Klacht over verkeerde diagnose en beschuldiging ongewenst gedrag afgewezen

De Geschillencommissie Zorg




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: bejegening    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 1170720/1265397

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Een man diende een klacht in tegen het Radboudumc over zijn behandeling na problemen met zijn zicht. Volgens hem kreeg hij ten onrechte de diagnose CMV-retinitis (een ernstige oogontsteking) en werd hij daardoor onnodig opgenomen in het ziekenhuis en behandeld met antivirale medicatie. Later bleek dat hij deze aandoening niet had en dat zijn klachten waarschijnlijk werden veroorzaakt door een probleem met een bloedvat in het oog. De man stelde dat de onnodige behandeling en opname hem lichamelijke en emotionele schade hadden veroorzaakt. Ook was hij boos over een beschuldiging van grensoverschrijdend gedrag tijdens zijn opname. Volgens hem ging het slechts om een vriendelijk schouderklopje, maar in het medisch dossier werd gesproken over ongepast gedrag. Het ziekenhuis stelde dat de behandeling logisch was gezien de verdenking op een ernstige ooginfectie en dat snelle behandeling nodig was om blindheid te voorkomen. Toen later uit onderzoek bleek dat deze diagnose niet klopte, werd de medicatie direct gestopt. De commissie oordeelde dat het ziekenhuis in deze situatie zorgvuldig had gehandeld door uit voorzorg met medicatie te starten. Over de beschuldiging van ongewenst gedrag kon de commissie niet vaststellen wat er precies was gebeurd, omdat de verklaringen van beide partijen tegenover elkaar stonden. Daarom kon dit verwijt niet worden bewezen. De commissie verklaarde alle klachten ongegrond en wees ook het verzoek om een schadevergoeding van €25.000 af.

De volledige uitspraak

in het geschil tussen

de heer [naam], wonende te [plaatsnaam] (hierna te noemen: de cliënt)

en

Stichting Radboud universitair medisch centrum, gevestigd te Nijmegen
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil

Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 12 november 2025 te Den Haag.

Beide partijen hebben ter zitting hun standpunten nader toegelicht. De zorgaanbieder werd vertegenwoordigd door mevrouw [naam] en de heer [naam], [functie].

Onderwerp van het geschil

De klacht betreft de medische behandeling van cliënt en reputatieschade vanwege de beschuldiging van grensoverschrijdend gedrag.

Standpunt van de cliënt

Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dit op het volgende neer.

1. Verkeerde behandeling en onnodige opname
Cliënt heeft zich tot de zorgaanbieder gewend vanwege problemen met zijn zicht. Na onderzoek, waaronder foto’s van zijn ogen, werd hem verteld dat hij mogelijk een CMV (cytomegalie virus) retinitis (= netvliesontsteking) had. Daarbij werd ook aangegeven dat als dit het geval zou zijn, hij waarschijnlijk HIV zou hebben. Op basis van deze vermoedens is hij direct opgenomen in het ziekenhuis en kreeg hij medicatie toegediend tegen CMV-retinitis, zowel oraal als via infuus.
Later bleek echter dat hij geen CMV-retinitis had en dus onnodig deze medicatie heeft gekregen en onnodig meerdere dagen in het ziekenhuis heeft doorgebracht. Deze medicatie heeft fysieke en emotionele schade veroorzaakt, en de onterechte opname heeft cliënt mentaal zeer zwaar belast. De oorzaak van zijn zichtverlies bleek gerelateerd te zijn aan hoge bloeddruk.

2. Onterechte beschuldiging
Tijdens zijn opname in het ziekenhuis heeft een medewerker cliënt beschuldigd van ongepast gedrag. Zij stelde dat cliënt haar ongepast had aangeraakt. Dit was absoluut niet zijn intentie en, gezien zijn situatie, vindt cliënt deze beschuldiging uiterst kwetsend.

3. Ongepaste behandeling door een arts en medisch dossier.
Tijdens zijn laatste controle bij dokter [naam]. op 15 januari 2025 kreeg hij te horen dat dokter [naam 1]. hem wilde spreken. Cliënt ging ervan uit dat dit gesprek zou gaan over excuses voor de verkeerde behandeling en opname. Tot zijn verbazing en teleurstelling ging het gesprek over een beschuldiging van ongewenst gedrag dat zou kunnen leiden tot beëindiging van de behandelrelatie. Dit staat ook zo vermeld in het medisch dossier. Deze passage is een onjuiste weergave van de werkelijkheid en vormt een schending van zijn privacy en bevestigt zijn gevoel dat er meer aandacht wordt besteed aan deze beschuldiging dan aan cliënts medische behandeling en welzijn.

4. De impact op zijn leven.
De gebeurtenissen hebben cliënt fysiek en emotioneel zwaar geraakt. De onnodige medicatie heeft bijwerkingen gehad waarvan hij nog steeds last ondervindt. De stress veroorzaakt door deze situatie heeft zijn hoge bloeddruk mogelijk verergerd, waardoor cliënt bang is dat zijn linker oog ook beschadigd zal raken. Cliënt heeft extreme stress ervaren door de verkeerde diagnose, de opname en de beschuldiging van ongepast gedrag.

Cliënt verzoekt de commissie om:
1. Erkenning van de fouten in zijn behandeling, inclusief een schriftelijke verklaring hierover.
2. Excuses van het ziekenhuis voor de verkeerde diagnose, onnodige opname en de onterechte beschuldiging.
3. Het verwijderen van de onjuiste passage uit zijn medisch dossier.
4. Een schadevergoeding van €25.000,- als compensatie voor de fysieke, emotionele en reputatieschade schade die hij heeft geleden

Standpunt van de zorgaanbieder

Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dit op het volgende neer.

Cliënt is op 21 november 2024 gezien op de polikliniek oogheelkunde na een verwijzing door het [naam ziekenhuis] ziekenhuis. In dit ziekenhuis was een bloedonderzoek gedaan waar onder andere een doorgemaakte CMV infectie uit volgde. Tijdens het onderzoek in het Radboud ziekenhuis werden ontstekingscellen in het glasvocht waargenomen en leek het beeld te passen bij een CMV-retinitis. Er is een punctie in het oog gedaan en ondertussen is alvast uit voorzorg gestart met de antivirale therapie om ernstige schade aan het oog te voorkomen.
Nadat de uitslag bekend was en duidelijk werd dat er geen sprake was van een CMVretinitis, is op 22 november 2024 de medicatietoediening gestopt en is de diagnose omgezet naar een BVRO (veneuze takocclusie). Cliënt is op 23 november uit het ziekenhuis ontslagen.

Cliënt stelt dat de notitie in het dossier over grensoverschrijdend gedrag een onjuiste weergave is van de werkelijkheid. Op de betrokken afdeling waren signalen van de zorgmedewerkers van grensoverschrijdend gedrag door cliënt bij de opleider gemeld. Cliënt is tijdens de opname ondanks contact isolatie steeds te dicht bij de zorgmedewerkers gekomen en heeft seksueel getinte opmerkingen gemaakt. Toen de opleider deze signalen met cliënt wilde bespreken werd cliënt verbaal agressief waarna het gesprek is gestaakt. De zorgaanbieder is niet bereid de gewraakte passage uit het dossier te verwijderen. Wel is de zorgaanbieder bereid om het genoteerde signaal te verplaatsen naar een andere notitie, zodat deze opmerking niet in het voortgangsverslag blijft bestaan.

De zorgaanbieder verzoekt de commissie de klacht ongegrond te verklaren en de vordering tot schadevergoeding af te wijzen.

Beoordeling van het geschil

Op grond van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 BW). Deze zorgplicht houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

De verplichting die voor een hulpverlener (in dit geval: de zorgaanbieder) voortvloeit uit een geneeskundige behandelingsovereenkomst wordt in beginsel niet aangemerkt als een resultaatsverplichting, waarbij de hulpverlener moet instaan voor het bereiken van een bepaald resultaat, maar als een inspanningsverplichting, waarbij de hulpverlener zich verplicht zich voor het bereiken van een bepaald resultaat in te spannen. De reden hiervoor is dat het bij een geneeskundige behandeling meestal niet mogelijk is een bepaald resultaat te garanderen, omdat het menselijk lichaam in het (genezings-) proces een ongewisse factor vormt; zelfs bij onberispelijk medisch handelen kan het beoogde resultaat uitblijven. Van een tekortkoming kan dan ook pas worden gesproken indien komt vast te staan dat de hulpverlener zich onvoldoende heeft ingespannen of bij de inspanning een fout heeft gemaakt.

De commissie zal de klacht van cliënt beoordelen in het licht van het hierboven geschetste toetsingskader.

De klachten van cliënt zien enerzijds op de medische behandeling en anderzijds op het verwijt van ongewenst gedrag.

1. Medische behandeling.
Vast staat dat cliënt door de oogarts verbonden aan het [naam ziekenhuis] ziekenhuis naar de zorgaanbieder is verwezen omdat er een verdenking bestond van een CMV-retinitis in zijn oog. Bij nader onderzoek door de zorgaanbieder leek het beeld van het oog bij het oogspiegelen te kunnen passen bij een CMV-retinitis en werd dit als mogelijke diagnose aangehouden.
Omdat de mogelijkheid van een CMV-retinitis niet geheel kon worden uitgesloten, is de zorgaanbieder gestart met het toedienen van antivirale medicatie zowel oraal als via een infuus totdat uit de uitslag van de punctie van het vocht uit het oog bleek dat deze diagnose uitgesloten was. Daarop is de medicatie afgebouwd.

De stelling van de zorgaanbieder, dat de diagnose CMV-retinitis de meest waarschijnlijke diagnose bij opname in het RadboudUMC was, acht de commissie onwaarschijnlijk, omdat ten tijde van de opname er reeds een negatieve HIV-test bekend was en patiënt geen immunosuppressieve (immuunsysteem-onderdrukkende) medicatie gebruikte, zodat de kans op een CMV-retinitis klein is. Desalniettemin acht de commissie het begrijpelijk dat de zorgaanbieder, gelet op de inhoud van de verwijzingsbrief van het [naam ziekenhuis] ziekenhuis, ondanks deze kleine kans op een CMV-retinitis, met de medicatie is begonnen.

De commissie begrijpt de zorg van cliënt dat hij medicatie heeft toegediend gekregen die achteraf niet toegediend had moeten worden. Echter de commissie is van oordeel dat, gezien de verdenking van zowel het Rijstate ziekenhuis als het beeld bij oogspiegelen dat kon duiden op een CMV-retinitis, de zorgaanbieder zorgvuldig heeft gehandeld door op voorhand deze antivirale medicatie toe te dienen. Mocht achteraf gezien deze diagnose juist zijn geweest dan is het van belang om zo spoedig mogelijk te starten met het geven van deze medicatie om ernstige schade aan het oog (blindheid) te voorkomen. Voorts is de commissie ambtshalve bekend dat deze medicatie, die slechts zeer beperkte tijd is gegeven, niet schadelijk is geweest voor cliënt.

Cliënt heeft gesteld dat hij door deze medicatietoediening pijn in zijn arm en darmklachten heeft gekregen.
De commissie vraagt zich af of darmklachten het gevolg kunnen zijn van deze medicatie. Ambtshalve is haar niet bekend dat deze medicatie deze bijwerking heeft. Vooralsnog kan de commissie geen verband leggen tussen de medicatie en de darmklachten die cliënt stelt te ondervinden.

De last van de arm kan zijn veroorzaakt door het inbrengen van het infuus, een veelvoorkomende complicatie. Dit betekent niet dat de zorgaanbieder onzorgvuldig heeft gehandeld.
De commissie zal, gezien het vorenstaande, deze klacht ongegrond verklaren.

2. Grensoverschrijdend gedrag
De zorgaanbieder heeft aangegeven dat er door de zorgmedewerkers signalen zijn afgegeven dat cliënt vanwege grensoverschrijdend gedrag de huisregels heeft overtreden. Cliënt heeft dit betwist. Hij heeft een medewerkster een schouderklopje gegeven om haar te bedanken. De standpunten van partijen staan diametraal tegenover elkaar. De commissie kan niet uitmaken wie van beiden gelijk heeft omdat aan het woord van de één niet meer geloof gehecht kan worden dan aan het woord van de ander. Het is vaste jurisprudentie van de commissie in gevallen als deze waarbij de lezingen van beide partijen uiteenlopen en niet kan worden vastgesteld wat de feitelijke gang van zaken is geweest, dat het verwijt van klager op het desbetreffende onderdeel niet gegrond kan worden bevonden. Dit oordeel berust niet op het uitgangspunt dat het woord van de klager minder geloof verdient dan dat van de zorgaanbieder, maar op de omstandigheid dat voor een oordeel of onzorgvuldig is gehandeld eerst moet worden vastgesteld welke feiten daaraan ten grondslag gelegd kunnen worden.

Deze feiten of sprake is geweest van grensoverschrijdend gedrag kan de commissie hier niet vaststellen, waardoor deze klacht niet kan slagen.

Ter zitting heeft de zorgaanbieder aangeboden om de desbetreffende notitie in het dossier te verplaatsen uit het voortgangsverslag naar het interne dossier. Cliënt heeft het recht om deze verklaring aan te vullen met zijn zienswijze, die de zorgaanbieder ongeclausuleerd dient op te nemen in het dossier.

Ten overvloede merkt de commissie op dat de medische behandeling die cliënt op dit moment van de zorgaanbieder krijgt ook wordt uitgevoerd in het [naam ziekenhuis] ziekenhuis. Mocht cliënt geen vertrouwen meer hebben in de zorgaanbieder dan zou hij voor behandeling in het [naam ziekenhuis] Ziekenhuis kunnen kiezen.

Vordering tot schadevergoeding
Cliënt heeft een schadevergoeding van €25.000,- gevorderd als compensatie voor de fysieke, emotionele schade en reputatieschade die hij heeft geleden door het handelen van de zorgaanbieder.

Voor aansprakelijkheid van de zorgaanbieder is vereist dat voldoende aannemelijk is dat de zorgaanbieder, dan wel iemand die werd ingeschakeld bij de uitvoering van de voor de zorgaanbieder uit de overeenkomst voortvloeiende verplichting, is tekortgeschoten in de uitvoering van die verplichting. De tekortkoming moet aan de zorgaanbieder kunnen worden verweten (toerekenbare tekortkoming) en de cliënt moet daarvan nadeel hebben ondervonden.

De commissie begrijpt dat het voor cliënt een stressvolle periode is geweest, zeker ook vanwege de aandoening aan zijn oog met een kans op blindheid, die hij graag achter zich wil laten.
De commissie heeft echter niet kunnen vaststellen dat de zorgaanbieder tekort is geschoten in de medische behandeling van cliënt. De vordering tot schadevergoeding dient dan ook te worden afgewezen.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie verklaart de klachten ongegrond en wijst de vordering tot schadevergoeding af.

Overeenkomstig het reglement van de commissie is de zorgaanbieder aan de commissie behandelingskosten verschuldigd

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit mevrouw mr. A.D.R.M. Boumans, voorzitter, de heer drs. T.C.G. Feenstra, de heer mr. R.P. Gerzon, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. W. Hartong van Ark, secretaris, op 12 november 2025.