Commissie: Geestelijke Gezondheidszorg
Categorie: (On)Zorgvuldig handelen
Jaartal: 2026
Soort uitspraak: bindend advies
Uitkomst: ongegrond
Referentiecode:
1316512/1326550
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De zaak gaat over een cliënt die tijdens een opname in een ggz-instelling urinecontroles kreeg en het niet eens was met de uitslag en de manier waarop daarmee is omgegaan. Hij vond dat de zorgaanbieder onzorgvuldig handelde en dat hij onterecht bijna eerder werd ontslagen. Ook was hij ontevreden over de behandeling van zijn klacht. De commissie oordeelt dat de zorgaanbieder voldoende zorgvuldig heeft gehandeld, omdat extra testen zijn gedaan en het ontslag is aangepast. Ook bij de klachtbehandeling is geen fout vastgesteld. Daarom is de klacht ongegrond en krijgt de cliënt geen schadevergoeding.
De volledige uitspraak
in het geschil tussen
de heer [naam], wonende te [plaatsnaam]
(hierna te noemen: de cliënt)
en
Stichting Altrecht, gevestigd te Utrecht
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).
Onderwerp van het geschil
De cliënt heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder. Het geschil betreft de kwaliteit van de geleverde zorg aan de cliënt met betrekking tot urinecontroles tijdens een vrijwillige opname bij de zorgaanbieder en de afhandeling van de interne klachtenprocedure.
Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De cliënt heeft, naar de commissie begrijpt, zijn klacht onderverdeeld in twee klachtonderdelen, te weten:
1) Urinecontroles en ontslagdatum
De cliënt is op 5 november 2024 voor één week op de afdeling van de zorgaanbieder opgenomen geweest als gevolg van een kortdurende psychose. Tijdens de opname is de urine van de cliënt meermalen gecontroleerd. Op 13 november 2024 vond een derde controle plaats, waarbij zich volgens de cliënt een zeer onaangename situatie heeft voorgedaan met de behandelaar van de zorgaanbieder. Deze urinetest was volgens de zorgaanbieder positief op cocaïne. De cliënt stelt dat de behandelaar van de zorgaanbieder als gevolg van het testresultaat direct aangaf dat hij onmiddellijk de kliniek moest verlaten, een dag eerder dan in eerste instantie was afgesproken. De cliënt stelt dat de behandelaar van de zorgaanbieder hem zonder waarschuwing of voorbereiding op straat wilde zetten, terwijl hij nog herstellende was van een psychose en er geen familie beschikbaar was om praktische zaken te regelen. De cliënt was ervan overtuigd dat hij geen drugs had gebruikt en weigerde daarom te vertrekken. Hij verzocht om inzage in de testuitslag, maar dit werd door de behandelaar van de zorgaanbieder geweigerd. De behandelaar van de zorgaanbieder gaf aan dat de test en het urinemonster al waren weggegooid. Samen met zijn advocaat en casemanager heeft de cliënt er uiteindelijk voor gezorgd dat er een tweede urinetest werd afgenomen, en dat zijn ontslag zou worden uitgesteld met één dag. Na het afnemen van de tweede urinecontrole stelt de cliënt door de behandelaar van de zorgaanbieder ervan te zijn beschuldigd kraanwater te hebben toegevoegd aan de urine. Hierop heeft een derde urinetest plaatsgevonden. De tweede en de derde urinetest zijn naar het laboratorium gestuurd en daar is uitgekomen dat beide testen negatief zijn. Wel is er in de tweede test een heel lage creatinine waarde vastgesteld, wat mogelijk duidt op verdunning door water.
De cliënt stelt dat de zorgaanbieder met deze gang van zaken rondom de urinecontroles onzorgvuldig heeft gehandeld. De cliënt is niet in de gelegenheid gesteld tot contra-expertise ten aanzien van de eerste urinetest, terwijl dit gelet op de geldende richtlijnen wel had gemoeten. Temeer nu de consequenties van de positieve urinetest waren dat het ontslag van de cliënt met een dag werd vervroegd en dit bovendien gevolgen heeft voor toekomstige opnames. Bovendien stelt de cliënt dat hij ten onrechte is beschuldigd van het toevoegen van kraanwater aan het tweede urinemonster.
2) Zorgoordeel van de zorgaanbieder naar aanleiding van interne klachtenprocedure
De cliënt stelt dat het zorgoordeel van de zorgaanbieder naar aanleiding van de interne klachtenprocedure onvoldoende is geweest gelet op artikel 17 Wkkgz. Uit artikel 17 Wkkgz volgt dat de zorgaanbieder schriftelijk, met redenen omkleed, meedeelt tot welk oordeel het onderzoek van de klacht heeft geleid, welke beslissingen de zorgaanbieder over en naar aanleiding van de klacht heeft genomen, en binnen welke termijn maatregelen waartoe is besloten, zullen zijn gerealiseerd.
De cliënt stelt dat de zorgaanbieder met de schriftelijke mededeling enkel heeft laten weten het advies van de interne klachtencommissie over te nemen en de klachtonderdelen ongegrond te zullen verklaren. Het zorgoordeel bevat geen maatregelen die de zorgaanbieder heeft genomen naar aanleiding van de klacht. Dit terwijl de behandelaar van de zorgaanbieder en de interne klachtencommissie hebben aangegeven dat het onjuist is geweest dat het urinemonster van de eerste urinetest werd weggegooid, en de behandelaar van de zorgaanbieder ook heeft aangegeven deze situatie te evalueren. Door de zorgaanbieder zijn geen voor de cliënt zichtbare verbetermaatregelen genomen om een dergelijke situatie een volgende keer te voorkomen.
Ten aanzien van het niet-ontvankelijkheidsverweer van de zorgaanbieder stelt de cliënt dat hij wel ontvankelijk moet worden verklaard. Daarbij verwijst de cliënt naar een uitspraak van de commissie in een andere zaak met referentienummer 110302/125241. De cliënt stelt dat sprake is van eenzelfde situatie nu het onderwerp van de klacht van de cliënt niet is veranderd. Daarnaast stelt de cliënt dat hij geen andere mogelijkheid heeft om te klagen over de klachtafhandeling door de interne klachtencommissie dan wel de Raad van Bestuur van de zorgaanbieder, dan de klacht voorleggen aan de commissie.
Verzoek tot schadevergoeding
De cliënt vordert als gevolg van bovenstaande een schadevergoeding voor opgelopen immateriële schade van € 25.000,-. De commotie op de afdeling naar aanleiding van de urinecontroles heeft geleid tot mentale klachten, zoals verhoogde stress en gevoelens van onrust. Dat het vervroegde ontslag weer is ingetrokken, doet daar niet aan af. Bovendien heeft de behandelaar geadviseerd om cliënt bij toekomstige opnames geen vrijheden toe te kennen. Dit advies heeft niet alleen invloed (gehad) op het verloop van latere opnames, maar heeft ook geleid tot aanvullende schade voor de cliënt. Ter zitting heeft de cliënt nog aangevuld dat onderhavige situatie regelmatig onderwerp van gesprek is met zijn casemanager, en dat het hem belemmert in zijn dagelijks leven. De cliënt kan de gebeurtenissen namelijk slecht loslaten omdat hij zich aan zijn lot overgelaten voelde door de zorgaanbieder. De gebeurtenissen hebben grote impact gehad op de cliënt. Mocht de commissie niet meegaan in het verzoek tot schadevergoeding van € 25.000,-, dan verzoekt de cliënt een redelijke en billijke schadevergoeding toe te wijzen.
De cliënt vordert voorts de zorgaanbieder te veroordelen tot het betalen van het klachtgeld van € 52,50.
Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De zorgaanbieder betwist nadrukkelijk dat er zou zijn gelogen over een positieve drugstest. De zorgaanbieder stelt dat de cliënt hiertoe geen argumenten aandraagt op grond waarvan aannemelijk is geworden dat er opzet in het spel is geweest. Dat de stick en de urinesample van de eerste urinecontrole zijn weggegooid, had niet mogen gebeuren maar dat daaruit blijkt dat de zorgaanbieder geen oog heeft gehad voor het verhaal van de cliënt is onjuist. De stellige ontkenning van de cliënt ten aanzien van drugsgebruik was juist een reden voor de zorgaanbieder om de situatie nog eens te overdenken en met de casemanager te bespreken. Hierna hebben nog twee urinecontroles plaatsgevonden, waarna is besloten aan de eerste test geen consequenties te verbinden, ook niet voor toekomstige opnames.
De zorgaanbieder stelt zich ten aanzien van klachtonderdeel twee op het standpunt dat de cliënt niet-ontvankelijk moet worden verklaard, dan wel dat de commissie niet bevoegd is dit klachtonderdeel inhoudelijk te behandelen. De zorgaanbieder stelt hiertoe dat de cliënt met zijn tweede klachtonderdeel niet klaagt over een gedraging van de zorgaanbieder in het kader van specifiek de zorgverlening, maar enkel over de interne klachtbehandeling. Meer subsidiair stelt de zorgaanbieder dat in de bestuurlijke reactie in lijn met het bepaalde in artikel 17 Wkkgz duidelijk is gemaakt tot welk oordeel het onderzoek van de klacht heeft geleid. Dat er voor de cliënt wellicht geen zichtbare verbetermaatregelen zijn getroffen, betekent niet dat die door de zorgaanbieder niet zijn genomen. Bovendien is tijdens de mondelinge behandeling van de klacht tijdens de interne klachtenprocedure reeds aan de orde geweest dat deze casus aanleiding was om de procedurele gang van zaken rond het afnemen van urinecontroles nog eens bij de medewerkers onder de aandacht te brengen. De zorgaanbieder heeft ter zitting nog aangevuld dat de interne procedures rondom het afnemen en bewaren van urinemonsters ook daadwerkelijk is aangepast. In het geval van een positieve urinetest, wordt deze nu ten alle tijden naar het laboratorium gestuurd. De zorgaanbieder ziet er middels audits en teamvergaderingen op toe dat deze nieuwe werkwijze door de medewerkers wordt nageleefd.
De zorgaanbieder stelt zich ten aanzien van het verzoek tot schadevergoeding op het standpunt dat gemotiveerd is betwist dat zij onzorgvuldig heeft gehandeld jegens de cliënt. Onder die omstandigheden meent de zorgaanbieder dat er geen reden is voor toewijzing van het verzoek tot schadevergoeding. Bovendien stelt de zorgaanbieder dat van een causaal verband tussen de eventuele schade en het handelen van de zorgaanbieder ook niet is gebleken. De zorgaanbieder merkt in dat kader op dat de commotie op de afdeling door de cliënt zelf is veroorzaakt, en dat de zorgaanbieder juist geen consequenties heeft verbonden aan de eerste drugstest. De zorgaanbieder heeft ter zitting nog aangevuld dat reeds in het verweerschrift is bevestigd dat onderhavige situatie geen consequenties heeft (gehad) voor toekomstige opnames. In het dossier van de cliënt is hierover ook niets opgenomen, hetgeen wel het geval zou zijn geweest als de positieve urinetest wel consequenties tot gevolg zou hebben. Om voornoemde redenen verzoekt de zorgaanbieder de commissie het verzoek tot schadevergoeding af te wijzen.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
Toetsingskader
De overeenkomst die de cliënt met de zorgaanbieder heeft gesloten, betreft een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Op grond van de behandelingsovereenkomst die de cliënt met de zorgaanbieder is aangegaan, moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (het goed hulpverlenerschap uit artikel 7:453 van het BW). Het goed hulpverlenerschap houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.
Klachtonderdeel 1
De commissie is van oordeel dat niet is gebleken dat de zorgaanbieder jegens de cliënt onzorgvuldig heeft gehandeld. Het enkele feit dat het eerste urinemonster en de urinetest niet meer beschikbaar waren voor een contra-expertise is daarvoor onvoldoende. In dit kader acht de commissie onder meer van belang dat haar geen feiten en omstandigheden bekend zijn geworden waaruit zou blijken dat de zorgaanbieder opzettelijk een contra-expertise onmogelijk heeft gemaakt. Sterker nog, de commissie ziet in het handelen van de zorgaanbieder aanleiding om te concluderen dat zij de stellige ontkenning van de cliënt ten aanzien van cocaïnegebruik serieus heeft genomen. Immers is er op verzoek van de cliënt een tweede en zelfs een derde urinecontrole afgenomen. Dat de zorgaanbieder op grond van de laboratoriumuitslagen het vermoeden heeft (gehad) dat de cliënt het urinemonster van de tweede controle heeft aangelengd met water, acht de commissie bovendien niet onbegrijpelijk.
Voorts is de commissie van oordeel dat de zorgaanbieder ten aanzien van de ontslagdatum ook niet onzorgvuldig heeft gehandeld jegens de cliënt. De zorgaanbieder heeft gelet op de ontstane commotie, de stellige ontkenning van de cliënt van het drugsgebruik en de tweede en derde urinecontroles, het besluit om het ontslag van de cliënt met één dag te vervroegen, teruggedraaid. Hiermee heeft de zorgaanbieder naar het oordeel van de commissie gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener mag worden verwacht. De commissie hecht eraan op te merken dat de cliënt uiteindelijk op de datum die al was afgesproken met ontslag is gegaan.
Dat de zorgaanbieder voor de toekomst consequenties heeft verbonden aan de eerste positieve urinecontrole is gemotiveerd betwist en naar het oordeel van de commissie niet komen vast te staan. Hiertoe acht de commissie onder meer van belang dat uit het verweerschrift van de zorgaanbieder voldoende blijkt dat dit niet het geval is geweest. Dit heeft de zorgaanbieder ter zitting nog eens herhaald. De commissie heeft geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Temeer niet nu de cliënt ter zitting heeft verklaard dat hij na onderhavig incident opnieuw bij de zorgaanbieder opgenomen is geweest, en niet is gebleken dat hem tijdens die opname vrijheden zijn ontzegd als gevolg van de eerste positieve urinecontrole.
Gelet op al het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ten aanzien van dit onderdeel ongegrond is.
Klachtonderdeel 2
De commissie is van oordeel dat het verweer van de zorgaanbieder strekkende tot niet-ontvankelijkheid en onbevoegdheidverklaring van de commissie niet slaagt. Uit het dossier blijkt dat de cliënt de klachtprocedure van de zorgaanbieder volledig heeft doorlopen. De cliënt kan zich niet vinden in het advies van de Klachtencommissie van de zorgaanbieder van 8 januari 2025 en het oordeel van de Raad van Bestuur van 23 januari 2025 waarin de klacht van de cliënt ongegrond is verklaard. De cliënt heeft in zijn klaagschrift aan de commissie naast de klacht over de gang van zaken rondom de urinecontroles en de ontslagdatum, zijn onvrede geuit over het zorgoordeel van de Raad van Bestuur van de zorgaanbieder. Dat de cliënt die klacht eerst aan de Klachtencommissie van de zorgaanbieder dient voor te leggen alvorens hij zijn klacht bij de commissie kan aanbrengen is onjuist; het onderwerp van de oorspronkelijke klacht (namelijk de kwaliteit van zorg voor de cliënt) is immers ongewijzigd en dat is de klacht die de cliënt voorlegt aan de commissie. Dat de cliënt daarnaast klaagt over het zorgoordeel van de Raad van Bestuur van de zorgaanbieder naar aanleiding van de interne klachtenprocedure maakt dat niet anders. Die laatste klacht kan door de commissie behandeld worden zonder dat de klachtencommissie van de zorgaanbieder zich daarover zelf heeft uitgelaten.
De commissie is van oordeel dat het in onderhavige situatie weliswaar gepast was geweest als de zorgaanbieder de cliënt meer duidelijkheid had gegeven over de gevolgmaatregelen die met betrekking tot het afnemen en bewaren van urinecontroles naar aanleiding van onderhavige situatie zijn getroffen, maar dit maakt op zichzelf nog niet dat de klacht van de cliënt gegrond is. De commissie is van oordeel dat niet is gebleken dat de zorgaanbieder in strijd heeft gehandeld met artikel 17 Wkkgz, zodat zij de klacht van de cliënt ook op dit punt ongegrond zal verklaren.
Verzoek tot schadevergoeding
Wat betreft het verzoek tot schadevergoeding overweegt de commissie dat, nog daargelaten dat het verzoek om toekenning van schadevergoeding onvoldoende is onderbouwd, er voor vergoeding van schade tekortkomingen in de nakoming van de behandelovereenkomst moeten worden vastgesteld en dat die tekortkomingen er naar het oordeel van de commissie niet zijn. Het verzoek tot schadevergoeding zal dus worden afgewezen.
Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht op beide onderdelen ongegrond is.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
‒ verklaart de klacht ongegrond;
‒ wijst het verzoek tot schadevergoeding af.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg, bestaande uit de heer mr. L. Verheij, voorzitter, de heer drs. T. Knap, mevrouw mr. H.E.L. Loeffen, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. K.E. Heins, secretaris, op 13 april 2026.