Commissie: Verpleging Verzorging en Geboortezorg
Categorie: Behandelingsovereenkomst
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: bindend advies
Uitkomst: ten dele gegrond
Referentiecode:
1013575/1248898
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
In de kern ziet de klacht op de woonsituatie van cliënt bij de zorgaanbieder en in samenhang daarmee op de zorgverlening door de zorgaanbieder aan cliënt.
De zorgaanbieder is van mening dat de klacht over de woonsituatie van cliënt gegrond is en die over de door hem geleverde zorg aan cliënt ongegrond.
De commissie heeft klaagster in haar klacht over de woonsituatie niet ontvankelijk verklaard omdat ten aanzien van die klacht niet meer gesproken kan worden van een geschil en de klacht over de geleverde zorg gegrond verklaard.
De volledige uitspraak
in het geschil tussen
mevrouw [naam] (hierna te noemen: klaagster) in haar hoedanigheid van eerste curator van de heer [naam] (hierna te noemen: cliënt), wonende te [plaatsnaam],
en
Stichting ZorgSaam Zorggroep Zeeuws-Vlaanderen, gevestigd te Terneuzen,
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).
Beoordeling
De commissie heeft op grond van de door partijen overgelegde stukken en hetgeen zij tijdens de mondelinge behandeling naar voren hebben gebracht, het volgende overwogen.
In de kern ziet de klacht op de woonsituatie van cliënt bij de zorgaanbieder en in samenhang daarmee op de zorgverlening door de zorgaanbieder aan cliënt. De commissie zal hierna beide onderdelen afzonderlijk bespreken.
De woonsituatie
In 2006 heeft cliënt een ongeluk gehad, waarbij hij ernstig hersenletsel heeft opgelopen. Na revalidatie en verblijf in verschillende zorginstellingen buiten [plaatsnaam] was cliënt sinds 2008 woonachtig op de afdeling bijzondere zorg van de locatie [naam locatie] van de zorgaanbieder in [plaatsnaam]. Op deze locatie kon cliënt dichtbij familie en vrienden verblijven.
In mei 2022 is die afdeling verplaatst naar de ouderenzorglocatie [naam ouderenzorglocatie] in [plaatsnaam]. Op uitdrukkelijke wens van de curatoren is cliënt niet meeverhuisd naar [plaatsnaam], maar is hij voor een proefperiode van zes maanden verhuisd naar de afdeling somatische zorg van de locatie [naam locatie] op het terrein van de [naam]. De proefplaatsing is niet geslaagd. De zorgaanbieder heeft vervolgens over de vervolgopties gesproken met de curatoren, die aangaven dat met een nieuwe verhuizing een definitieve eindsituatie bereikt moest kunnen worden. De zorgaanbieder heeft daarvoor geen garanties kunnen geven. Cliënt is op 3 november 2022 alsnog verhuisd naar de afdeling bijzondere zorg op de locatie [naam] in [plaatsnaam].
Klaagster heeft bij de zorgaanbieder geklaagd dat de woonruimte op de locatie [naam locatie] ongeschikt was voor cliënt. De klachtencommissie van de zorgaanbieder heeft die klacht behandeld, gegrond bevonden en de raad van bestuur van de zorgaanbieder geadviseerd de klacht gegrond te verklaren. De raad van bestuur heeft dat advies overgenomen en klaagster daarover bij brief van 4 maart 2025 geïnformeerd. Vervolgens heeft klaagster dezelfde klacht bij de commissie ingediend.
Gezien de gegrondverklaring is de commissie van oordeel dat er tussen klaagster en de zorgaanbieder geen geschil meer bestaat. Omdat alleen een geschil ter beslechting aan de commissie kan worden voorgelegd, dient klaagster ten aanzien van dit klachtonderdeel niet-ontvankelijk verklaard te worden.
De zorgverlening aan cliënt
De klachtencommissie heeft de raad van bestuur in zijn advies 14 januari 2025 geadviseerd ook de klacht ten aanzien van de zorgverlening gegrond te verklaren. De raad van bestuur heeft dit advies niet overgenomen en deze klacht bij zijn brief aan klaagster van 4 maart 2025 ongegrond verklaard. Ten aanzien van de zorgverlening bestaat er tussen partijen dan ook wel nog een geschil, dat de commissie hierna zal bespreken.
Het standpunt van klaagster
Klaagster heeft in het vragenformulier heel algemeen gesteld dat zij ontevreden is over de zorg die de zorgaanbieder aan cliënt, die een LG-7 indicatie had, heeft geleverd. Daarnaast heeft klaagster het gevoel dat de meerzorg, die aan cliënt was toegekend, niet is geleverd, omdat de meerzorg niet in het zorgplan vermeld staat.
Tijdens de hoorzitting bij de klachtencommissie van de zorgaanbieder op 11 december 2024 heeft klaagster haar klacht over de zorgverlening gespecificeerd, zoals aangegeven in het advies van de klachtencommissie aan de raad van bestuur van de zorgaanbieder van 14 januari 2025. De commissie neemt deze specificatie hier over en deze houdt het volgende in.
De zorgaanbieder overlegt met klaagster niet over een zorgplan. Het is onduidelijk of de meerzorg wordt ingezet en zo ja, hoe. Navraag bij de zorgaanbieder levert geen duidelijk antwoord op. Klaagster ziet op de locatie [naam locatie] de 3-daagse wandelmomenten van cliënt niet terugkomen. Het is onduidelijk of cliënt driemaal per dag heeft gewandeld. Niet iedere medewerker rapporteerde dit. Ook heeft klaagster gemerkt dat cliënt bij het eten geen begeleiding kreeg. Medewerkers van de zorgaanbieder zetten het eten bij cliënt klaar, terwijl de afspraak was dat er samen gegeten zou worden. Elke keer als klaagster cliënt bezocht lag hij op bed. Ook werd cliënt vaker door medewerkers uit bed gehaald op momenten die voor cliënt als rustmoment hadden te gelden.
Klaagster verlangt excuus van de zorgaanbieder dat hij de zorg, die hij moest leveren, heeft onderschat en deze niet heeft kunnen leveren omdat hij niet de goede behandelaars in huis had. Daarnaast wil klaagster van de zorgaanbieder een schadevergoeding van € 25.000, –. De geleden schade bestaat uit: verhuiskosten, de kosten die al die jaren zijn gemaakt, de extra reiskosten, die de curatoren hebben moeten maken nadat cliënt was verhuisd naar [plaatsnaam], de inrichtingskosten van zijn appartement en de waskosten wegens het vervallen van de oude waskostenregeling.
Het standpunt van de zorgaanbieder
De zorgaanbieder heeft de zorgplannen van cliënt conform wettelijke verplichtingen opgesteld. De zorgaanbieder heeft ook altijd geprobeerd om de zorgplannen met de curatoren af te stemmen volgens een daarvoor gestructureerd overleg (MDO). Het is geruime tijd niet gelukt om over de zorgplannen tot overeenstemming te komen. Klaagster en de zorgaanbieder waren het geregeld niet met elkaar eens over de mate van detail waarin de zorgverlening aan cliënt in het zorgplan beschreven moest worden. De curatoren verlangden naar de mening van de zorgaanbieder een zodanige mate van detail, dat het zorgplan hiermee praktisch onuitvoerbaar werd.
De zorgaanbieder hield bij de uitvoering van het zorgplan altijd rekening met de wisselende belastbaarheid van cliënt. Dit betekende concreet dat het zorgplan niet altijd 1:1 gevolgd kon worden. Ook de commissie heeft in het verleden geoordeeld dat aan de zorgaanbieder een zekere marge toekomst met betrekking tot de uitvoering van het zorgplan.
Voor het overige geldt dat de zorgaanbieder altijd geprobeerd heeft om de wensen van de curatoren zoveel mogelijk in te willigen en mee te bewegen in hun behoeften. De zorgaanbieder heeft consequent meerzorg aan cliënt verleend. De zorgaanbieder heeft maatwerk geleverd en heeft daarmee juist gehandeld zoals het een goed zorgaanbieder betaamt.
Klaagster heeft een schadevergoeding gevraagd, maar zij heeft op geen enkele wijze inzichtelijk gemaakt welke schade zij heeft geleden en daarom moet de verlangde schadevergoeding worden afgewezen. Evenwel is de zorgaanbieder bereid om klaagster coulancehalve een tegemoetkoming in de (verhuis)kosten te bieden van € 1.500, –.
Het oordeel van de commissie
De zorgaanbieder heeft in zijn initieel verweerschrift vermeld dat klaagster in haar klacht geen concrete voorbeelden van zijn tekortkomingen in de zorgverlening aan cliënt heeft gegeven, waardoor het voor hem lastig is zich tegen het standpunt van klaagster te verweren. Klaagster heeft haar klacht over de zorgverlening tijdens de hoorzitting bij de klachtencommissie gespecificeerd. Echter de zorgaanbieder heeft zowel tijdens die hoorzitting als in deze procedure onvoldoende concreet verweer gevoerd tegen de nader door klaagster gespecificeerde klacht. In deze procedure moet de commissie dan ook uitgaan van de juistheid van de gespecificeerde klacht. De commissie is van oordeel dat de klacht over de zorgverlening gegrond is.
Klaagster wil in de eerste plaats excuus van de zorgaanbieder. De commissie kan de zorgaanbieder daartoe niet verplichten. Bovendien valt niet in te zien welke waarde een door de commissie opgelegd excuus heeft wanneer het niet om een vrijwillige en mogelijk gemeende spijtbetuiging van de zorgaanbieder gaat. De commissie zal dit verzoek dan ook afwijzen.
Daarnaast verlangt klaagster van de zorgaanbieder een schadevergoeding van € 25.000, –. Zij specificeert de schade, die zij stelt geleden te hebben, wel maar onderbouwt deze niet. Daags na de mondelinge behandeling heeft klaagster nog een groot aantal bewijsstukken van die schade bij de commissie ingediend met het verzoek deze bij de beoordeling te betrekken. De commissie vindt echter dat de goede procesorde het niet toestaat dat na het sluiten van de mondelinge behandeling en de mededeling van de commissie aan partijen dat zij uitspraak zal doen, nog nieuwe stukken ingediend kunnen worden, stukken waarop de zorgaanbieder niet meer heeft kunnen reageren. De commissie zal die stukken dan ook niet in de beoordeling betrekken. De door klaagster verzochte schadevergoeding zal worden afgewezen.
De zorgaanbieder heeft in zijn verweerschrift gesteld dat hij coulancehalve bereid is om klaagster een tegemoetkoming in de kosten te bieden van € 1.500, –. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de zorgaanbieder verklaard dat hij dat aanbod nog steeds handhaaft. De commissie zal het aangeboden bedrag toewijzen.
Nu de commissie de klacht van klaagster gedeeltelijk gegrond heeft bevonden, dient de zorgaanbieder overeenkomstig het reglement van de commissie het door klaagster betaalde klachtengeld ad € 52,50 aan haar te vergoeden.
Beslissing
De commissie:
– verklaart klaagster niet ontvankelijk in haar klacht voor zover deze betrekking heeft op de woonsituatie
van cliënt;
– verklaart de klacht van klaagster over de zorgverlening aan cliënt gegrond;
– wijst af het door klaagster verlangde excuus;
– bepaalt dat de zorgaanbieder aan klaagster een bedrag van € 1.500,– dient te betalen;
– wijst het verzoek tot het vergoeden van schade voor het overige af;
– bepaalt dat de zorgaanbieder aan klaagster een bedrag van € 52,50 ter zake van het door haar
betaalde klachtengeld dient te betalen;
– bepaalt dat voormelde bedragen binnen veertien dagen na verzending van dit bindend advies betaald
dienen te worden.
Aldus beslist op 27 november 2025 door de Geschillencommissie Verpleging Verzorging en Geboortezorg, bestaande uit mevrouw mr. dr. E. Venekatte, voorzitter, de heer dr. M. Decates en de heer mr. P.C. de Klerk, leden, in aanwezigheid van de heer mr. L.G.H. Cox, secretaris.