Klacht over scheef geplaatste knieprothese ongegrond verklaard

De Geschillencommissie Zorg




Commissie: Zelfstandige Klinieken    Categorie: Behandelingsovereenkomst    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 1047863/1289522

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De cliënte stelt dat haar knieprothese in 2024 scheef is geplaatst en dat dit al direct op de röntgenfoto zichtbaar was, waardoor zij maanden hevige pijn had en uiteindelijk opnieuw moest worden geopereerd. Zij vindt dat de orthopedisch chirurg een fout heeft gemaakt en vraagt om schadevergoeding. Het ziekenhuis zegt dat de operatie volgens de regels is uitgevoerd, dat de scheefstand (laxiteit) een mogelijke complicatie is die soms vanzelf verbetert, en dat er zorgvuldig is gehandeld, ook toen later een revisieoperatie nodig bleek. De commissie oordeelt dat de operaties correct zijn uitgevoerd en dat niet is gebleken dat de zorgaanbieder een fout heeft gemaakt. De klacht is ongegrond en de schadevergoeding wordt afgewezen.

De volledige uitspraak

in het geschil tussen

[Naam] wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de cliënte)

en

Bergman Clinics Nederland B.V., gevestigd te Naarden
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil

Het geschil betreft de ingrepen die door de zorgaanbieder bij de cliënte zijn uitgevoerd, waarvan zij stelt nadeel te hebben ondervonden.

Standpunt van de cliënte

Voor het standpunt van de cliënte verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dit op het volgende neer.

De cliënte is op 11 januari 2024 geopereerd door de orthopedisch chirurg van de zorgaanbieder (hierna te noemen: de chirurg). Zij heeft een knieprothese gekregen.
Na de operatie is er een foto gemaakt van de knie, waarna zij de dag erna naar huis is gegaan. Vervolgens heeft de cliënte zeven maanden vreselijke pijn geleden.
De prothese bleek scheef te zijn geplaatst. Eigenlijk was dit met het blote oog al te zien; het hele onderbeen van de cliënte stond scheef. Deze scheefstand had op basis van de foto onmiddellijk na de ingreep geconstateerd kunnen – en moeten – worden.
De chirurg heeft volgens de cliënte ook toegegeven dat de prothese scheef zat en dat dit een fout was.

Op 29 augustus 2024 heeft een andere arts een revisieoperatie uitgevoerd. Het herstel hiervan duurt weer een jaar. De cliënte heeft nog steeds heel veel pijn en kan niet veel. Het verzorgen van haar kleinkinderen gaat met veel moeite, slapen gaat nog steeds erg slecht. Daardoor heeft zij ook andere klachten, zoals hoofdpijn.
De cliënte verzoekt de commissie haar een vergoeding van € 25.000,– toe te kennen voor de schade die zij door toedoen van de zorgaanbieder heeft geleden en nog lijdt.

Ter zitting heeft de cliënte benadrukt dat zij nog steeds pijnklachten heeft en dat haar situatie verder is verslechterd. Zij is niet meer onder behandeling bij de zorgaanbieder.

Standpunt van de zorgaanbieder

Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dit op het volgende neer.

Op 11 januari 2024 heeft de chirurg een totale knieprothese geplaatst bij de cliënte. De ingreep is zonder bijzonderheden verlopen.
Het uitlijnen van de knie tijdens de operatie heeft op de gebruikelijke en zorgvuldige wijze plaatsgevonden, dat wil zeggen op geleide van de spanning op de kniebanden. Indien deze spanning onvoldoende blijkt, hetgeen helaas kan voorkomen, kan dit tot een laxiteit c.q. scheefstand leiden. Dit is een complicatie die kan voorkomen, ook indien de ingreep zorgvuldig is uitgevoerd, zoals in dit geval.

Na de operatie is een röntgenfoto gemaakt van de knie van de cliënte. Deze is goed bekeken. Op de foto was een goede stand te zien. De röntgenfoto toonde alleen laxiteit van de buitenzijde van de rechterknie. Dit is met de cliënte besproken. De laxiteit kon te maken hebben met de stand van de prothese, maar kon in het beloop van het herstel ook verbeteren.
Op 11 maart 2024 is nogmaals een röntgenfoto gemaakt. Deze foto toonde duidelijke verbetering, alhoewel er geen sprake was van een volledige normalisering van de laxiteit.

Vanwege aanhoudende pijnklachten van de cliënte is op 29 augustus 2024 een revisieoperatie uitgevoerd in de kliniek van de zorgaanbieder. Met de cliënte is besproken dat het herstel en beloop van de revisie ongeveer een jaar zouden bedragen. Ook het risico dat de pijnklachten daarna aan zouden kunnen houden, is met haar besproken. De cliënte heeft met de operatie ingestemd. Ook deze operatie is zonder bijzonderheden verlopen.

Nu van onzorgvuldig handelen van (de betrokken orthopedisch chirurgen van) de zorgaanbieder geen sprake is geweest, is er geen grondslag om de door de cliënte gestelde schade te vergoeden. Ook heeft de cliënte de schade niet onderbouwd of op enige wijze geconcretiseerd.

De zorgaanbieder verzoekt de klacht van de cliënte ongegrond te verklaren en de door haar verzochte schadevergoeding af te wijzen.

Ter zitting heeft de zorgaanbieder benadrukt dat geen sprake is van verwijtbaar handelen. Ongeacht de uitkomst van deze procedure is de zorgaanbieder bereid om te onderzoeken of de (pijn)klachten van de cliënte kunnen worden verholpen.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

De rechtsverhouding tussen partijen is aan te merken als een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Naast hetgeen partijen in die overeenkomst hebben afgesproken, gelden tussen hen – voor zover in het concrete geval van toepassing – de overige bepalingen van het BW. Bij de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moeten de hulpverleners – in dit geval de orthopedisch chirurgen – de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hen rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 BW). Deze zorgplicht houdt in dat de hulpverleners die zorg moeten betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot/hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

Het gaat bij de beoordeling daarvan niet om de vraag of het betreffende handelen van de hulpverlener anders of mogelijk zelfs beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de hulpverlener binnen de grenzen van een redelijk handelend en redelijk bekwame vakgenoot/hulpverlener in dezelfde omstandigheden zijn gebleven.

Het is aan de cliënte om in dit geschil te stellen en aannemelijk te maken dat de orthopedisch chirurg(en) onzorgvuldig heeft (hebben) gehandeld en dat zij als gevolg daarvan schade heeft geleden.

Uit het medisch dossier van de cliënte blijkt dat de cliënte zich op 24 april 2023 tot de zorgaanbieder heeft gewend in verband knieklachten. Er heeft daarna herhaaldelijk contact met haar plaatsgevonden. Na aanvankelijk conservatief beleid (niet-operatief ingrijpen) is besloten tot plaatsing van een totale knieprothese. Deze operatie heeft plaatsgevonden op 11 januari 2024. Vanwege aanhoudende pijnklachten heeft op 29 augustus 2024 een revisieoperatie plaatsgevonden.

De commissie acht, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, aannemelijk dat de operaties op de juiste manier zijn uitgevoerd. Uit de door de zorgaanbieder overgelegde operatieverslagen blijkt dat de operaties goed zijn verlopen. De omstandigheid dat aanvankelijk (op de röntgenfoto) laxiteit van de buitenzijde van de rechterknie is geconstateerd, duidt er op zich niet op dat operatief fouten zijn gemaakt. Bij een dergelijke constatering is in beginsel een afwachtend beleid gerechtvaardigd, nu de laxiteit in het beloop van het herstel kan verbeteren en ook overigens laxiteit niet per definitie tot pijnklachten leidt. Met andere woorden: revisie is niet altijd nodig. De commissie stelt voorts vast dat de zorgaanbieder de pijnklachten van de cliënte na deze operatie serieus heeft genomen. Naar het oordeel van de commissie is de beslissing van de zorgaanbieder om, na enige tijd, een revisieoperatie uit te voeren, op goede gronden genomen. De aanhoudende pijnklachten hebben vervolgens tot een revisie geleid, waarbij, blijkens de röntgenfoto, een goede stand is bereikt. Uit het dossier blijkt dat de zorgaanbieder ook na deze tweede operatie veel aandacht heeft gehad voor de pijnklachten van de cliënte. Dat de cliënte nog steeds pijnklachten ervaart is uiterst betreurenswaardig en de impact daarvan wordt niet betwist. Dat neemt echter niet weg dat het medisch dossier en de behandeling ter zitting geen grondslag bieden voor de conclusie dat door de zorgaanbieder verwijtbaar is gehandeld.

Daarbij merkt de commissie ten overvloede op dat niet valt uit te sluiten dat de klachten van de cliënte een andere bron hebben dan de laxiteit van de knieprothese. Immers, na het wegnemen van de laxtiteit en het verbeteren van de stand (middels de revisie-operatie) zijn pijnklachten nog steeds – het is inmiddels meer dan een jaar later – aanwezig. Dat de cliënte – hoe begrijpelijk ook – ervoor heeft gekozen zich niet verder te laten behandelen door de zorgaanbieder, kan de zorgaanbieder niet worden verweten.

De cliënte verzoekt de commissie haar een schadevergoeding van € 25.000,– toe te kennen. Ten aanzien van dit verzoek merkt de commissie op dat voor een aanspraak op schadevergoeding is vereist dat de zorgaanbieder in enig opzicht toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de behandelingsovereenkomst. Nu de commissie heeft vastgesteld dat er geen sprake is van een tekortkoming, zal de vordering tot schadevergoeding reeds daarom worden afgewezen.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is en dat het verzoek van de cliënte tot schadevergoeding moet worden afgewezen.
Nu de klacht ongegrond wordt verklaard, blijft het klachtengeld voor rekening van de cliënte.

Hetgeen partijen voorts nog naar voren hebben gebracht, behoeft geen bespreking, nu dit niet tot een ander oordeel kan leiden.
Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie verklaart de klacht van de cliënte ongegrond en wijst de door haar verzochte schadevergoeding af.

Overeenkomstig het reglement van de commissie is de zorgaanbieder aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.

Deze behandelingskosten worden geheel betaald.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Zelfstandige Klinieken, bestaande uit mevrouw
mr. dr. E. Venekatte, voorzitter, de heer drs. H.W.J. Koot en de heer mr. P.C. de Klerk, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. drs. I.M. van Trier, secretaris, op 31 oktober 2025.