Commissie: Zelfstandige Klinieken
Categorie: (On)Zorgvuldig handelen
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: bindend advies
Uitkomst: gegrond
Referentiecode:
228605/408097
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De zaak gaat over de vraag of een orthodontiebehandeling door een zelfstandige kliniek op een zorgvuldige manier is uitgevoerd. De moeder van de cliënt klaagde dat het gebit van haar dochter niet goed was behandeld. De Geschillencommissie liet daarom een onafhankelijke orthodontist onderzoek doen. Deze deskundige concludeerde dat de behandeling niet volgens de professionele standaard was uitgevoerd. De kliniek had onregelmatigheden in de stand van de bovenste snijtanden moeten zien en corrigeren voordat de beugel werd verwijderd. Daardoor is het eindresultaat niet mooi en terecht aanleiding voor een klacht. De commissie volgt het oordeel van de deskundige en verklaart de klacht gegrond. Ook bepaalt de commissie dat de moeder recht heeft op schadevergoeding om het gebit opnieuw te laten behandelen. De totale vergoeding bedraagt € 3.643,28 voor nieuwe behandelkosten en techniek- en materiaalkosten. Daarnaast moet de kliniek het klachtengeld van € 52,50 terugbetalen. De kliniek moet deze bedragen binnen vier weken betalen.
De volledige uitspraak
Geschillencommissie Zelfstandige klinieken
Zaaknummer 228605/408097
in het geschil tussen
[naam] (hierna te noemen: klaagster), de moeder van de cliënte,wonende te [woonplaats],
gemachtigde: [naam]
en
Orfeokliniek, gevestigd te Zoetermeer
(hierna te noemen: de zelfstandige kliniek).
Onderwerp van het geschil
Het onderwerp van geschil betreft de vraag of de zelfstandige kliniek bij de orthodontische behandeling van de cliënte onzorgvuldig heeft gehandeld.
De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
– het bindende tussenadvies van 20 januari 2025, waarin een deskundigenonderzoek is bevolen,
– de door de zelfstandige kliniek overgelegde foto’s van het gebit van de cliënte,
– de brief van 6 mei 2025 van de gemachtigde van klaagster, met bijlage,
– de brief van 18 juli 2025 van de gemachtigde van klaagster, waarin hij antwoord geeft op een aantal vragen van de deskundige,
– het op 28 juli 2025 door de zelfstandige kliniek overgelegde patiëntendossier van de cliënte,
– het deskundigenrapport van 7 oktober 2025, met bijlagen,
– de brief van de gemachtigde van klaagster van 30 oktober 2025,
– de brief van de gemachtigde van klaagster van 7 november 2025, met bijlage.
Ten slotte is onderstaand bindend advies gewezen.
Het deskundigenrapport
De deskundige, [naam] (orthodontist), heeft op 7 oktober 2025 zijn deskundigenrapport ingediend bij de commissie. In dit rapport beschrijft hij zijn bevindingen van zijn mondeling en klinisch onderzoek op 2 oktober 2025. Bij het onderzoek waren aanwezig:
– de klaagster,
– de cliënte,
– [naam], gemachtigde van klaagster,
– [naam], tandarts voor orthodontie namens de zelfstandige kliniek.
De inhoud van dit rapport geldt als hier herhaald en ingelast. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op het rapport van de deskundige.
De verdere beoordeling
De zelfstandige kliniek heeft onzorgvuldig gehandeld
De vraag die ter beoordeling van de commissie voorligt is of de zelfstandige kliniek bij de orthodontische behandeling van de cliënte onzorgvuldig heeft gehandeld. Voor de beantwoording van deze vraag heeft de commissie een deskundigenonderzoek bevolen.
De commissie constateert dat de deskundige in zijn rapport van 7 oktober 2025 op basis van zijn mondeling en klinisch onderzoek tot de conclusie is gekomen dat de orthodontische behandeling van de cliënte door de zelfstandige kliniek niet volgens de professionele standaard is uitgevoerd. Volgens de deskundige zijn bij het gebit van de cliënte tandverschillen van de derde orde van de gebitselementen 11-12 ten opzichte van 21-22 (snijtanden bovenkaak) waarneembaar. De deskundige geeft verder in zijn rapport aan dat de zelfstandige kliniek dit had kunnen en moeten opmerken en voor het verwijderen van de orthodontische apparatuur had kunnen en moeten corrigeren. Er is dan ook sprake van een esthetisch onbevredigend eindresultaat waarover terecht is geklaagd, aldus de deskundige. De zelfstandige kliniek heeft geen inhoudelijke kritiek geuit op het rapport van de deskundige. De commissie verenigt zich met de bevindingen en de conclusies van de deskundige en neemt deze over. Dit betekent dat de commissie tot het oordeel komt dat de zelfstandige kliniek bij de orthodontische behandeling van de cliënte onzorgvuldig heeft gehandeld, nu de behandeling niet volgens de professionele standaard is uitgevoerd en dit heeft geleid tot een esthetisch onbevredigend eindresultaat. De klacht van de klaagster zal dan ook gegrond worden verklaard.
De schade
De klaagster heeft de commissie verzocht te bepalen dat de zelfstandige kliniek de door haar geleden schade dient te vergoeden. De commissie stelt vast dat de deskundige in zijn rapport de schade, specifiek de herbehandeling van het gebit van de cliënte met behulp van orthodontische apparatuur in de bovenkaak gedurende 12 maanden, heeft begroot op € 1.070,– exclusief techniek- en materiaalkosten.
Techniek- en materiaalkosten
De klaagster heeft in haar brief van 7 november 2025 gesteld dat de techniek- en materiaalkosten tevens tot de door haar geleden schade behoren. In de bijlage van voornoemde brief heeft zij een kostenbegroting van de heer [naam], tandarts bij [bedrijfsnaam], overgelegd waarin deze techniek- en materiaalkosten zijn begroot op € 2.050,– (€ 350,– + 1.700,–). De zelfstandige kliniek heeft de hoogte en/of de redelijkheid van deze kosten niet weersproken. De commissie is van oordeel dat de techniek- en materiaalkosten tot de door de klaagster geleden schade behoren, nu zij deze kosten dient te maken om de door de deskundige aanbevolen behandeling te laten uitvoeren. De begroting van deze kosten door de heer [naam] komt de commissie ook niet onredelijk voor. Gelet hierop zal de commissie bepalen dat de zelfstandige kliniek
€ 2.050,– aan techniek- en materiaalkosten dient te vergoeden aan de klaagster.
Behandelkosten
In de overgelegde kostenbegroting van de klaagster wordt tevens door de heer [naam] aangegeven dat hij de door de deskundige begrote behandelkosten aan de lage kant vindt, omdat er volgens hem hogere kosten te verwachten zijn voor onderzoek en planning bij een nieuwe behandelaar. Hij begroot de behandelkosten daarom op € 1.593,28. Hoewel dit op haar weg lag heeft de zelfstandige kliniek ook op dit onderdeel de door de [naam tandarts] begrote behandelkosten niet weersproken. De commissie is van oordeel dat de klaagster met verwijzing naar de gespecificeerde kostenbegroting van de heer [naam] voldoende heeft onderbouwd dat te verwachten is dat de behandelkosten hoger zullen uitvallen. Gelet hierop zal de commissie bepalen dat de zelfstandige kliniek € 1.593,28 aan behandelingskosten dient te vergoeden aan de klaagster.
Slotsom
De conclusie uit het voorgaande is dat de klacht gegrond wordt verklaard en een bedrag van € 3.643,28 aan schadevergoeding zal worden toegewezen.
Klachtengeld
De commissie is van oordeel dat het door de cliënte betaalde klachtengeld voor rekening van de zelfstandige kliniek dient te komen, nu de klacht van de klaagster gegrond wordt verklaard. De zelfstandige kliniek dient daarom het door de klaagster betaalde klachtengeld van € 52,50 aan de klaagster te vergoeden.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
– verklaart de klacht gegrond,
– bepaalt dat de zelfstandige kliniek aan de klaagster € 3.643,28 aan schadevergoeding dient te betalen. Betaling van dit bedrag dient plaats te vinden binnen een termijn van 4 weken na de verzenddatum van dit bindend advies,
– bepaalt dat de zelfstandige kliniek aan de klaagster het door haar betaalde klachtengeld van
€ 52,50 vergoedt. Betaling van dit bedrag dient plaats te vinden binnen een termijn van 4 weken na de verzenddatum van dit bindend advies,
– wijst het meer of anders verzochte af.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Zelfstandige Klinieken, bestaande uit de heer mr. J.M.P. Drijkoningen, voorzitter, de heer dr. R.H.K. Batenburg, de heer J. Zomerplaag, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. R.H.W. Theuns-van Waasdijk, secretaris, op 10 december 2025.