Commissie: Verpleging Verzorging en Geboortezorg
Categorie: Medisch dossier
Jaartal: 2026
Soort uitspraak: bindend advies
Uitkomst: ongegrond
Referentiecode:
1309601/1312473
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
Deze zaak gaat over een klacht van een zus (klaagster) die samen met haar ouders inzage wil krijgen in het medisch dossier van haar overleden broer. Zij vermoedt dat de zorgaanbieder fouten heeft gemaakt en wil daarom meer duidelijkheid. De zorgaanbieder weigert dit, omdat de cliënt tijdens zijn leven heeft aangegeven dat zijn familie geen inzage mocht krijgen. De commissie oordeelt dat de zorgaanbieder zich aan de wet heeft gehouden. Er is geen toestemming van de cliënt en ook geen zwaarwegend belang aangetoond om het dossier toch te geven. Daarom is de klacht ongegrond en krijgen klaagster en haar ouders geen inzage in het dossier.
De volledige uitspraak
in het geschil tussen
[Naam], wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: klaagster)en
Middin, gevestigd te Rijswijk
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).
Standpunt van klaagster
Voor het standpunt van klaagster verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dit op het volgende neer.
De broer van klaagster (hierna te noemen: de cliënt) heeft bij de zorgaanbieder verbleven. Helaas moest hij een paar keer van locatie veranderen. In de laatste locatie had hij het niet naar zijn zin, aangezien er diverse dingen waren voorgevallen.
De cliënt viel ook klaagster en haar ouders lastig. Dat hebben zij geprobeerd duidelijk te maken aan diverse begeleiders van de zorgaanbieder. Zij konden echter niet altijd de juiste persoon hiervoor bereiken.
Op 1 december 2017 was de cliënt boos geworden, omdat hij een gesprek had gehad met de begeleidster over zijn gedrag. Vervolgens heeft hij klaagster kwaad opgebeld. Hij was niet voor rede vatbaar. Klaagster heeft toen contact opgenomen met de begeleidster. Aangezien de cliënt in de hal van de zorgaanbieder stond, heeft de begeleidster de verbinding met klaagster verbroken.
De cliënt is vervolgens boos bij de zorgaanbieder vertrokken en heeft suïcide gepleegd.
Na het overlijden van de cliënt hebben klaagster en haar ouders diverse gesprekken gehad met verschillende medewerkers van de zorgaanbieder. Zij hebben van hen niet alle informatie over de cliënt gekregen.
Vervolgens hebben klaagster en haar ouders nog een gesprek gehad met de verantwoordelijke directeur. Toen de afspraak bevestigd werd via de e-mail, is gevraagd of zij het dossier van de cliënt nog wilden inzien. Klaagster heeft de afspraak bevestigd en daarbij aangegeven dat zij en haar ouders inderdaad het dossier wilden inzien.
Tijdens het gesprek hebben klaagster en haar ouders echter geen inzage gekregen in het dossier.
Klaagster en haar ouders zijn van mening dat er fouten zijn gemaakt door de zorgaanbieder.
Klaagster verzoekt de commissie te bepalen dat zij en haar ouders alsnog inzage krijgen in het dossier van de cliënt.
Voorts verlangt zij van de zorgaanbieder dat excuses worden aangeboden met betrekking tot de behandeling van de cliënt, alsmede voor de wijze waarop zij en haar ouders zijn behandeld, ook na het overlijden van de cliënt.
Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dit op het volgende neer.
De zorgaanbieder begrijpt dat het verzoek van klaagster om inzage te krijgen in het dossier van de cliënt voortkomt uit een diepgewortelde wens om duidelijkheid en erkent dat het verlies van hem een ingrijpende gebeurtenis is geweest.
De cliënt onderhield een moeizame relatie met zijn ouders en klaagster. Hij heeft bij herhaling aan de begeleiding van de zorgaanbieder aangegeven dat hij geen betrokkenheid van zijn familie wenste bij zijn zorgtraject. Hij heeft voorts expliciet aan zijn begeleider kenbaar gemaakt dat hij niet wilde dat zijn familie inzage kreeg in zijn dossier.
Op de zorgaanbieder rust een wettelijke geheimhoudingsplicht op grond van artikel 7:457 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Deze verplichting geldt ook jegens nabestaanden, tenzij de cliënt bij leven expliciet toestemming heeft gegeven voor inzage. In het geval van de cliënt is geen toestemming verleend. Er is voorts geen sprake van een voldoende zwaarwegend belang dat de geheimhoudingsplicht zou kunnen doorbreken. De cliënt heeft bij leven duidelijk gemaakt dat hij zijn privacy wenste te behouden. Dit belang weegt zwaarder dan het belang van de klaagster en haar ouders om inzage te verkrijgen.
Na het overlijden van de cliënt heeft de zorgaanbieder contact gehouden met klaagster en haar ouders. Naar aanleiding van vragen via de klachtenfunctionaris is een nazorggesprek aangeboden. Hiervan is geen gebruik gemaakt.
De zorgaanbieder verzoekt de commissie het verzoek tot inzage in het dossier van de cliënt af te wijzen. De zorgaanbieder blijft bereid in gesprek te gaan over de beleving van klaagster, maar zal dat uitsluitend doen binnen de grenzen van de wettelijke mogelijkheden en verplichtingen.
Beoordeling van het geschil
De commissie stelt voorop dat de behoefte van klaagster (en haar ouders) om inzage te verkrijgen in het medisch dossier zeer begrijpelijk en invoelbaar is. Het verzoek van klaagster dient evenwel op juridische gronden te worden beoordeeld.
Op grond van artikel 7:458a, lid 1 BW kan aan een nabestaande inzage worden geboden in het medisch dossier op de volgende gronden:
a. met toestemming, schriftelijk of elektronisch vastgelegd, van de overledene;
b. indien er sprake is van een mededeling van een incident bij het verlenen van zorg;
c. indien er sprake is van een zwaarwegend belang.
De zorgaanbieder heeft gesteld dat de cliënt herhaaldelijk heeft aangegeven dat hij niet wilde dat klaagster (en haar ouders) zijn medisch dossier kon(den) inzien. Dit is door klaagster niet, althans onvoldoende, weersproken. Integendeel, de stelling van de zorgaanbieder vindt steun in de verklaring van klaagster ter zitting dat de cliënt al sinds de scheiding van haar ouders in 2006 nauwelijks contact had met haar en/of haar ouders.
Voorts is niet gebleken van een mededeling van een incident bij het verlenen van zorg. De commissie merkt in dit verband nog op dat een suïcide alleen als incident moet worden gekwalificeerd als de kwaliteit van de verleende zorg in het geding is geweest. Daarvoor treft de commissie in de overgelegde stukken of het verhandelde ter zitting geen aanwijzingen aan; de zorgaanbieder heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat op de dag van het gebeurde de geldende protocollen zijn gevolgd.
Gelet op het voorgaande zijn de onderdelen a en b in dit geval niet aan de orde.
De commissie toetst daarom uitsluitend aan onderdeel c; is sprake van een zwaarwegend belang? Daarbij geldt dat er hoge eisen worden gesteld aan het verkrijgen van het recht op inzage wegens een zwaarwegend belang.
Er moet zijn voldaan aan drie cumulatieve vereisten:
1) er is daadwerkelijk sprake van een zwaarwegend belang,
2) degene die stelt dat hij een zwaarwegend belang heeft, moet met voldoende concrete aanwijzingen aannemelijk maken dat dit belang mogelijk wordt geschaad door de geheimhouding van het dossier, en
3) deze moet aannemelijk maken dat inzage noodzakelijk is voor de behartiging van dit belang.
Inzage in het medisch dossier om te beoordelen of de overleden cliënt steeds de juiste zorg heeft gehad, is geen zwaarwegend belang. Een emotioneel belang is op zichzelf ook een onvoldoende zwaarwegend belang om doorbreking van het beroepsgeheim te rechtvaardigen. Ook het belang bij het verkrijgen van gegevens over een eventuele medische fout en het mogelijk tegen de hulpverlener starten van een aansprakelijkheidsprocedure weegt in beginsel niet op tegen het algemene belang dat met het beroepsgeheim wordt beschermd (zie bijvoorbeeld een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van
19 januari 2022, (ECLI:NL:RBOBR:2022:96, alsmede een uitspraak van de rechtbank Den Haag van
23 oktober 2024 (ECLI:NL:RBDHA: 2024:16985).
Van een zwaarwegend belang kan wel sprake zijn in het geval er een vermoeden bestaat dat er een medische fout is gemaakt. Klaagster heeft haar vermoeden dat er fouten zijn gemaakt door de zorgaanbieder niet aannemelijk gemaakt. Op grond van het dossier en het ter zitting verhandelde is niet aannemelijk geworden dat de zorgaanbieder onzorgvuldig heeft gehandeld en dat de suïcide van de cliënt aan nalatigheid van de zorgaanbieder is te wijten. Ook bij zorgvuldig en medisch/protoculair juist handelen is suïcide helaas niet in alle gevallen te voorkomen.
Gelet op het voorgaande is de commissie van oordeel dat de zorgaanbieder terecht terughoudend is geweest met betrekking tot de inzage in het medisch dossier. Zij zal de klacht van klaagster daarom ongegrond verklaren en het door haar verzochte afwijzen.
De commissie merkt nog op dat de zorgaanbieder ter zitting heeft herhaald dat zij bereid is tot het voeren van een gesprek met klaagster. Klaagster heeft verklaard dit aanbod in beraad te nemen.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie verklaart de klacht van klaagster ongegrond en wijst het door haar verzochte af.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Verpleging Verzorging en Geboortezorg, bestaande uit mevrouw mr. A.D.R.M. Boumans, voorzitter, de heer dr. M. Decates en de heer mr. P.C. de Klerk, leden,
in aanwezigheid van mevrouw mr. drs. I.M. van Trier, secretaris, op 26 januari 2026.