Commissie: Ziekenhuizen
Categorie: Kosten
Jaartal: 2026
Soort uitspraak: bindend advies
Uitkomst: ongegrond
Referentiecode:
1309662/1320012
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
Dit geschil gaat over een patiënt die vond dat hij te veel moest betalen voor een kort onderzoek bij de uroloog en dat hiervoor de verkeerde declaratie (DBC) is gebruikt. Ook klaagt hij dat zijn klacht niet goed is behandeld. De zorgaanbieder stelt dat de declaratie volgens de regels is gedaan en dat de klachten zorgvuldig zijn behandeld. De commissie oordeelt dat de zorgaanbieder correct heeft gehandeld: voor het onderzoek mocht een DBC worden gebruikt, ook als er geen vervolgbehandeling is geweest. Ook de klachtenprocedure is volgens de regels verlopen. De klacht is daarom ongegrond en het verzoek van de patiënt wordt afgewezen.
De volledige uitspraak
in het geschil tussen
de heer [naam], wonende te [plaatsnaam] (hierna te noemen: klager)
en
Stichting ZorgSaam Zorggroep Zeeuws-Vlaanderen, gevestigd te Terneuzen
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).
Onderwerp van het geschil
Klager verwijt de zorgaanbieder dat ten onrechte een Diagnose Behandel Combinatie (DBC) is geopend hoewel voor zijn probleem de categorie Overig Zorg Product (OZP) geëigend was, waarvan de kosten veel lager zijn. Voorts verwijt klager de zorgaanbieder dat zijn klacht in de klachtprocedure te summier is verwoord.
Standpunt van klager
Klager had een urologisch probleem waarvoor hij werd behandeld. Op advies van zijn huisarts heeft hij een second opinion gevraagd in het ziekenhuis van de zorgaanbieder. Op 17 april 2024 had klager een onderzoek bij de uroloog van de zorgaanbieder. Het onderzoek besloeg slechts tien minuten; van 15.00 uur tot 15.10 uur. Na een rectaal touché en een prostaat echografie constateerde de uroloog dat verdere controles en onderzoeken zinloos waren en werd het consult beëindigd. Vier maanden later volgde tot verbijstering van klager een nota van € 802,51. Klager is van mening dat dit buitenproportioneel is voor een simpel onderzoek. Door de zorgaanbieder werd gesteld dat sprake was van een DBC-zorgproduct, maar van enige behandeling is geen sprake geweest. Klager is van mening dat de zorgaanbieder had moeten kiezen voor de code OZP waarvan de kosten veel lager zijn. Klager heeft een klacht ingediend en de gehele klachtenprocedure van de zorgaanbieder gevolgd. Klager is het niet eens met de wijze waarop de klachtencommissie en vervolgens de Raad van Bestuur zijn klachten hebben afgedaan. Door de zorgaanbieder is veel te summier ingegaan op waar de klacht van klager op doelt. De reacties van de betrokkenen in het klachtentraject lieten zeer te wensen over. De Geschillencommissie is de zevende instantie tot wie klager zich wendt. Klager voelt zich niet serieus behandeld en in de maling genomen. Klager verlangt een erkenning van zijn klachten en vraagt een oordeel van de commissie over de handelwijze van de zorgaanbieder.
Standpunt van de zorgaanbieder
Klager is in het voorjaar van 2024 door zijn huisarts verwezen naar de uroloog van de zorgaanbieder. Op 17 april 2024 heeft een eerste consult plaatsgevonden en werd een DBC geopend. De uroloog heeft nader onderzoek verricht middels een rectaal touché en een echografisch onderzoek van de prostaat. Op grond van de prijsafspraken die de zorgaanbieder met de zorgverzekeraar van klager, heeft, stond hier een tarief van € 802,51 tegenover. Dit bedrag is door de zorgaanbieder gedeclareerd bij de zorgverzekeraar en door de verzekeraar voldaan aan de zorgaanbieder. Op 2 oktober 2024 heeft klager een klacht ingediend bij de zorgaanbieder waarna er tot begin april 2025 uitvoerig mailcontact is geweest tussen klager en de klachtenfunctionaris van de zorgaanbieder. Ook is er telefonisch contact geweest. Op 3 april 2025 heeft klager een klacht ingediend bij de klachtencommissie van de zorgaanbieder over de nota van de uroloog. Klager verwijt de zorgaanbieder dat ten onrechte gebruik is gemaakt van de DBC waardoor hem door zijn zorgverzekeraar te veel in rekening is gebracht. De klachtencommissie heeft de Raad van Bestuur geadviseerd de klacht ongegrond te verklaren welk advies de Raad van Bestuur heeft overgenomen. De zorgaanbieder begrijpt de frustratie van klager over het systeem van DBC-producten en contractafspraken tussen ziekenhuizen en zorgverzekeraars. De zorgaanbieder betreurt het dat het hem niet is gelukt om de vragen van klager op een bevredigende manier te beantwoorden. De zorgaanbieder heeft de zorgkosten die gepaard gingen met het onderzoek van klager echter gedeclareerd op de wijze die is vastgesteld door de NZa (Nederlandse Zorgautoriteit).
Beoordeling van het geschil
Anders dan klager verondersteld was voor het onderzoek dat hij op de afdeling urologie van de zorgaanbieder heeft ondergaan OZP niet de aangewezen categorie. Klager is na de verwijzing door zijn huisarts voor een second opinion een behandelingsovereenkomst aangegaan met de zorgaanbieder. In het kader van die behandelingsovereenkomst diende lichamelijk en echografisch onderzoek te worden verricht voor welke onderzoeken een DBC dient te worden geopend. Dat die onderzoeken geen aanleiding hebben gegeven tot een vervolgconsult of behandeling wil niet zeggen dat de zorgaanbieder ten onrechte een DBC heeft geopend en op basis daarvan, conform de daarvoor geldende codes en tarieven, onjuist heeft gedeclareerd. De gehanteerde financieringssystematiek is inherent aan het in Nederland geldende zorgsysteem van contractafspraken tussen ziekenhuizen en zorgverzekeraars hetwelk de zorgaanbieder gehouden is te volgen. Op grond van dat systeem registreert en declareert een zorgverlener zorgkosten door middel van een DBC. De NZa stelt de behandelcodes en maximale tarieven vast. Dat klager het niet eens is met die systematiek kan niet aan de zorgaanbieder tegengeworpen worden.
De commissie is niet gebleken dat de zorgaanbieder buiten de wettelijke kaders heeft gehandeld of gedeclareerd.
Klager verwijt de zorgaanbieder voorts dat zijn klachten te summier zijn verwoord. Voor zover klager hiermee heeft bedoeld te zeggen dat de zorgaanbieder de klachtenprocedure niet adequaat heeft gevoerd dan is de commissie daarvan niet gebleken. Uit de overgelegde stukken kan de commissie niet anders afleiden dan dat de zorgaanbieder zeer uitvoerig is ingegaan op de klachten van klager aan de hand van de toelichting en uitleg van de DBC-systematiek. Ook wat de klachtafhandeling betreft is de klacht van klager ongegrond.
Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht van klager in alle onderdelen ongegrond is.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie verklaart de klacht van klager ongegrond en wijst het door hem verzochte af.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit mevrouw mr. dr. E. Venekatte, voorzitter, mevrouw drs. M.L.T.B.M. Köhlen, de heer J. Zomerplaag, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. J.C. Quint, secretaris, op 27 maart 2026.