Commissie: Ziekenhuizen
Categorie: Diagnose
Jaartal: 2026
Soort uitspraak: bindend advies
Uitkomst: ongegrond
Referentiecode:
1261471/1293655
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
Het geschil gaat over de vraag of het ziekenhuis de cliënt in 2019 goed heeft onderzocht bij zijn plasproblemen. De cliënt vindt dat er toen een PSA-bloedtest had moeten worden gedaan om prostaatkanker eerder te ontdekken en vraagt daarom schadevergoeding. De commissie oordeelt dat het ziekenhuis zorgvuldig heeft gehandeld en de geldende medische richtlijnen heeft gevolgd. Omdat er destijds geen duidelijke aanwijzingen waren voor prostaatkanker, was een PSA-test niet nodig. Ook is niet bewezen dat de ziekte eerder ontdekt had kunnen worden of dat de gezondheid van de cliënt daardoor is verslechterd. Daarom is de klacht ongegrond en krijgt de cliënt geen schadevergoeding.
De volledige uitspraak
in het geschil tussen
de heer [naam], wonende te [plaatsnaam] (hierna te noemen: de cliënt)
en
Stichting Spaarne Gasthuis, gevestigd te Haarlem
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).
Onderwerp van het geschil
De cliënt heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder.
Het geschil betreft het onderzoek naar de fysieke klachten van de cliënt, wat volgens de cliënt onvoldoende is geweest.
Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De klacht van de cliënt ziet op ernstige nalatigheid in de medische zorgverlening die hij tussen 2019 en 2021 heeft ontvangen.
Vanaf 2019 heeft de cliënt de zorgaanbieder bezocht in verband met aanhoudende plasproblemen. Gedurende deze periode is de cliënt regelmatig op consult geweest bij specialisten. Ondanks de klachten is in die jaren geen PSA-bloedonderzoek uitgevoerd om prostaatproblemen uit te sluiten, wat wel standaardprocedure is bij dergelijke klachten.
De PSA-waarde is onderzocht door de huisarts van de cliënt en bleek 27,8 te zijn. De huisarts schreef een antibioticakuur voor, maar die had geen effect. Vervolgens is de cliënt opnieuw naar het ziekenhuis doorverwezen. Dit duurde echter lang. Volgens de specialisten bestaat geen officieel PSA-protocol voor tumordetectie, maar de cliënt vindt het opmerkelijk dat PSA nu wel elke drie maanden wordt gebruikt om op een tumor te controleren.
Door het uitblijven van een tijdige diagnose is de kanker inmiddels uitgezaaid naar andere delen van het lichaam, wat de behandelopties aanzienlijk heeft beperkt. Had de zorgaanbieder in 2019 of 2020 adequaat onderzoek verricht, had de tumor mogelijk tijdig verwijderd kunnen worden.
De cliënt houdt de zorgaanbieder en de betrokken specialisten aansprakelijk voor:
1. Het nalaten van standaard diagnostisch onderzoek (zoals PSA-testen),
2. De vertraagde diagnose van prostaatkanker,
3. De daaruit voortvloeiende verslechtering van zijn gezondheidstoestand.
Vanwege de lichamelijke schade die de cliënt als gevolg van deze medische fout heeft geleden, stelt hij het ziekenhuis aansprakelijk en verzoekt hij om een schadevergoeding van € 25.000,-.
Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Op basis van zijn klachten is de cliënt in 2019 en 2020 volgens de toen gangbare richtlijn Mannelijke niet-neurogene Lower Urinary Tract Symptoms (LUTS) behandeld. Het standpunt van de Nederlandse huisartsen en urologen anno 2019-2020 was dat niet standaard een PSA-waarde wordt bepaald, ook niet als plasklachten worden ervaren.
De klachten van de cliënt waren op dat moment ook geen reden om de PSA-waarde te bepalen. Het bepalen van een PSA-waarde is nooit bedoeld om prostaatkanker op te sporen. Bij prostaatkanker kan de PSA-waarde stijgen, maar het is ook mogelijk dat de PSA-waarde stijgt bij een ontsteking of een vergrote prostaat. Het is daarbij ook mogelijk dat iemand prostaatkanker heeft zonder een verhoogde PSA-waarde. Belangrijk hierbij is ook dat prostaatkanker bijna nooit plasklachten geeft. Dit kan wel als de prostaatkanker aan de binnenkant van de prostaat groeit, maar dat zou dan bij het bij klager uitgevoerde kijkonderzoek in 2019 zeker zijn gezien. De klachten waren in 2019 en 2020 niet gerelateerd aan prostaatkanker.
Nadat de huisarts de PSA-waarde had geprikt en de cliënt hiervan de uitslag meldde aan de uroloog, heeft de uroloog zonder vertraging actie ondernomen door het inzetten van onderzoeken en chemotherapie waarna de cliënt zich onder behandeling heeft laten stellen van een uroloog buiten de zorgaanbieder.
De zorgaanbieder is van mening dat de uroloog heeft gehandeld zoals verwacht mag worden van een redelijk bekwaam en redelijk handelende arts in dezelfde situatie. De vordering tot schadevergoeding dient dan ook te worden afgewezen.
Beoordeling van het geschil
Toetsingskader
De overeenkomst die de cliënt met de zorgaanbieder heeft gesloten, betreft een geneeskundige
behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Op grond van de behandelingsovereenkomst die de cliënt met de zorgaanbieder is aangegaan, moet de
zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij
handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor
hulpverleners geldende professionele standaard (het goed hulpverlenerschap uit artikel 7:453 van het BW),
die mede bepaald wordt door onder meer de stand en inzichten van de medische wetenschap, richtlijnen
en protocollen. Het goed hulpverlenerschap houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die
een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben
betracht.
Bevindingen commissie
Tussen partijen in het geschil is of de zorgaanbieder reeds in 2019 bij de cliënt een PSA-onderzoek had moeten verrichten.
De commissie stelt vast dat de cliënt zich destijds bij de zorgaanbieder heeft gemeld met klachten bestaande uit mictieproblemen en erectiele disfunctie. Naar aanleiding van deze klachten heeft de zorgaanbieder diagnostisch onderzoek verricht dat zich met name heeft gericht op deze specifieke urologische klachten. In dat kader zijn onder meer een rectaal toucher uitgevoerd en een echografie gemaakt. Uit de resultaten van deze onderzoeken zijn geen afwijkingen naar voren gekomen die wezen op prostaatkanker.
Gelet op deze bevindingen is de commissie van oordeel dat er voor de zorgaanbieder op dat moment geen concrete aanwijzingen bestonden om prostaatkanker te vermoeden. Tegen deze achtergrond heeft de zorgaanbieder afgezien van het bepalen van de PSA-waarde bij de cliënt.
De commissie overweegt dat dit beleid in overeenstemming is met de geldende professionele standaard. Uit de richtlijn “Mannelijke niet-neurogene LUTS” van de Federatie Medisch Specialisten volgt dat het bepalen van de PSA-waarde niet geïndiceerd is in gevallen waarin geen aanwijzingen bestaan voor prostaatkanker. De door de zorgaanbieder verrichte diagnostiek sluit aan bij de hulpvraag van de cliënt en voldoet aan hetgeen van een redelijk handelend en bekwaam zorgverlener mag worden verwacht.
Het feit dat de huisarts in juni 2021 alsnog een PSA-onderzoek heeft verricht en daarbij een verhoogde waarde heeft vastgesteld, leidt niet tot een ander oordeel. De commissie neemt daarbij in aanmerking dat een verhoogde PSA-waarde verschillende oorzaken kan hebben en niet zonder meer duidt op de aanwezigheid van prostaatkanker. Bovendien dient de beoordeling van het handelen van de zorgaanbieder plaats te vinden aan de hand van de op dat moment beschikbare gegevens en bevindingen.
Alles overziende komt de commissie tot het oordeel dat de zorgaanbieder zorgvuldig heeft gehandeld en heeft gehandeld conform de geldende medische richtlijnen. Niet is gebleken dat de zorgaanbieder onzorgvuldig of nalatig heeft gehandeld door in 2019 geen PSA-onderzoek uit te voeren. Evenmin is daaruit niet vast te stellen dat door het achterwege laten daarvan een vertraging in de diagnostiek van prostaatkanker is ontstaan, noch dat de gezondheidstoestand van de cliënt daardoor is verslechterd.
Conclusie en schade
De klacht van de cliënt wordt ongegrond verklaard. Het verzoek tot schadevergoeding moet dan ook worden afgewezen.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
– verklaart de klacht van de cliënt ongegrond;
– wijst de vordering tot schadevergoeding af.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, de heer prof. dr. R.J.A. van Moorselaar, de heer mr. P.O.H. Gevaerts, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. S.M.E. Balfoort, secretaris, op 7 april 2026.