Klacht over behandeling wondinfectie deels gegrond

De Geschillencommissie Zorg




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: schadevergoeding    Jaartal: 2026
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ten dele gegrond   Referentiecode: 1196395/1280414

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De klacht ging over de zorg na een rugoperatie. De cliënt vond dat onvoldoende was gereageerd op aanhoudende wondlekkage, waardoor een ernstige infectie ontstond. Ook vond zij dat een PICC-lijn ten onrechte in haar rechterarm was geplaatst, terwijl zij daar eerder trombose had gehad. De commissie oordeelde dat het ziekenhuis de wondlekkage op 21 augustus 2024 onvoldoende serieus heeft beoordeeld en eerder aanvullend onderzoek had moeten doen. Daarnaast had het ziekenhuis de risico’s van de PICC-lijn beter met de cliënt moeten bespreken, zodat zij een geïnformeerde keuze kon maken. Op deze punten is de klacht gegrond. Voor de overige klachten, zoals het ontslag uit het ziekenhuis, de antibiotische behandeling en de zorg door verpleegkundigen, zag de commissie geen tekortkomingen. De cliënt kreeg een immateriële schadevergoeding van € 3.500,- voor het leed, de angst en de onzekerheid die zij hierdoor heeft ervaren.

De volledige uitspraak

in het geschil tussen

[Naam], wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de cliënt)

en

Haaglanden Medisch Centrum, gevestigd te ‘s-Gravenhage
(hierna te noemen: de zorgaanbieder)
Gemachtigde [naam], [naam] Advocaten.

Onderwerp van het geschil

De cliënt heeft een rugoperatie ondergaan in het ziekenhuis van de zorgaanbieder. De cliënt verwijt de zorgaanbieder dat zij ondanks wondlekkage uit het ziekenhuis is ontslagen en dat niet adequaat is gereageerd toen die lekkage verergerde. Bij een operatie die zij als gevolg hiervan heeft moeten ondergaan is een PICC-lijn geplaatst en trombose opgetreden. De cliënt verwijt de zorgaanbieder onzorgvuldig en nalatig handelen.

Standpunt van de cliënt

In augustus 2024 is de cliënt aan haar rug geopereerd in het ziekenhuis van de zorgaanbieder. Deze operatie was het vervolg op een eerdere operatie die de cliënt in januari 2024 had ondergaan en waarbij haar wervels zijn vastgezet. De cliënt was verteld dat bij een heroperatie het infectierisico is verhoogd. Zij begreep dan ook niet dat zij op 16 augustus 2024 werd ontslagen hoewel de wond op haar rug nog flink lekte. Er werd geen arts geraadpleegd en de cliënt kreeg pleisters mee voor thuis. In de dagen erna bleef de wond fors lekken maar de cliënt kreeg telefonisch telkens te horen dat dat geen kwaad kon.
Op 21 augustus 2024 heeft de cliënt zich bij de Spoedeisende Hulp (SEH) gemeld. Hoewel een infectie werd vastgesteld werd de cliënt weer naar huis gestuurd met antibiotica.
De wond bleef lekken en de cliënt werd zieker en zieker. Op 27 augustus 2024 werd zij opgenomen vanwege een diepe wondinfectie veroorzaakt door twee gevaarlijke bacteriën: de streptococcus dysgalactiae en de staphylococcus aureus. Op 28 augustus 2024 werd de wond onder narcose schoongemaakt vanwege de ernst en diepte van de infectie. Tijdens de opname werd bij de cliënt een PICC-lijn ingebracht in haar rechterarm ondanks haar voorgeschiedenis van diepe veneuze trombose in die arm. De cliënt heeft gevraagd om een plaatsing in haar linkerarm maar desondanks werd de lijn door de radioloog in haar rechterarm geplaatst. Zowel mondeling als schriftelijk heeft de cliënt bij ieder formulier dat zij moest invullen en bij ieder onderzoek of behandeling dat werd uitgevoerd melding gemaakt van haar eerdere levensbedreigende trombose in haar rechterarm. Ook heeft de cliënt kenbaar gemaakt dat zij ernstige bijwerkingen ervoer van antibiotica.

Waar de cliënt bang voor was gebeurde: haar arm werd dik en blauw en het bleek dat zij trombose had ontwikkeld. De cliënt voelde zich zo slecht dat zij dacht dat ze de opname niet zou overleven. Eén van de twee soorten antibiotica werd stopgezet en de cliënt krabbelde zeer langzaam weer op. Haar lever bleek echter beschadigd.
De cliënt heeft nog twee weken in het ziekenhuis moeten blijven en daarna heeft zij nog lang nodig gehad om te herstellen. Nog steeds is de cliënt niet klachtenvrij en ondergaat zij behandelingen. De cliënt is van mening dat de zorg in het ziekenhuis ernstig te wensen overliet. Er werd traag gereageerd op de oproepknop waardoor de cliënt haar pijnmedicatie niet of te laat kreeg toegediend. De verpleegkundigen waren onzeker en onvoldoende toegerust voor hun taak. Door de gebrekkige zorg heeft de cliënt een lange periode van fysieke en mentale pijn doorgemaakt. Zij heeft lang niet kunnen werken en haar man heeft haar moeten ondersteunen waardoor zij inkomensschade hebben geleden; ieder hebben zij een eigen bedrijf.

De cliënt vraagt om een erkenning van haar klachten en om een schadevergoeding voor het leed dat zij heeft geleden. De materiële schade (het inkomensverlies en de bedrijfsschade) heeft de cliënt begroot op
€ 7.000,-. Voor de ernstige emotionele schade die zij heeft geleden en de doodsangst die zij heeft ervaren vraagt de cliënt een immateriële schadevergoeding van € 17.500,- van de zorgaanbieder.

Standpunt van de zorgaanbieder

De cliënt is door een ander ziekenhuis naar het ziekenhuis van de zorgaanbieder verwezen in verband met persisterende klachten na een rugoperatie. Op 2 januari 2024 is de cliënt geopereerd welke ingreep ongecompliceerd is verlopen. Aangezien de klachten van de cliënt niet genoeg verbeterden werd besloten tot een nieuwe operatie op 13 augustus 2024.Ook deze ingreep verliep ongecompliceerd. In de dagen na de operatie had de cliënt veel pijn waarvoor in overleg met het pijnteam pijnmedicatie, waaronder methadon, is toegediend. Nadat de wond door een arts was gecontroleerd is de cliënt op 16 augustus 2024 naar huis ontslagen.

Op 19 augustus 2024 heeft de cliënt contact opgenomen met het ziekenhuis omdat de wond bloedde. Omdat geen sprake was van roodheid of zwelling en de cliënt geen koorts had is een expectatief beleid gevoerd. Toen de cliënt op 21 augustus 2024 opnieuw belde in verband met aanhoudende wondlekkage is zij op verzoek van de neurochirurg naar de SEH gekomen. Er was sprake van een actieve lekkage maar er was geen roodheid of zwelling en er waren ook geen andere tekenen van infectie. Er werd een kweek afgenomen en zekerheidshalve werd aan de cliënt een breedspectrumantibioticum gegeven.
Op 26 augustus 2024 werd de cliënt voor controle gezien. Omdat het verband volledig verzadigd was en de CRP waarde ondanks de antibiotica was gestegen naar 235 heeft de zorgaanbieder de cliënt op
27 augustus 2024 voorgesteld haar op te nemen om een MRI te maken en de infectie te onderzoeken, te evalueren en te behandelen. Op 27 augustus 2024 is de cliënt opgenomen en op 28 augustus 2024 is met haar besproken dat er sprake was van een verdenking op geïnfecteerd neurochirurgisch osteosynthesemateriaal waarvoor zij waarschijnlijk langdurig antibiotica nodig zou hebben. Inmiddels was bekend dat de cliënt positief testte op de streptococcus dysgalactiae en de staphylococcus aureus bacterie. Die middag is de wond in de OK schoongespoeld en vervolgens gestart met een tweede antibioticum. Tevens is de pijnmedicatie aangepast.

Na de OK ging het aanvankelijk beter met de cliënt en werd afgesproken dat er zou worden toegewerkt naar ontslag naar huis met thuiszorg. Omdat de cliënt nog antibiotica nodig had werd op 30 augustus 2024 een PICC-lijn geplaatst. De betrokken radioloog kan zich niet herinneren dat de cliënt voorafgaand aan het plaatsen van de PICC-lijn heeft gevraagd om het plaatsen in haar linkerarm.
In het dossier van de cliënt is niets aangetekend over een spontane trombose in haar rechterarm in 2001. Ook indien de cliënt wel melding had gemaakt van de eerdere trombose was dit voor de radioloog geen reden om de lijn in de andere arm te plaatsen. Er bestond geen grond om aan te nemen dat het risico op trombose na 23 jaar verhoogd was. Op de echo werd een mooi vat in de rechterarm gezien. Vaak wordt juist een vat gebruikt dat eerder is aangeprikt.
Op 31 augustus 2024 werd de cliënt erg oncomfortabel. Mogelijk was sprake van een allergische reactie op het tweede antibioticum. Met de toediening daarvan werd meteen gestopt en de cliënt werd een antihistaminicum toegediend. Op 2 september 2024 was de pijn van de cliënt aanzienlijk minder dan de dagen ervoor. Wel werd bij de cliënt tromboflebitis gezien in de rechterarm op de plek waar eerder het infuus had gezeten. Omdat de klachten toenamen en de tromboflebitis zich uitbreidde werd fraxiparine over de PICC-lijn toegediend.
De cliënt is uiteindelijk op 7 september 2024 in goede conditie naar huis ontslagen.

De zorgaanbieder vindt het erg vervelend dat bij de cliënt na de operatie een wondinfectie is ontstaan en vervolgens een trombose is opgetreden. De zorgaanbieder stelt zich echter op het standpunt dat er geen sprake is geweest van een toerekenbare fout van het ziekenhuis.
De zorgaanbieder betreurt het dat de cliënt soms langer heeft moeten wachten op een reactie na het drukken op de knop. Het is helaas niet altijd mogelijk om terstond op alle oproepen te reageren; soms moet een patiënt wachten tot een verpleegkundige beschikbaar is. De zorgaanbieder heeft er begrip voor dat dit voor de cliënt erg vervelend is geweest zeker omdat zij gedurende de opname veel pijnklachten had en zij op momenten ongerust was.

Beoordeling van het geschil

Samengevat verwijt de cliënt de zorgaanbieder dat zij na een rugoperatie niet de zorg heeft ontvangen die verwacht mag worden. De commissie zal de klacht van de cliënt beoordelen aan de hand van de door haar naar voren gebrachte klachtonderdelen.

De commissie heeft het volgende overwogen.

Toetsingskader
De overeenkomst die de cliënt met de zorgaanbieder heeft gesloten, betreft een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Op grond van die behandelingsovereenkomst moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (het goed hulpverlenerschap uit artikel 7:453 van het BW). Het goed hulpverlenerschap houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

1. Ten onrechte uit ziekenhuis ontslagen ondanks wondlekkage
Uit het medisch dossier van de cliënt is de commissie gebleken dat de gezondheidstoestand van de cliënt op 16 augustus 2024 een ontslag toeliet. Dat er nog enige sprake was van wondlekkage staat aan een ontslag niet in de weg.

2. Onvoldoende gereageerd op aanhoudende wondlekkage
Op 19 augustus 2024 en op 21 augustus 2024 heeft de cliënt zich telefonisch met klachten van aanhoudende wondlekkage bij de zorgaanbieder gemeld. Op 21 augustus 2024 heeft zij de SEH bezocht voor onderzoek. De zorgaanbieder heeft naar voren gebracht dat er behalve een actieve lekkage geen andere tekenen waren van een infectie. Uit het medisch dossier van de cliënt blijkt dat de CRP waarde in haar bloed op 21 augustus 2024 176 bedroeg. Vanwege de combinatie van actieve lekkage en duidelijk verhoogd CRP, is de commissie van oordeel dat de zorgaanbieder op 21 augustus 2024 had moeten overgaan tot een MRI-onderzoek waarmee de heroperatie eerder had plaatsgevonden en de kans op een infectie kleiner was geweest. De commissie verklaart de klacht dat de wondlekkage verkeerd is beoordeeld en te laat is behandeld dan ook gegrond.

3. Plaatsen PICC- lijn in rechterarm ondanks trombosegeschiedenis
Op 30 augustus 2024 is door de radioloog van de zorgaanbieder een PICC-lijn geplaatst voor de toediening van antibiotica. Die PICC-lijn is geplaatst in de rechterarm van de cliënt in welke arm zij vervolgens trombose heeft ontwikkeld. De cliënt heeft naar voren gebracht dat zij meerdere malen melding heeft gemaakt van de ernstige trombose die in 2001 in haar rechterarm is opgetreden en dat zij heeft verzocht om een plaatsing in de linkerarm. De radioloog heeft ter zitting naar voren gebracht dat hij niet wil ontkennen dat de cliënt de trombose heeft gemeld, maar dat hij geen herinnering heeft aan die melding en dat daarover niets in haar dossier was genoteerd. Voorts heeft hij verklaard dat ook als de trombosegeschiedenis hem bekend was, dit geen contra-indicatie vormde voor het plaatsen van de PICC-lijn aan de rechterzijde.
De commissie verwerpt dit verweer van de zorgaanbieder.
De commissie acht aannemelijk dat de cliënt gedurende de maanden dat zij patiënt was in het ziekenhuis van de zorgaanbieder op meerdere momenten kenbaar heeft gemaakt dat zij in 2001 een ernstige trombose aan de rechterborst/bovenarm heeft doorgemaakt. Hoewel er geen absolute contra-indicatie is voor het plaatsen van een PICC-lijn in een arm met een trombosegeschiedenis is er wel een voorkeur om de PICC-lijn in de niet aangedane arm te plaatsen. Hoe dan ook had de zorgaanbieder met de cliënt de risico’s van het plaatsen van de PICC-lijn in elk van de armen moeten bespreken zodat de cliënt een weloverwogen afweging had kunnen maken om voor het al dan niet plaatsen van een PICC-lijn te kunnen kiezen. Door dit gesprek niet met de cliënt te voeren bestond er geen informed consent over het plaatsen van de PICC-lijn. De commissie is dan ook van oordeel dat de zorgaanbieder wat dit betreft onzorgvuldig heeft gehandeld.

4. Leverfalen als gevolg van toedienen antibiotica
Op 31 augustus 2024 bleek de cliënt bijwerkingen te ondervinden van één van de twee aan haar voorgeschreven antibioticum kuren. De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder vervolgens adequaat heeft gehandeld door met die kuur te stoppen en de cliënt een antihistaminicum voor te schrijven. Voor zover de cliënt hier klachten door heeft ondervonden, dan zijn die niet toe te schrijven aan enig verwijtbaar handelen van de zorgaanbieder.

5. Zorgverlening door verplegend personeel niet adequaat
De zorgaanbieder heeft erkend dat niet op ieder verzoek van een patiënt meteen kan worden gereageerd. Dit is inherent aan het landelijke tekort aan gekwalificeerd zorgpersoneel en de afweging die daardoor steeds dient te worden gemaakt. Hoewel de commissie goed begrijpt dat de cliënt daardoor pijn en ongemak heeft doorgemaakt is de commissie niet gebleken dat de zorgaanbieder wat dit betreft buiten de kaders van een zorgvuldige zorgverlening heeft gehandeld.

Conclusie
Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de zorgaanbieder verwijtbaar heeft gehandeld in het beoordelen van de wondlekkage en het bespreken van de risico’s voor het plaatsen van de PICC-lijn. Wat die klachtonderdelen betreft is de klacht van de cliënt gegrond. De overige klachtonderdelen zijn ongegrond.

Schadevergoeding
De cliënt heeft de commissie verzocht een vergoeding toe te kennen voor de materiële en immateriële schade die zij heeft geleden. Voor het toekennen van schadevergoeding is vereist dat er schade is en dat er een causaal verband is tussen de verwijtbare gedragingen (de gegrond verklaarde klachtonderdelen) en het leed dat is geleden.
Zoals hiervoor is toegelicht is de commissie van oordeel dat de zorgaanbieder eerder had moeten optreden na de meldingen van de wondlekkage en voorts met de cliënt in overleg had moeten treden over het plaatsen van de PICC-lijn. Hoewel de zorgaanbieder wat beide klachtonderdelen betreft verwijtbaar ten opzichte van de cliënt heeft gehandeld wil dit niet zeggen dat het beloop voor de cliënt anders was geweest en het verloop van het herstel van de infectie anders (korter) was geweest en zij geen trombose had ontwikkeld. Het causale verband ten aanzien van de materiële schade (het inkomensverlies) is dan ook niet vast te stellen en een vergoeding daarmee niet toe te kennen.

Dit is anders voor de immateriële schade die de cliënt heeft geleden. Voor de commissie is vast komen te staan dat de cliënt van 21 augustus 2024 tot 27 augustus 2024 pijn heeft geleden en in angst en zorg heeft geleefd toen zij ten onrechte huiswaarts was gestuurd hoewel zij ernstig ziek was.

Hetzelfde geldt voor de pijn en (doods)angsten en zorgen die zij heeft doorgemaakt bij het ontwikkelen van een trombose nadat op 30 augustus 2024 een PICC-lijn in haar rechterarm was geplaatst zonder het bespreken van de risico’s hiervan en zonder dat haar het alternatief van het niet plaatsen van de PICC-lijn was aangereikt, dan wel het plaatsen van de PICC-lijn in de linkerarm. De commissie is van oordeel dat de cliënt een vergoeding toekomt voor de emotionele schade die zij door toedoen van de zorgaanbieder heeft geleden en heeft moeten doormaken. De commissie stelt die immateriële schadevergoeding naar redelijkheid en billijkheid vast op een bedrag van € 3.500,-. Omdat de klacht gegrond is zal de commissie voorts bepalen dat het klachtengeld door de zorgaanbieder aan de cliënt dient te worden vergoed.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie:
– verklaart de klachtonderdelen 2. en 3. gegrond zoals hiervoor is omschreven;
– verklaart de overige klachtonderdelen ongegrond;
– bepaalt dat de zorgaanbieder binnen 14 dagen na verzending van dit bindend advies een bedrag van € 3.500,- aan de cliënt dient te vergoeden bij wijze van immateriële schadevergoeding;
– bepaalt dat de zorgaanbieder overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 127,50 aan de cliënt dient te vergoeden ter zake van het klachtengeld;
– wijst het verzochte voor het overige af.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit de heer mr. dr. B. Wallage, voorzitter, de heer dr. J.D.M. Metzemaekers, de heer mr. P.O.H. Gevaerts, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. J.C. Quint, secretaris, op 20 april 2026.