bestaat voor een infectie na plaatsing van een tissue-expander, maar wijst erop dat is gehandeld conform de landelijke richtlijn borstprothesechirurgie van de Federatie Medisch Specialisten.
Ten aanzien van de door de cliënte gevorderde schade stelt de zorgaanbieder dat weliswaar een schadebegroting is overgelegd, maar dat een nadere onderbouwing van de afzonderlijke schadeposten en het causaal verband tussen de gestelde schade en het vermeend onzorgvuldig handelen ontbreekt. Daarom bestaat volgens de zorgaanbieder geen grond voor toewijzing van de schadevordering.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
De feiten
Bij de cliënte is in het kader van een borstreconstructie na een borstamputatie op 29 oktober 2024 een tissue expander geplaatst. In de periode na deze ingreep ontwikkelde de cliënte klachten passend bij een infectie. Zij heeft hierover meerdere malen contact gehad met de zorgaanbieder en is gedurende de week na de operatie door verschillende zorgverleners gezien. De zorgaanbieder heeft aanvankelijk gekozen voor behandeling met antibiotica. Toen dit onvoldoende resultaat gaf is een zwaarder antibioticum voorgeschreven, met als doel de tissue expander te behouden. Deze behandeling bleek niet succesvol, waarna de tissue expander is verwijderd. De cliënte is van mening dat haar pijnklachten en de signalen van de infectie onvoldoende serieus zijn genomen en dat de expander eerder verwijderd had moeten worden. Bovendien stelt zij dat zij onvoldoende is betrokken bij de beslissing om de behandeling met (zwaardere) antibiotica voort te zetten. De zorgaanbieder stelt zich op het standpunt dat conform de professionele standaard is gehandeld.
Juridisch kader
De overeenkomst die de cliënte met de zorgaanbieder heeft gesloten, is een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Op grond van de behandelingsovereenkomst die de cliënte met de zorgaanbieder is aangegaan, moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (het goed hulpverlenerschap uit artikel 7:453 van het BW), die mede bepaald wordt door onder meer de stand en inzichten van de medische wetenschap, richtlijnen en protocollen. Het inlichten van de patiënt op een duidelijke wijze over het voorgenomen onderzoek en de voorgestelde behandeling en over de ontwikkelingen omtrent het onderzoek, de behandeling en de gezondheidstoestand van de patiënt behoort ook bij het goed hulpverlenerschap. Bij deze verplichting laat de hulpverlener zich leiden door hetgeen de patiënt redelijkerwijze dient te weten ten aanzien van onder andere de te verwachten gevolgen en risico’s van een behandeling voor de gezondheid van de patiënt en mogelijke andere methoden van onderzoek of behandeling die in aanmerking komen in de specifieke situatie van de patiënt (de informatieplicht uit artikel 7:448 BW).
De verplichting die op de hulpverlener rust wordt in beginsel niet aangemerkt als een resultaatsverplichting, waarbij de hulpverlener moet instaan voor het bereiken van een bepaald resultaat, maar als een inspanningsverplichting, waarbij de hulpverlener zich verplicht zich voor het bereiken van een bepaald resultaat in te spannen. De reden hiervoor is dat het bij een geneeskundige behandeling meestal niet mogelijk is een bepaald resultaat te garanderen, omdat het menselijk lichaam in het (genezings-)proces een ongewisse factor vormt; zelfs bij ideaal medisch handelen kan het beoogde resultaat uitblijven. Van onzorgvuldig handelen is dan pas sprake als komt vast te staan dat de hulpverlener tekort is geschoten in de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot in dezelfde omstandigheden mag worden verwacht.
De commissie constateert dat over de feitelijke gang van zaken tussen partijen geen (relevante) verschillen van inzicht bestaan. De vraag die beantwoord moet worden is de vraag of de zorgaanbieder verwijtbaar tekort is geschoten in hetgeen van hem verwacht mag worden.
Onzorgvuldig handelen
De cliënte stelt dat haar klachten niet serieus zijn genomen en dat de zorgaanbieder onzorgvuldig heeft gehandeld rondom de behandeling van de opgetreden complicatie. Volgens de cliënte had de expander eerder in het proces verwijderd moeten worden. De commissie volgt de cliënte hier niet in.
Uit de overgelegde stukken en uit hetgeen tijdens de zitting naar voren is gebracht, blijkt dat de zorgaanbieder bij het vermoeden van de infectie eerst heeft gekozen voor een behandeling met antibiotica. Het is binnen de medische praktijk gebruikelijk om bij een infectie eerst een behandeling met antibiotica in te zetten alvorens over te gaan tot verwijdering van de expander nu dit in de algemene praktijk bevorderlijk is voor een borstreconstructie. Daarbij geldt dat er op het blote oog niet kan worden beoordeeld waar de infectie zich precies bevindt: rond de expander of in of onder de huid. Het doen van een punctie wordt in dit geval afgeraden, omdat de kans bestaat dat daardoor de infectie dieper het lichaam in wordt gebracht. Tegen deze achtergrond acht de commissie de keuze om eerst antibiotica toe te dienen en vervolgens over te gaan op een zwaarder antibioticum alvorens de expander te verwijderen, niet verwijtbaar.
Verder heeft de cliënte aangevoerd dat zij onvoldoende serieus is genomen door de zorgaanbieder onder meer omdat zij aangaf koorts te hebben en dit een aanwijzing kon zijn voor een ernstige infectie. Uit de stukken blijkt dat op het moment van lichamelijk onderzoek bij de zorgverlener geen verhoogde temperatuur werd gemeten. De commissie overweegt dat het verschil tussen de door de cliënte gemeten temperatuur en de bij de zorgaanbieder gemeten temperatuur kan worden verklaard door verschillen in de wijze of het tijdstip van meten. De commissie is van oordeel dat niet is gebleken dat de zorgaanbieder de klachten van de cliënte onvoldoende serieus heeft genomen. Op basis van de beschikbare informatie concludeert de commissie dat de zorgaanbieder zorgvuldig heeft gehandeld.
De commissie concludeert dat de zorgaanbieder medisch-inhoudelijk het juiste beleid heeft gevoerd. Naar aanleiding van ieder contact is de cliënte te woord gestaan en medisch beoordeeld dan wel behandeld. Daarbij is telkens gehandeld op basis van de op dat moment beschikbare medische informatie. Zodra bekend werd dat de expander geïnfecteerd was, is deze nog diezelfde dag verwijderd onder plaatselijke verdoving. De commissie betreurt het dat de cliënte met veel pijnklachten een lange tijd op de spoedpoli heeft moeten wachten voordat de expander uiteindelijk is verwijderd, maar overweegt dat de eigen behandelaar zorgvuldig heeft gehandeld door de cliënte persoonlijk te willen beoordelen aangezien de cliënte de gehele week was gezien door andere zorgverleners.
De commissie onderkent dat de communicatie rondom de complicatie niet optimaal is verlopen, mede doordat de cliënte – behalve door haar eigen behandelaar – door veel verschillende zorgverleners is gezien. Dit is echter geen aanwijzing dat er op medisch-inhoudelijk gebied onzorgvuldig is gehandeld. De klacht wordt daarom op dit onderdeel ongegrond verklaard.
Voldoende informatie rondom de complicatie
De cliënte heeft ter zitting verklaard dat zij niet de mogelijkheid heeft gekregen om mee te beslissen over de keuze tussen behandeling met (zwaardere) antibiotica en verwijdering van de expander. De zorgaanbieder heeft zowel in de overlegde stukken als ter zitting onvoldoende onderbouwd dat deze keuze met de cliënte is besproken. De commissie overweegt dat niet is komen vast te staan dat sprake is geweest van een deugdelijk informed consent. Een goed hulpverlener dient op grond van de informatieplicht uit artikel 7:448 BW de patiënt immers goed te informeren over de beschikbare behandelmogelijkheden, de voor- en nadelen daarvan en de mogelijke gevolgen van iedere keuze, zodat de patiënt op basis van volledige informatie toestemming kan geven voor de behandeling. Dat de keuze voor een (voortgezette) antibioticabehandeling medisch verdedigbaar was, laat onverlet dat de cliënte voldoende betrokken had moeten worden bij die keuze. In zoverre heeft de zorgaanbieder naar het oordeel van de commissie niet zorgvuldig gehandeld. De klacht is op dit onderdeel gegrond.
Onjuist/geen protocol
De commissie begrijpt dat er bij de cliënte verwarring kan zijn ontstaan over het al dan niet bestaan van een protocol. De zorgaanbieder heeft in het verweer toegelicht dat de verwarring is ontstaan doordat er weliswaar geen specifiek protocol voor het behandelen van een infectie na het plaatsten van een tissue-expander is, maar dat er wel wordt gehandeld conform de landelijke richtlijn borstprothesechirurgie van de Federatie Medisch Specialisten. De commissie acht de uitleg die die zorgaanbieder hierover in het verweer heeft gegeven afdoende. Dit klachtonderdeel wordt daarom ongegrond verklaard.
Schadevergoeding
Voor toekenning van schadevergoeding is vereist dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de behandelovereenkomst en dat de cliënte als gevolg van die tekortkoming schade heeft geleden. De schade kan zowel materieel als immaterieel van aard zijn.
Ten aanzien van de materiële schade merkt de commissie op dat de cliënte deze vordering niet voldoende heeft onderbouwd.
Voor immateriële schadevergoeding geldt op grond van artikel 6:106 lid 1 onder b BW dat deze slechts toekomt aan degene die lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad, of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van dit laatste is in ieder geval sprake indien de benadeelde als gevolg van dit handelen geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld.
De commissie oordeelt dat voldoende objectieve aanknopingspunten bestaan voor het aannemen van geestelijk letsel. Daarbij neemt de commissie in aanmerking dat de cliënte ter zitting heeft aangegeven dat zij, indien de verschillende behandelmogelijkheden en de mogelijke gevolgen daarvan met haar waren besproken, zou hebben gekozen voor eerdere verwijdering van de expander. Volgens de cliënte had daarmee het verdere verloop van de complicatie, waaronder de pijnklachten, het gevoel niet serieus te worden genomen en de, voor de cliënte, uiteindelijke traumatische verwijdering van de expander, kunnen worden voorkomen. De cliënte heeft de gebeurtenis als traumatisch ervaren en gaf ter zitting aan dat zij momenteel EMDR-therapie volgt voor de verwerking daarvan. De zorgaanbieder heeft ter zitting erkend dat hij zich kan voorstellen dat de gebeurtenis voor de cliënte traumatisch is geweest. Gelet op hetgeen tijdens de zitting is verklaard en het oordeel van de commissie dat er geen sprake is geweest van een deugdelijk informed consent, acht de commissie voldoende aannemelijk dat de cliënte als gevolg van deze tekortkoming geestelijk letsel heeft opgelopen.
Naar het oordeel van de commissie heeft het gebrek aan informed consent, en de daaropvolgende gebeurtenissen, geleid tot een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, BW. De commissie kent daarom, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, een immateriële schadevergoeding toe van 2.500,-.
Ook dient de zorgaanbieder conform het reglement het door de cliënte betaalde klachtengeld aan haar te vergoeden.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
– verklaart de klacht gedeeltelijk gegrond;
– bepaalt dat de zorgaanbieder binnen 14 dagen na verzending van dit bindend advies een bedrag van 2.500,- aan de cliënt dient te vergoeden;
– bepaalt dat de zorgaanbieder overeenkomstig het reglement van de commissie binnen 14 dagen na verzending van dit bindend advies een bedrag van € 52,50 aan de cliënte dient te vergoeden ter zake van het klachtengeld.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit mevrouw mr. J.M. van Jaarsveld, voorzitter, mevrouw drs. H.J.P. Tielemans, de heer mr. R.P. Gerzon, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. S.M.E. Balfoort, secretaris, op 8 juli 2026.
mevrouw mr. J.M. van Jaarsveld