Commissie: Ziekenhuizen
Categorie: informatie(verstrekking)
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: bindend advies
Uitkomst: ongegrond
Referentiecode:
1116204/1299000
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
Een patiënt diende een klacht in tegen Medisch Spectrum Twente over een onderbeenamputatie die bij hem was uitgevoerd vanwege een Charcot-voet. Volgens de patiënt was vooraf afgesproken dat de amputatie halverwege het onderbeen zou plaatsvinden. Na de operatie bleek de amputatie echter dichter bij de knie te zijn uitgevoerd, wat volgens hem nadelig was voor het gebruik van een prothese. De patiënt vond dat hij onvoldoende informatie had gekregen over de amputatie en over de mogelijkheden van een prothese. Het ziekenhuis stelde dat nooit was afgesproken dat de amputatie halverwege het onderbeen zou plaatsvinden. Volgens het ziekenhuis was gekozen voor een zogenoemde transtibiale amputatie en was deze beslissing genomen op basis van medische richtlijnen en onderzoeken. De commissie keek naar de geldende richtlijn voor amputaties van het onderbeen. Uit röntgenfoto’s bleek dat de botlengte na de amputatie ongeveer 16 centimeter was, wat volgens de richtlijn voldoende is voor een goede prothese. De commissie concludeerde daarom dat de amputatie volgens de professionele standaard was uitgevoerd. Ook bleek uit het dossier dat vooraf meerdere gesprekken met de patiënt hadden plaatsgevonden en dat sprake was van informed consent. De commissie verklaarde de klacht ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af.
De volledige uitspraak
in het geschil tussen
[naam], wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de cliënt)en
Medisch Spectrum Twente (MST), gevestigd te Enschede
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).
Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.
De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.
De behandeling heeft plaatsgevonden op 11 december 2025 te Den Haag.
Partijen zijn niet voor de zitting opgeroepen.
Onderwerp van het geschil
De cliënt heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder.
Het geschil betreft (de informatieverstrekking over) de onderbeenamputatie die bij de cliënt is uitgevoerd.
Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De cliënt werd opgenomen met een Charcot-voet en zijn voet moest geamputeerd worden. De amputatie zou halverwege zijn onderbeen gebeuren, want een langere stomp zou problemen kunnen veroorzaken. In de morgen voorafgaand aan de operatie is een pennenstreep halverwege het onderbeen gezet. De cliënt heeft hierop gevraagd of het niet verder naar onder zou kunnen, zodat meer houvast bestaat voor een prothese. Aan de cliënt is nooit uitgelegd hoe een prothese eruit ziet en hoe een prothese wordt bevestigd. De arts hield vol dat de amputatie halverwege het onderbeen moest worden gezet.
Toen enkele dagen na de operatie het verband eraf werd gehaald, bleek de amputatie vijf centimeter onder de knie verricht te zijn, tegen de eerder gemaakte afspraak in. De revalidatiearts heeft hierna nog geprobeerd het verhaal te verdraaien door de cliënt mee te delen dat een kortere stomp beter is voor de instrumentenmaker. Dat was niet waar, want in februari 2025 heeft de instrumentenmaker de cliënt laten weten dat hij liever een langere stomp heeft.
De cliënt heeft diverse klachten bij de zorgaanbieder ingediend, maar de zorgaanbieder heeft nergens op gereageerd. De cliënt kan sinds de amputatie niets meer en ligt veel op de bank en op bed. De cliënt wenst hiervoor een schadevergoeding.
Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Het ziekenhuis is van mening dat de klachten aan zijn adres ongegrond zijn. Het onderbeen is niet te ver geamputeerd. Er is ook niet afgesproken het onderbeen halverwege te amputeren.
In meerdere gesprekken met de cliënt is uiteindelijk besloten tot een transtibiale amputatie. In het gesprek dat de vaatchirurg op 20 november 2023 heeft gevoerd met de cliënt, heeft de vaatchirurg in het bijzijn van de contactpersoon gesproken over de voorkeur voor het type amputatie en de redenen waarom en heeft hij uitgebreid de tijd genomen om op vragen van de cliënt in te gaan. De cliënt heeft in de tuchtprocedure gesteld dat de vaatchirurg tijdens het gesprek op 20 november 2023 een pennenstreep had gezet op het been van de cliënt op een andere plaats dan waar de uiteindelijke amputatie heeft plaatsgevonden. De vaatchirurg kan zich dat niet herinneren. Aannemelijker is dat hij met de zijkant van zijn hand het been heeft aangeraakt op de plek waarop een transtibiale amputatie doorgaans plaatsvindt. Volgens de richtlijn ‘Amputatie en prothesiologie onderste extremiteit’ (2020) van de Federatie Medisch Specialisten (FMS) is meestal een stomp van minimaal 15 cm gewenst voor een goed passende prothese. Ook in de ochtend van de operatie (op 22 november 2023) heeft de vaatchirurg geen streep gezet op het been. Hij heeft ook geen afspraak gemaakt met de cliënt om het onderbeen halverwege te amputeren.
In geen geval heeft de vaatchirurg voor de operateur de exacte locatie bepaald. Dit is immers aan de operateur zelf. In dit geval was dat een collega van de vaatchirurg. Overigens kan de vaatchirurg niet concluderen dat in afwijking van de richtlijn is gehandeld en tot een stomp van slechts 5 cm is gekomen. Uit het operatieverslag blijkt dit niet en ook niet uit de beelden die zijn gemaakt. Ten slotte zijn ook bij de behandeling van de stomp nadien, en vervolgens een jaar later opnieuw, geen bijzonderheden opgevallen.
AI met al kan daarmee niet worden gezegd dat ten aanzien van de amputatie medisch onzorgvuldig is gehandeld door de zorgaanbieder, Iaat staan dat de vaatchirurg daarvan een verwijt kan worden gemaakt. De zorgaanbieder is dan ook niet schadeplichtig.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
Toetsingskader
De overeenkomst die de cliënt met de zorgaanbieder heeft gesloten, betreft een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Op grond van de behandelingsovereenkomst die de cliënt met de zorgaanbieder is aangegaan, moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (het goed hulpverlenerschap uit artikel 7:453 van het BW), die mede bepaald wordt door onder meer de stand en inzichten van de medische wetenschap, richtlijnen en protocollen. Het goed hulpverlenerschap houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.
Amputatie
De klacht van de cliënt heeft betrekking op de onderbeenamputatie die bij hem is uitgevoerd. De cliënt stelt zich op het standpunt dat een te groot deel van zijn been is geamputeerd en dat hierover voorafgaand aan de ingreep anders met hem is gecommuniceerd.
De commissie stelt voorop dat bij de beoordeling aansluiting wordt gezocht bij de Richtlijn Amputatie en prothesiologie onderste extremiteit van de Federatie Medisch Specialisten (FMS). In deze richtlijn is bepaald dat bij een onderbeenamputatie wordt gestreefd naar een minimale botlengte van 15 centimeter. De lengte van een amputatiestomp kan nauwkeurig worden vastgesteld aan de hand van röntgenologisch onderzoek.
Uit de door de zorgaanbieder overgelegde röntgenfoto blijkt dat de botlengte 16 centimeter bedraagt en dat de lengte van de stomp circa 17 centimeter is. De commissie leidt hieruit af dat de amputatie conform de geldende richtlijn is uitgevoerd.
Ten overvloede overweegt de commissie dat alternatieve amputatievormen in dit geval niet tot de mogelijkheden behoorden. Gelet op de toestand van de wond was een voorvoetamputatie niet meer aangewezen. Verder is bekend dat een zogenoemde Syme-amputatie een verhoogd risico op onvoldoende wondgenezing met zich brengt.
De commissie stelt vast dat voorafgaand aan de ingreep CT-scans zijn vervaardigd, teneinde de amputatiehoogte zorgvuldig te kunnen bepalen. Naar het oordeel van de commissie heeft de zorgaanbieder op basis hiervan een professionele en weloverwogen beslissing genomen en gehandeld in overeenstemming met de geldende professionele standaard.
Gelet op het voorgaande komt de commissie tot de conclusie dat de klacht ongegrond is.
Informed consent
Uit de door de zorgaanbieder overgelegde chirurgische aantekeningen blijkt dat met de cliënt herhaaldelijk is gesproken over de voorgenomen amputatie en de daaraan verbonden gevolgen. Op zowel 14 november 2023 als 20 november 2023 hebben hierover gesprekken plaatsgevonden in aanwezigheid van de contactpersoon van de cliënt. Van deze gesprekken zijn verslagen opgenomen in de decursus.
De commissie verwijst in dit verband in het bijzonder naar het gespreksformulier van 20 november 2023, waarin onder meer is vastgelegd: “Dhr en contactpersoon geven aan alles begrepen te hebben en is informed consent waarna dhr op operatieplanning is gezet. […] Tevens besproken dat er iemand ’s middags nog langsloopt om de conclusies van de visite in de ochtend te herhalen.”
De commissie kan dan ook niet vaststellen dat geen sprake was van informed consent.
Conclusie
Nu de klacht van de cliënt ongegrond is, komt de commissie niet toe aan de beoordeling van de schadevordering. Deze vordering dient dan ook te worden afgewezen.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
– verklaart de klacht van de cliënt ongegrond;
– wijst de vordering tot schadevergoeding af.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit de heer mr. H.A. van Gameren, voorzitter, de heer dr. A. Peppelenbosch, de heer mr. R.P. Gerzon, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. S.M.E. Balfoort, secretaris, op 11 december 2025.