Commissie: Ziekenhuizen
Categorie: Medische behandeling
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: bindend advies
Uitkomst: ten dele gegrond
Referentiecode:
1194217/1282063
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
Een vrouw diende een klacht in tegen het Maxima Medisch Centrum na een val van een trap. Zij kwam op de spoedeisende hulp terecht met pijn aan haar rug en bil. Volgens haar werd de juiste diagnose niet meteen gesteld en werd er te weinig onderzoek gedaan, omdat er alleen een röntgenfoto werd gemaakt en geen CT-scan. Ook vond zij dat de communicatie slecht was, dat zij geen duidelijke leefregels kreeg en dat er geen goede controle of doorverwijzing naar fysiotherapie plaatsvond. Later bleek dat zij een Morel-Lavallée-laesie had, een letsel dat vaak ontstaat door een harde klap. De commissie oordeelde dat het ziekenhuis bij dit type trauma volgens de richtlijnen een CT-scan had moeten maken. Ook had het ziekenhuis een betere vervolgafspraak moeten plannen en duidelijker moeten communiceren over controle en nazorg. Op deze punten werd de klacht gegrond verklaard. Tegelijkertijd stelde de commissie dat het gekozen behandelbeleid waarschijnlijk hetzelfde zou zijn geweest, ook als er direct een CT-scan was gemaakt. Daarom was er volgens de commissie geen sprake van onzorgvuldig medisch handelen dat tot schade had geleid. Andere klachten, zoals het niet dragen van een korset, het ontbreken van leefregels en het niet meteen inzetten van fysiotherapie, werden ongegrond verklaard. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen omdat niet was aangetoond dat de klachten het gevolg waren van fouten van het ziekenhuis. Wel moet het ziekenhuis het door de patiënte betaalde klachtengeld terugbetalen.
De volledige uitspraak
in het geschil tussen
[naam], wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: cliënte)en
Maxima Medisch Centrum, gevestigd te Veldhoven
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).
Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.
De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.
De behandeling heeft plaatsgevonden op 12 november 2025 te Den Haag.
Beide partijen hebben ter zitting hun standpunten nader toegelicht. Cliënte werd ter zitting bijgestaan door haar echtgenoot. De zorgaanbieder werd vertegenwoordigd door [naam], SEH-arts, [naam], traumachirurg en [naam], bedrijfsjurist.
Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft de diagnose van de kwetsuur die cliënte heeft opgelopen na de val van een trap en de vervolgstappen die de zorgaanbieder heeft ondernomen. Cliënte stelt dat de zorgaanbieder tekort is geschoten in de medische behandeling en communicatie met haar.
Standpunt van cliënte
Voor het standpunt van de cliënte verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dit op het volgende neer.
Na een val van de trap op 3 december 2021 kwam cliënte op de spoedeisende hulp terecht met, naar achteraf bleek, een wervelfractuur en een Morel Lavallee Laesie.
Cliënte verwijt de zorgaanbieder tekortkomingen in de medische zorg, waaronder het niet tijdig stellen van de juiste diagnose, onvoldoende beeldvorming, en gebrekkige communicatie en follow-up. Tot op heden heeft zij pijnklachten en is zij nog steeds beperkt in het dagelijks functioneren.
Op de spoedeisende hulp is geen CT-scan gemaakt, die essentieel is voor een accurate beoordeling van wervelletsels en laesies. Hierdoor heeft cliënte niet direct na de val de juiste behandelingen gekregen waardoor het herstel is vertraagd. Cliënte is in eerste instantie zonder diagnose naar huis gestuurd. Eenmaal thuis werd zij door de SEH-arts opgebeld dat er toch een scheurtje zichtbaar zou zijn in een wervel. Na tien dagen is zij teruggekomen op de poli in verband met pijnklachten. Het medisch dossier was op dat moment al gesloten.
De diagnose Morel Lavallee is, nadat cliënte klachten bleef houden, gesteld door middel van een echo. Dit is onvoldoende om te bepalen om welke soort laesie het gaat en dus ook welke behandeling moet worden ingezet. Was er meteen een CT-scan gemaakt op de eerste hulp dan was de Morel Lavalee Laesie mogelijk ook meteen gezien en had er sneller en adequaat behandeld kunnen worden. Zij werd niet doorverwezen naar een fysiotherapeut en ook is haar niet geadviseerd om een korset te dragen. Vanwege haar scheve houding als gevolg van de zwelling op haar bil, kreeg cliënte ernstige rugklachten. Cliënte is meerdere malen met deze pijnklachten teruggekomen bij de zorgaanbieder. Uiteindelijk heeft de zorgaanbieder, nadat cliënte al maanden klachten had, de optie opereren aan haar voorgelegd en niet gewezen op alternatieve behandelingen.
Voorafgaande aan de operatie is aan cliënte toegezegd dat een bepaalde arts de operatie zou uitvoeren in verband met zijn specialisme op dit terrein. In de operatiekamer werd cliënte geconfronteerd met een andere arts. Het is onprofessioneel en niet patiëntvriendelijk om eenzijdig afspraken te wijzigen. Na de operatie heeft cliënte geen leefregels meegekregen. Cliënte heeft na de operatie veel meer pijn gekregen en haar bil was zo misvormd dat zij maanden niet normaal op een stoel kon zitten.
Cliënte betwist dat er sprake is geweest van een informed consent. Voorafgaande aan de operatie is haar niet verteld dat er een risico op iatrogeen letsel zou zijn. Als zij dit vooraf had geweten had zij nooit ingestemd met de operatie.
Door late diagnose en problemen na de operatie kon cliënte niet recht staan of zitten. Er was sprake van zenuwpijn, oedeem en een strak litteken. Cliënte heeft dit aan de zorgaanbieder kenbaar gemaakt, maar omdat er niets met haar klachten werd gedaan, is zij uiteindelijk naar een andere zorgaanbieder gegaan, die haar voor de zenuwpijn/oedeem en litteken meteen doorverwees naar een therapeut. Opnieuw opereren werd afgeraden vanwege het littekenweefsel dat zich heeft gevormd. Haar werd verteld dat het beter was geweest niet te opereren maar dat een behandeling met een punctie in combinatie met compressietherapie beter ingezet had kunnen worden. Dit is echter een behandeling die niet door de zorgaanbieder wordt uitgevoerd. Cliënte verwijt de zorgaanbieder dat hij haar niet over deze behandelmogelijkheid heeft geïnformeerd.
Cliënte is ervan overtuigd dat zij met een juiste behandeling een voorspoediger herstel had gehad.
Cliënte verzoekt om compensatie voor alle de kosten van nieuwe behandelingen en de eerdere (overbodige) operatieve behandeling waardoor zij nu meer pijnklachten aan haar rug heeft als ook een misvormde bil en een blijvend litteken. Het is voor haar nog niet duidelijk wat de uiteindelijke kosten zullen zijn van verdere behandelingen, en hoelang de behandeling nog duurt.
Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dit op het volgende neer.
Niet-ontvankelijkheid
De zorgaanbieder is door cliënte niet in de gelegenheid gesteld om op de aansprakelijkstelling naar aanleiding van de rugklachten te reageren en intern een besluit te nemen. Nu dit niet het geval is, kan niet worden gesproken van een geschil in de zin van artikel 3 lid 2 sub b en 6 van het Reglement van de Geschillencommissie Ziekenhuizen. Voorts is de termijn van 12 maanden verstreken. Het verzoek van cliënte om schadevergoeding voor de rugklachten dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard.
De zorgaanbieder heeft de aansprakelijkheid voor de Morel Lavallée-laesie afgewezen. Cliënte heeft wel een coulancevergoeding gekregen van € 1750,-.
Inhoudelijk
De zorgaanbieder merkt op dat het onderhavige geschil uitsluitend ziet op de door cliënte gestelde klachten inzake de rug, in het bijzonder de diagnosestelling en het vervolgbeleid na het SEH-bezoek van 3 december 2021. De klachten die cliënte noemt met betrekking tot de Morel Lavallée-laesie en de daarvoor verrichte ingreep vallen buiten de reikwijdte van deze procedure. Voor zover cliënte met die klachten tevens schade bedoelt te stellen en te vorderen, merkt de zorgaanbieder op dat aansprakelijkheid daarvoor reeds gemotiveerd is afgewezen en dat in dat kader reeds een coulancevergoeding is verstrekt. Deze kwestie ligt thans niet opnieuw ter beoordeling voor.
Het klopt dat de fractuur bij eerste beoordeling niet werd vastgesteld door de arts op de Spoed Eisende hulp (SEH). Binnen een uur is de bevinding zoals beschreven in het radiologieverslag echter opgemerkt en aan cliënte gemeld. Indien de fractuur direct was gezien, had dit niet geleid tot een ander beleid. Na afronding van de interne klachtenprocedure bij de KAC (klachtencommissie) heeft de zorgaanbieder, mede met het oog op de onderhavige procedure, de radiologische beelden van 3 december 2021 opnieuw laten beoordelen tezamen met de uitkomsten van de MRI-scan van 12 december 2024 van de lumbale wervelkolom. Uit deze herbeoordeling en de MRI-scan blijkt dat er geen sprake was van een (verse of oude) fractuur van de lumbale wervelkolom. Bij de opname van 3 december 2021 werd gesproken van een licht posterieur wigvormig hoogteverlies van corpus L5. De latere beoordeling bevestigt echter dat deze bevinding geen traumatische afwijking betreft en niet duidt op een wervelfractuur. De eerste diagnose van de arts op de SEH was in combinatie met het klinisch beeld correct en de verslaglegging van de radioloog blijkt dus onterecht een fractuur aan te geven. Dit betekent dat, zelfs indien men destijds de beelden anders had geïnterpreteerd, dit niet zou hebben geleid tot een ander behandelbeleid of een betere uitkomst. Het bevestigt bovendien dat het ingezette conservatieve beleid, het mobiliseren op geleide van klachten, medisch juist en verantwoord is geweest.
Cliënte verwijt dat er slechts een röntgenfoto is gemaakt en geen CT-scan. De NVT-richtlijn Acute traumatische wervelletsels schrijft bij een laag energetisch trauma van de lumbale wervelkolom voor te starten met conventionele röntgenopnames. Alleen bij specifieke indicaties zoals hoog energetisch trauma of klinische verdenking op instabiliteit is een CT geïndiceerd. In dit geval was er sprake van een laag energetisch trauma zonder drukpijn of neurologische uitval. Het beleid om een röntgenfoto te verrichten was daarmee geheel conform richtlijn en zorgvuldig.
Het gebruik van een korset/brace is geen standaardonderdeel van de behandeling bij stabiele thoracolumbale (o.a. L5-) fracturen bij neurologische intacte patiënten. Inmiddels is bij herbeoordeling en een MRI van 12 december 2024 echter vastgesteld dat er in feite geen sprake is geweest van een fractuur. Daarmee staat niet alleen vast dat het destijds ingezette conservatieve beleid juist was volgens de kennis van toen, maar ook dat achteraf bezien geen enkele indicatie bestond voor het voorschrijven van een korset.
Volgens cliënte zijn er geen leefregels verstrekt. Uit het medisch dossier blijkt echter dat cliënte direct na het spoedeisende hulp bezoek is geïnformeerd over de bevindingen en bij de poliklinische controles uitleg is gegeven over het te verwachten beloop, de belasting op geleide van klachten. Het verstrekken van leefregels en pijnstillingsadvies maakt onderdeel uit van de standaardprocedure en is in dit geval ook gevolgd.
Cliënte stelt dat zij had moeten worden verwezen naar een fysiotherapeut. Bij de poliklinische controles gaf zij echter aan geen rugklachten meer te ervaren. Gezien het type letsel, de korte tijd sinds het trauma en de afwezigheid van rugklachten was fysiotherapie niet geïndiceerd. Integendeel: te vroege belasting door fysiotherapie kan het herstel juist belemmeren. Het beleid om fysiotherapie niet in te zetten was daarom verantwoord en conform de professionele standaard.
Cliënte beklaagt zich over gebrekkige communicatie. Uit de medische dossiers en verklaringen van de betrokken artsen blijkt dat telkens uitleg is gegeven over de diagnose, de verwachte klachten, het conservatieve beleid en de risico’s. Bij de latere invasieve behandeling in maart 2022 is expliciet informed consent gevraagd en verkregen, waarbij de risico’s en alternatieven met cliënte zijn besproken. Dit betekent dat communicatie steeds op passende en zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.
Tot slot stelt cliënte dat de follow-up ontoereikend is geweest. Op 14 december 2021 vond een poliklinische controle plaats, waarna in overleg werd afgesproken dat cliënte zich zou melden bij nieuwe of verergerende klachten. Op 11 januari 2022 staat expliciet genoteerd dat cliënte op dat moment geen pijn in de rug meer had, derhalve is een follow-up vanwege de rugklachten niet meer geïndiceerd. Toen er andere klachten persisteerden, is op 22 maart 2022 in overleg met cliënte gekozen voor een invasieve behandeling van het persisterende hematoom dan wel Morel-Lavallée-laesie letsel. Het medisch dossier toont dat dit beleid zorgvuldig is uitgevoerd en steeds in samenspraak met cliënte.
De zorgaanbieder acht het van belang te benadrukken dat het medisch handelen niet alleen verantwoord was volgens de kennis en richtlijnen van destijds, maar dat de herbeoordeling achteraf bevestigt dat het beleid ook nu, met de wetenschap van heden, juist is geweest.
Beoordeling van het geschil
Op grond van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 BW). Deze zorgplicht houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.
De verplichting die voor een hulpverlener (in dit geval: de zorgaanbieder) voortvloeit uit een geneeskundige behandelingsovereenkomst wordt in beginsel niet aangemerkt als een resultaatsverplichting, waarbij de hulpverlener moet instaan voor het bereiken van een bepaald resultaat, maar als een inspanningsverplichting, waarbij de hulpverlener zich verplicht zich voor het bereiken van een bepaald resultaat in te spannen. De reden hiervoor is dat het bij een geneeskundige behandeling meestal niet mogelijk is een bepaald resultaat te garanderen, omdat het menselijk lichaam in het (genezings-) proces een ongewisse factor vormt; zelfs bij onberispelijk medisch handelen kan het beoogde resultaat uitblijven. Van een tekortkoming kan dan ook pas worden gesproken indien komt vast te staan dat de hulpverlener zich onvoldoende heeft ingespannen of bij de inspanning een fout heeft gemaakt.
De commissie zal de klacht van klaagster beoordelen in het licht van het hierboven geschetste toetsingskader.
De commissie zal die klachten beoordelen die cliënte heeft geformuleerd op het vragenformulier, te weten:
1. Cliënte is na een bezoek aan de SEH naar huis gestuurd zonder juiste diagnose;
2. Op de SEH is onvoldoende onderzoek gedaan: onvoldoende beeldvorming;
3. Geen advies over het dragen van een korset;
4. Er zijn geen ‘leefregels’ gegeven;
5. Zij is niet verwezen naar fysiotherapie;
6. Er was sprake van een slechte communicatie;
7. Er was sprake van een slechte follow up.
Klacht 1/2:
De commissie heeft ter zitting vastgesteld dat cliënte halverwege de trap is gevallen en daarbij haar rug en bil heeft bezeerd. Op de foto die op de SEH is gemaakt heeft de radioloog een deukje gezien in een wervel. Dat betekent dat cliënte een harde smak moet hebben gemaakt. Op dat moment was er dan ook sprake van een hoogenergetisch trauma. Dit werd achteraf bevestigd door de aanwezigheid van een Morel-Lavallée-laesie, dat immers wordt veroorzaakt door een hoog energetisch trauma.
Volgens de geldende Richtlijn dient bij een hoogenergetisch trauma een CT-scan te worden gemaakt om potentieel ernstig letsel uit te sluiten en de benodigde behandeling te bepalen. Wordt deze richtlijn niet gevolgd dan moet hier in het medisch dossier melding van worden gemaakt en gemotiveerd worden waarom van de richtlijn is afgeweken. Dat is niet gebeurd. De commissie acht in zoverre deze klacht gegrond.
De commissie is van oordeel dat het ingezette beleid niet anders zou zijn geweest als de CT-scan wel was gemaakt. De commissie acht het medisch verantwoord dat de zorgaanbieder heeft ingezet op een conservatief beleid: het mobiliseren op geleide van klachten.
Klacht 2/3/4:
Cliënte heeft zich afgevraagd of het niet beter was geweest om een korset te dragen om haar rug te ontlasten. De commissie is ambtshalve bekend dat in een dergelijke situatie waarbij slechts sprake is een lichte beschadiging aan een wervel, c.q. een stabiele wervelfractuur, geen korset wordt geadviseerd.
Dat er geen leefregels zijn meegegeven is door de zorgaanbieder betwist. Vaststaat dat aan cliënte is meegedeeld dat zij mocht bewegen op geleide van de pijn. Dit is een leefregel.
Dat niet direct fysiotherapie is geadviseerd acht de commissie begrijpelijk omdat een te vroege belasting van de rug door fysiotherapie het herstel kan belemmeren.
De commissie zal deze klachtonderdelen ongegrond verklaren.
Klacht 5/6:
Cliënte heeft aangegeven dat er sprake is geweest van een slechte communicatie van de zijde van de zorgaanbieder.
De commissie heeft vastgesteld dat er op de SEH met cliënte een afspraak is gemaakt om na tien dagen terug te komen voor een herbeoordeling. Vervolgens zijn er door de zorgaanbieder geen afspraken meer ingepland en is het dossier gesloten. De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder niet volgens de Richtlijn heeft gehandeld. Met cliënte had een afspraak moeten worden gemaakt om na drie maanden opnieuw een foto te laten maken. Evenmin blijkt uit het dossier dat met cliënte de afspraak is gemaakt dat zij bij eventuele klachten mocht terugkomen.
De commissie is van oordeel dat ook deze klachten gegrond zijn.
Schadevergoeding
Voor aansprakelijkheid van de zorgaanbieder is vereist dat voldoende aannemelijk is dat de zorgaanbieder, dan wel ieder die werd ingeschakeld bij de uitvoering van de voor de zorgaanbieder uit de overeenkomst voortvloeiende verplichting, is tekortgeschoten in de uitvoering van die verplichting. De tekortkoming moet aan de zorgaanbieder kunnen worden verweten (toerekenbare tekortkoming) en de cliënt moet daarvan nadeel hebben ondervonden.
Cliënte verzoekt om compensatie voor alle de kosten van nieuwe behandelingen en de eerdere (overbodige) operatieve behandeling waardoor zij nu meer pijnklachten aan haar rug heeft als ook een misvormde bil en een blijvend litteken.
De zorgaanbieder heeft verzocht om cliënte niet ontvankelijk te verklaren in haar vordering.
De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder tekortgeschoten is in de diagnosestelling doordat geen CT-scan is gemaakt en dat de zorgaanbieder ook in de communicatie met cliënte en follow-up van de behandeling steken heeft laten vallen. Echter deze tekortkomingen hebben niet geleid tot een onzorgvuldig medisch handelen ten aanzien van het te voeren beleid. De commissie begrijpt dat cliënte aan haar val een aantal maanden rugklachten heeft overgehouden. Deze klachten zijn echter niet te wijten aan het handelen van de zorgaanbieder.
Los van de vraag of cliënte ontvankelijk is in haar vordering, is de commissie van oordeel dat voor een toekenning van een schadevergoeding geen grond bestaat.
Klachtengeld.
Nu de klachten gedeeltelijk gegrond wordt verklaard, ziet de commissie aanleiding de zorgaanbieder te veroordelen tot vergoeding aan cliënte van het door haar betaalde klachtengeld, zijnde een bedrag van € 52,50.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie
– verklaart de klachten voor wat betreft de diagnosestelling, de communicatie met cliënte en de follow-up van de behandeling gegrond en verklaart de overige klachten ongegrond;
– wijst de vordering om schadevergoeding af;
– bepaalt dat de zorgaanbieder overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 52,50 dient te vergoeden aan cliënte ter zake van het klachtengeld.
Overeenkomstig het reglement van de commissie is de zorgaanbieder aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.
Deze behandelingskosten worden geheel betaald.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit mevrouw mr. A.D.R.M. Boumans, voorzitter, de heer prof. dr. D.C. Aronson, de heer mr. R.P. Gerzon, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. W. Hartong van Ark, secretaris, op 12 november 2025.