Woonplek onterecht toegewezen aan ander: klacht gegrond

De Geschillencommissie Zorg




Commissie: Gehandicaptenzorg    Categorie: Overeenkomst    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 1187551/1272426

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Klager kreeg in maart 2025 van zorgaanbieder Amerpoort te horen dat er een woonplek vrij was voor zijn dochter. Na overleg accepteerde hij dit aanbod en het plaatsingstraject begon. Daarna liet de zorgaanbieder weten dat de plek toch aan iemand anders was gegeven vanwege een noodsituatie in een andere woning. De commissie vindt dat er wél een overeenkomst was gesloten en dat de zorgaanbieder zich daar niet aan heeft gehouden. Ook vindt de commissie dat geen sprake was van overmacht. Daarom is de klacht gegrond en moet de zorgaanbieder ervoor zorgen dat de dochter van klager uiterlijk 1 februari 2026 de toegezegde woonplek krijgt. Ook moet het klachtengeld van € 52,50 worden terugbetaald.

De volledige uitspraak

in het geschil tussen
[Naam], wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: klager)
en
Stichting Amerpoort, gevestigd te Baarn (hierna te noemen: de zorgaanbieder)

Onderwerp van het geschil

Klager heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder.
Het geschil betreft de toewijzing van een woning bij zorgaanbieder.

Standpunt van klager

Voor het standpunt van klager verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dat op het volgende neer.
De dochter van klager (hierna: [naam]) staat al enige tijd op de wachtlijst bij de zorgaanbieder voor een woning. Op 13 maart 2025 ontvangt klager van de zorgaanbieder een telefoontje waarin wordt aangegeven dat er een woonplek beschikbaar is voor [naam] op de locatie [locatienaam], woning C. Klager denkt over het aanbod na, waarna hij op 17 maart 2025 aan de zorgaanbieder in een telefoongesprek heeft bevestigd van het aanbod gebruik te willen maken en te willen starten met het plaatsingstraject. Op 19 maart 2025 ontvangt klager een e-mail van de zorgaanbieder waarin wordt bevestigd dat het dossier van [naam] door de gedragsdeskundige is beoordeeld, en dat aan de hand daarvan een kennismakingsgesprek en huisbezoek wordt voorgesteld. Uit deze communicatie maakt klager op dat [naam] situatie en zorgvraag geen belemmering vormen voor plaatsing op de beschikbare plek in woning C, locatie [locatienaam]. Klager gaat er daarom vanuit dat de overeenkomst met de zorgaanbieder is ontstaan. Op 27 maart 2025 krijgt cliënt in een telefoongesprek vervolgens te horen dat de woonplek die aan [naam] was toegezegd, door de zorgaanbieder aan een andere cliënt van zorgaanbieder is aangeboden. [naam] wordt weer op de wachtlijst gezet.
Klager stelt zich op het standpunt dat er sprake was van een overeenkomst met de zorgaanbieder die inhield dat de plek in woning C, locatie [locatienaam] voor [naam] is. De zorgaanbieder had de plek van [naam] daarom niet aan een andere cliënt mogen toewijzen. Klager verzoekt de plek alsnog aan [naam] toe te wijzen.

Standpunt van de zorgaanbieder

Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dat op het volgende neer.
Er was nog geen sprake van een contractuele verplichting tussen partijen. Er is door de zorgaanbieder aan klager aangegeven dat er een plek beschikbaar is in woning C op de locatie [locatienaam] C, en dat onderzocht kan worden of deze plek geschikt is voor [naam]. Door klager is het goed bevonden om dit te onderzoeken, waarna het plaatsingstraject is gestart. Van een afgerond plaatsingstraject was op het moment dat de zorgaanbieder klager heeft geïnformeerd over het niet langer beschikbaar zijn van de woonplek, nog geen sprake. Dit betekent dat er feitelijk nog geen overeenkomst tot stand was gekomen tussen de zorgaanbieder en klager. Voor een dergelijke overeenkomst is namelijk een afgerond plaatsingstraject vereist. Nu er geen sprake is van een overeenkomst, moet de klacht ongegrond worden verklaard.
Mocht de commissie toch van oordeel zijn dat sprake is van een overeenkomst, dan stelt de zorgaanbieder zich op het standpunt dat sprake was van een urgente, noodsituatie die maakte dat de zorgaanbieder verontschuldigbaar de overeenkomst niet heeft kunnen nakomen. Die urgente situatie betrof het noodzakelijk sluiten van één van de vier woningen van locatie [locatienaam] en het als gevolg daarvan herplaatsen van de acht bewoners. De herplaatsing had onder meer tot gevolg dat een cliënt die reeds in zorg is en op [locatienaam] woont, voorrang kreeg op een potentiële cliënt ([naam]) die op de wachtlijst staat.
Ter zitting heeft de zorgaanbieder ten aanzien van die urgente, noodsituatie nog het volgende naar voren gebracht. Er zijn al sinds 2016 problemen in één van de woningen op de locatie [locatienaam]. Er is lange tijd geprobeerd die problemen op te lossen, maar eind maart 2025 is het hele team aan zorgpersoneel van die woning opgestapt. Dit heeft ertoe geleid dat de acht bewoners van die woning met spoed herplaatst moesten worden.

Beoordeling van het geschil

De overeenkomst
De vraag die de commissie allereerst dient te beantwoorden is of er tussen klager en de zorgaanbieder een overeenkomst is ontstaan die inhoudt dat [naam] op de locatie [locatienaam] in woning C wordt geplaatst. De commissie beantwoordt die vraag bevestigend. Hiertoe overweegt zij als volgt.
Op 13 maart 2025 wordt door zorgaanbieder aan klager aangegeven dat er een plek beschikbaar is voor [naam] op de locatie [locatienaam], woning C. Op 17 maart 2025 wordt er door klager aan zorgaanbieder aangegeven dat zij graag gebruik wil maken van dit aanbod en dat het plaatsingsproces van [naam] van start kan gaan zodat zij zo snel mogelijk op de plek in woning C kan worden geplaatst. Partijen waren dus in onderhandeling over de plaatsing van [naam]. De daadwerkelijke plaatsing hing enkel nog af van een beoordeling van de gedragskundige. Op 19 maart 2025 ontvangt klager het bericht dat de gedragsdeskundige het dossier van [naam] heeft doorgenomen en er wordt een kennismakingsgesprek en een huisbezoek gepland voor 31 maart 2025. Uit de e-mail van 19 maart 2025 kan worden afgeleid dat de gedragsdeskundige geconstateerd heeft dat [naam] geschikt is voor de plek in de woning C. Op diezelfde dag is als gevolg daarvan dan ook de overeenkomst tussen de zorgaanbieder en klager (rechtsgeldig) ontstaan.

Een overmachtssituatie?
Op 27 maart 2025 ontvangt klager het bericht van de zorgaanbieder dat vanwege een urgentie situatie de plek die voor [naam] was aan een andere cliënt van de zorgaanbieder is toegewezen. [naam] wordt als gevolg hiervan weer op de wachtlijst gezet. Zoals de commissie reeds heeft vastgesteld, zijn zorgaanbieder en klager op 19 maart 2025 overeengekomen dat de plek in de woning C op locatie [locatienaam] voor [naam] is. In strijd met de overeenkomst heeft de zorgaanbieder de plek van [naam] op 27 maart 2025 aan een andere cliënt toegewezen. De zorgaanbieder beroept zich op een urgentie situatie die daar aanleiding toe gaf. De commissie begrijp dit verweer als een beroep op een overmachtssituatie, maar is van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat daarvan sprake is. Daarbij heeft zij in aanmerking genomen dat er kennelijk al jaren sprake was van problemen in één van de woningen op de locatie [locatienaam], en dat het aldus voorzienbaar was voor de zorgaanbieder dat een dergelijke situatie zich op enig moment zou voordoen. Desalniettemin heeft zorgaanbieder klager daar niet van op de hoogte gesteld, dan wel voorbehouden gemaakt bij de gesloten overeenkomst.
De commissie is daarom van oordeel dat de zorgaanbieder tekortgeschoten is in de nakoming van de overeenkomst. De plek van [naam] had op 19 maart 2025 aan [naam] moeten worden gegeven, en niet aan een andere cliënt van de zorgaanbieder. Van een overmachtssituatie is geen sprake. Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht gegrond is.
De commissie zal gelet op de gegrondverklaring van de klacht bepalen dat de zorgaanbieder de overeenkomst moet nakomen, inhoudende dat [naam] geplaatst moet worden op de plek die voor haar geoormerkt was op 19 maart 2025. De commissie heeft begrip voor de interne omstandigheden bij de zorgaanbieder en zal gelet daarop bepalen dat [naam] uiterlijk op 1 februari 2026 van de woning C op de locatie [locatienaam] gebruik moet kunnen maken.
Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie:
– verklaart de klacht van klager gegrond;
– bepaalt dat de zorgaanbieder de overeenkomst tussen klager en zorgaanbieder nakomt, inhoudende dat de dochter van cliënt uiterlijk 1 februari 2026 gebruik moet kunnen maken van de voor haar geoormerkte plek in woning C;
– bepaalt dat de zorgaanbieder overeenkomstig het reglement van de commissie binnen 14 dagen na verzending van dit bindend advies een bedrag van € 52,50 aan klager te vergoeden ter zake van het klachtengeld.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Gehandicaptenzorg, bestaande uit mevrouw mr. A.D.R.M. Boumans, voorzitter, mevrouw drs. Y.J.M. ten Brummelhuis MSM, de heer H.A. van Dam, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. S.M.E. Balfoort en mevrouw mr. K.E. Heins, beiden secretaris, op 5 november 2025.