Klacht over gemiste schouderdiagnose deels gegrond

De Geschillencommissie Zorg




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: (On)Zorgvuldig handelen    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ten dele gegrond   Referentiecode: 1105182/1249063

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Een vrouw diende een klacht in tegen het Dijklander Ziekenhuis vanwege de behandeling van haar schouderklachten na een val met haar mountainbike in 2021. Zij had veel pijn in haar rechterschouder en bezocht meerdere artsen in het ziekenhuis, waaronder een traumachirurg en later een revalidatiearts. Volgens haar hadden deze artsen eerder een echo moeten laten maken, omdat alleen daarmee een gescheurde pees kan worden vastgesteld. Pas bijna twee jaar later liet zij bij een andere kliniek een echo maken, waaruit bleek dat er een gescheurde schouderpees en bicepsspier waren. Na een operatie verdwenen haar klachten. De vrouw stelde dat zij door het uitblijven van een echo onnodig lang pijn heeft gehad en vroeg daarom een schadevergoeding. De commissie oordeelde dat de traumachirurg op het eerste moment nog geen echo hoefde te laten maken, omdat het letsel toen nog vers was en eerst een conservatieve behandeling gebruikelijk is. Wel vond de commissie dat de arts onvoldoende informatie had gegeven over wat de patiënt moest doen als de klachten aanhielden en dat er geen duidelijke vervolgafspraak of terugkoppeling naar de huisarts was geregeld. Op dit punt was de communicatie van het ziekenhuis onvoldoende. De commissie oordeelde verder dat de revalidatiearts niet onzorgvuldig heeft gehandeld, omdat hij heeft gewerkt op basis van de informatie uit het dossier en binnen zijn eigen vakgebied. De klacht werd daarom deels gegrond verklaard vanwege gebrekkige communicatie, maar voor het overige ongegrond. De gevraagde schadevergoeding werd afgewezen omdat de vrouw onvoldoende had aangetoond dat haar schade direct door dit gebrek aan communicatie was ontstaan. Wel moet het ziekenhuis het betaalde klachtengeld aan haar terugbetalen.

De volledige uitspraak

in het geschil tussen

[Naam], wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: cliënte)

en

Stichting Dijklander Ziekenhuis, gevestigd te Hoorn
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil

Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 23 oktober te Den Haag.
Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen ter zitting te verschijnen. Vanwege het zeer onstuimige herfstweer is besloten de mondelinge behandeling voor zowel partijen als de commissie door middel van een ZOOM-verbinding te laten plaatsvinden. Cliënte en haar echtgenoot zijn verschenen.
Namens de zorgaanbieder zijn verschenen:
– [naam], vakgroep voorzitter Revalidatiegeneeskunde;
– [naam], chirurg (bij afwezigheid van [naam]);
– [naam], jurist Bestuursbureau.

De secretaris van de commissie was in persoon aanwezig op de zittingslocatie.

Onderwerp van het geschil

Cliënte heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder.

Het geschil betreft de vraag of de zorgaanbieder onzorgvuldig heeft gehandeld door het niet laten maken van een echo door de traumachirurg en later door de revalidatiearts en of in het kader van de behandeling van de pijnklachten van cliënte voor het overige sprake is van onzorgvuldig handelen door deze artsen.

Standpunt van cliënte

Het standpunt van cliënte luidt als volgt.

Cliënte heeft een klacht bij de commissie ingediend omdat de klachtencommissie van de zorgaanbieder de klachtenprocedure heeft afgesloten en haar klacht bij brief van 18 april 2025 ten onrechte ongegrond heeft verklaard.

Cliënte is op 28 mei 2021 ten val gekomen met haar mountainbike, waarvoor zij diezelfde dag nog met schouderklachten de Spoed Eisende Hulp (SEH) in Alkmaar heeft bezocht. De aldaar gemaakte röntgenfoto toonde geen afwijkingen in het schoudergebied.

Vanwege aanhoudende pijnklachten in haar rechterschouder is cliënte door haar huisarts op 21 juni 2021 doorverwezen naar de afdeling traumatologie van de zorgaanbieder. De traumachirurg heeft de beweeglijkheid van de schouder onderzocht. De arts stelde vast dat de schouder een normale schouderfunctie laat zien, terwijl cliënte haar arm nauwelijks actief vijf á tien centimeter voorwaarts of zijwaarts kon bewegen. Cliënte is geadviseerd een afspraak met een fysiotherapeut te maken. Fysiotherapie bood cliënte geen soelaas en de klachten bleven aan. Cliënte is vervolgens op 16 september 2021 opnieuw door haar huisarts naar de zorgaanbieder verwezen voor het maken van een MRI van de nekwervelkolom en op 23 september 2021 nogmaals, dit keer naar de neuroloog, die op 23 september en 6 december 2021 EMG-onderzoek heeft uitgevoerd. Omdat uit dit onderzoek geen duidelijke oorzaak voor de aanhoudende pijnklachten naar voren kwam, is cliënte doorverwezen naar een revalidatiearts bij de zorgaanbieder, die cliënte op 7 februari 2022 heeft gezien. Nu ook hij geen afwijkingen bij cliënte heeft geconstateerd, heeft hij cliënte het gebruik van zware neuropathische pijnstilling geadviseerd.

Op het moment dat cliënte bijna twee jaar met forse klachten heeft te kampen, besluit zij op 17 april 2023 een second opinion aan te vragen bij een medische kliniek in Velsen. Daar is direct een echo gemaakt, waarna de diagnose ruptuur supraspinatuspees, oftewel een gescheurde pees, wordt gesteld. Cliënte is op 7 juli 2023 in deze kliniek aan een gescheurde schouderpees en een gescheurde bicepsspier geopereerd, waarna de pijnklachten verdwenen.

De klacht van cliënte op de behandeling door de zorgaanbieder is tweeledig.

1. De behandeling door de traumachirurg op 21 juni 2021 heeft cliënte als onvoldoende ervaren. De traumachirurg heeft enkel naar de beweeglijkheid van het schoudergebied gekeken, oftewel fysisch schouderonderzoek uitgevoerd, terwijl zij op aangeven van de aanhoudende pijnklachten tot het maken van een echo op 21 juni 2021 had moeten besluiten. Aangezien alleen een echo kan uitwijzen of er wel of geen sprake is van een peesscheur (een lengte- of dwarse scheur, of zelfs een partiële scheur) en de klachten aanbleven, is ten onrechte nagelaten een echo te maken. Daarbij had de traumachirurg cliënte onder controle moeten houden en bij aanhoudende klachten en het uitblijven van functieverbetering haar weer moeten zien en nader onderzoek moeten verrichten. Cliënte had dan eerder de juiste zorg kunnen ontvangen en onnodige vervolgonderzoeken hadden achterwege kunnen blijven. Overigens zijn de onderzoeksgegevens van het fysisch schouderonderzoek niet goed in het medisch dossier van cliënte gedocumenteerd, waardoor niet duidelijk is hoe de uitslag van dit onderzoek moet worden gelezen.

2. De revalidatiearts heeft op 7 februari 2022 geen juiste conclusie getrokken op basis van de klachten waarmee cliënte zich bij de arts presenteerde en wederom is ten onrechte geen echo gemaakt van het klachtgebied. Het nalaten om lokale pathologie uit te sluiten heeft ervoor gezorgd dat het beleid van de revalidatiearts (het voorschrijven van zware pijnstilling) een onjuiste keuze is geweest waar cliënte terecht niet op in is gegaan.

Dat de peesscheur pas later (lees: na behandeling door de zorgaanbieder) zou zijn ontstaan, zoals door de zorgaanbieder wordt gesuggereerd, is absoluut onjuist en geeft cliënte het gevoel dat zij hiermee in een kwaad daglicht wordt gesteld.

Ten gevolge van het onzorgvuldig handelen van de zorgaanbieder, in het bijzonder door de traumachirurg en de revalidatiearts, heeft cliënte schade geleden waarvoor zij de zorgaanbieder aansprakelijk acht. Immers wanneer door een van beiden tot het maken van een echo was besloten, dan wel er adequaat regie was gevoerd, was ruimschoots eerder de juiste diagnose gesteld en vanaf dat moment de juiste zorg aan cliënte verleend. De periode waarin cliënte ernstige pijnklachten heeft ondervonden was in dat geval aanzienlijk korter geweest. De aanhoudende pijnklachten hebben zowel hun weerslag gehad op haar werk als op haar privéleven. De pijnklachten maakten werken en het hebben van een sociaal leven onmogelijk. Cliënte verzoekt de commissie dan ook haar een vergoeding toe te kennen voor gederfde loonkosten, verminderde pensioenopbrengsten en voor immateriële schade.

Standpunt van de zorgaanbieder

Het standpunt van de zorgaanbieder luidt als volgt.

De door cliënte op het vragenformulier geformuleerde klachtonderdelen zijn reeds door de zorgaanbieder behandeld. De klachtencommissie van de zorgaanbieder heeft beide klachtonderdelen zorgvuldig onderzocht en ongegrond verklaard. Nu de zorgaanbieder in het hele behandeltraject van cliënte wel verbeterpunten ziet, wordt dit in brede context onderzocht door middel van een SIRE onderzoek, waarvan de uitkomsten er nog niet zijn.

De klachtencommissie heeft zowel interne als externe expertise aangevraagd in de beoordeling van het klachtonderdeel dat gaat over het onterecht nalaten van het maken van een echo door de traumachirurg op 21 juni 2021. Hieruit is gebleken dat in het geval van uitsluitend een supraspinatusruptuur er een volledig normale functie van de arm kan zijn zonder pijn. Drie weken na het trauma was er geen indicatie tot het maken van een echo. Wel ziet het ziekenhuis verbeterpunten in het vervolgtraject van cliënte na dit eerste consult. Er is geen controleafspraak met haar gemaakt en tevens heeft geen terug verwijzing plaatsgevonden vanuit de huisarts naar de traumachirurg. Dit zal in het kader van het SIRE onderzoek aandacht krijgen. De traumachirurg heeft ook in de klachtprocedure aangegeven dat als cliënte terug was
gekomen op de poli met de persisterende klachten, een echo geïndiceerd was geweest. Door omstandigheden is zij niet op de poli teruggekomen. Deze omstandigheden zullen in het kader van het SIRE onderzoek aan het licht komen.

Met betrekking tot het tweede klachtonderdeel dat handelt over een onjuiste conclusie die door de revalidatiearts is getrokken, heeft de klachtencommissie na het inwinnen van zowel interne als externe expertise, geoordeeld dat wanneer er twijfel is over de verwijsdiagnose of er worden bevindingen gedaan die aanvullend onderzoek vereisen, de revalidatiearts kan verwijzen naar een andere specialist in het ziekenhuis of naar de huisarts. Omdat diagnostiek naar peesrupturen niet onder de kennis van revalidatiegeneeskunde valt, is de revalidatiearts die cliënte heeft gezien, niet te verwijten dat hij een onjuiste conclusie heeft getrokken. De conclusie bleek achteraf onjuist te zijn, maar binnen de geldende standaard van de revalidatiegeneeskunde is dit niet fout geweest. Om deze reden is dit klachtonderdeel ongegrond verklaard en blijft de zorgaanbieder bij dit standpunt. Ook dit behandeltraject wordt in het SIRE onderzoek onder de loep genomen en waar nodig, worden verbetermaatregelen in gang gezet.

Voor het ontvangen van schadevergoeding is aansprakelijkheid nodig. De geleden schade dient het gevolg te zijn van het eventuele foutief handelen door de zorgaanbieder. In de geleden schade moet onderscheid worden gemaakt in schade die cliënte heeft geleden ten gevolge van het ongeval met de fiets en de opgelopen ruptuur en schade die is geleden ten gevolge van het eventueel foutief verlopen behandeltraject. Op basis van de door cliënte aangevoerde berekening is dit onderscheid niet te maken.
Met de uitkomsten van het SIRE onderzoek en met behulp van de schadeclaim-jurist van de zorgaanbieder zal worden bezien of tot een financiële regeling kan worden gekomen, waarbij een coulance regeling van maximaal € 2.000,– redelijk is. Mocht de commissie tot een ander oordeel komen dan zal de zorgaanbieder het bindende oordeel van de commissie erkennen en tot uitvoering brengen.

Beoordeling van het geschil

De overeenkomst die cliënte met de zorgaanbieder heeft gesloten, betreft een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Op grond van de behandelingsovereenkomst die cliënte met de zorgaanbieder is aangegaan, moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (het goed hulpverlenerschap uit artikel 7:453 van het BW), die mede bepaald wordt door onder meer de stand en inzichten van de medische wetenschap, richtlijnen en protocollen. Het goed hulpverlenerschap houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

In hoofdzaak klaagt cliënte over het niet verrichten van echo onderzoek door de traumachirurg en niet adequaat handelen, met als gevolg dat later een revalidatiearts in het behandeltraject is betrokken die cliënte evenmin zorgvuldig heeft onderzocht en vervolgens verkeerde conclusies heeft getrokken met alle nare gevolgen van dien.

Ten aanzien van het eerste klachtonderdeel, het niet maken van een echo door de traumachirurg op 21 juni 2021, stelt de commissie vast dat op dat moment daartoe geen noodzaak bestond op basis van het fysisch onderzoek. Cliënte bezocht op 28 mei 2021, drie weken na haar val, de traumachirurg. Diezelfde dag is op de SEH in Alkmaar röntgenologisch onderzoek uitgevoerd, waaruit geen afwijkingen in het schoudergebied naar voren zijn gekomen. Zowel de NHG-Richtlijn voor huisartsen als de FMS-Richtlijn voor medisch specialisten beschrijft dat bij een vers trauma, zoals een val, eerst dient te worden bezien of genezing zonder interventie plaatsvindt, eventueel aangevuld met oefentherapie. Wanneer deze conservatieve behandeling onvoldoende effect sorteert en pijnklachten niet verminderen, is aanvullend onderzoek met eventueel aanvullende beeldvormende diagnostiek in de vorm van echografie van de schouder, oftewel nader onderzoek geïndiceerd. Echter op het moment dat cliënte de traumachirurg bezocht, was het trauma nog vers en dit moment nog niet bereikt. Conservatieve behandeling was op dat moment, waarop blijkbaar geen forse beperkingen zijn waargenomen, nog geïndiceerd. Hierin valt de traumachirurg geen verwijt te maken.

De traumachirurg is naar het oordeel van de commissie wel een verwijt te maken inzake de communicatie in het kader van de informatievoorziening. Zo is uit de stukken niet gebleken dat de traumachirurg cliënte nadere instructies heeft gegeven wat te doen als de klachten niet overgaan. Evenmin is uit het patiëntendossier gebleken dat cliënte een vervolgafspraak is aangeboden of dat haar is meegegeven bij aanhoudende klachten terug te komen, oftewel er is geen advies over een eventuele follow-up gegeven. Daarnaast geeft het patiëntendossier evenmin blijk van enige terugkoppeling vanuit de zorgaanbieder aan de huisarts van cliënte. Dat de traumachirurg cliënte wel heeft meegegeven bij het consult van 21 juni 2021 dat zij met aanhoudende klachten mocht terugkomen, zoals zij in het kader van de klachtprocedure heeft gesteld, is de commissie niet gebleken. Immers alle informatie die een patiënt is gegeven, dient in het medisch dossier vermeld te staan. Enige nadere instructie, behoudens fysiotherapie, is uit de dossiervoering niet op te maken en is ter zitting door cliënte ook ten stelligste ontkend.
De vraag aan de zorgaanbieder of patiënten op de poli traumatologie een folder met algemene informatie krijgen – dan wel dat deze folder beschikbaar is op de poli – waaruit cliënte had kunnen opmaken dat zij met aanhoudende klachten zich wederom tot de poli kon melden, is in ontkennende zin beantwoord. Nu evenmin de huisarts een terugkoppeling van de zorgaanbieder heeft ontvangen, betekent dat dat vanuit de zorgaanbieder de communicatie en informatie voor patiënten niet voldoende op orde is en geen adequaat vangnet voor patiënten met aanhoudende klachten is gecreëerd.

Op grond van het voorgaande oordeelt de commissie dat niet verwijtbaar is dat op 21 juni 2021 geen echo is gemaakt, in dat kader is niet medisch onzorgvuldig gehandeld. Wel is voor de commissie genoegzaam komen vast te staan dat cliënte onvoldoende door de zorgaanbieder is geïnformeerd over wat te doen bij aanhoudende klachten, niet door de traumachirurg zelf, maar ook niet door andere medewerkers op de poli. Het gevolg hiervan is dat de communicatie en informatievoorziening naar cliënte toe onvoldoende is geweest, welk onzorgvuldig en verwijtbaar handelen de zorgaanbieder valt aan te rekenen.

Daarnaast stelt cliënte dat – als tweede klachtonderdeel – de revalidatiearts op 7 februari 2022 onzorgvuldig heeft gehandeld door een verkeerde conclusie te trekken. Het is voor de commissie niet komen vast te staan dat de revalidatiearts onzorgvuldig heeft gehandeld, hij heeft gedaan wat hem is gevraagd als revalidatiearts, namelijk functieverbetering van de schouder trachten te bewerkstelligen en pijnbehandeling te geven teneinde de pijnklachten bij cliënte te verminderen. De commissie oordeelt het niet verwijtbaar dat de revalidatiearts is uitgegaan van de informatie die hij heeft meegekregen uit het patiëntendossier en is afgegaan op de gegevens van de traumachirurg. Dat hij op basis van deze informatie een onjuiste conclusie heeft getrokken, is niet aan onkundig handelen van de arts te wijten. De zorgaanbieder valt op dit onderdeel dan ook geen verwijt te maken.

Voor aanspraak op een schadevergoeding is vereist dat de zorgaanbieder in enig opzicht toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van de behandelovereenkomst en dat cliënte daardoor schade heeft geleden. Deze schadevordering dient cliënte deugdelijk te onderbouwen. Cliënte verzoekt de commissie haar een vergoeding toe te kennen voor gederfde loonkosten, verminderde pensioenopbrengsten en voor immateriële schade.
Uit het hiervoor overwogene volgt weliswaar dat de zorgaanbieder ten dele tekort is geschoten in de nakoming van de behandelovereenkomst, maar de gevorderde vergoeding ter zake van gederfd inkomen, verminderd pensioen en immateriële schade is onvoldoende gespecificeerd en onderbouwd. Daarbij heeft cliënte niet aangetoond dat de gestelde materiële en immateriële schade is ontstaan door het gebrek aan communicatie en informatie, zodat de gevorderde vergoeding reeds daarom moet worden afgewezen.

Daar de klacht ten dele gegrond wordt verklaard, zal de commissie, onder verwijzing naar artikel 21 van het reglement, de zorgaanbieder veroordelen tot vergoeding aan cliënte van het door haar betaalde klachtengeld, zijnde een bedrag van € 52,50.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie:
– verklaart het eerste klachtonderdeel voor zover dit de informatieverstrekking en communicatie betreft gegrond;
– verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
– bepaalt dat de zorgaanbieder het door de cliënt betaalde klachtengeld van € 52,50 aan cliënte dient te vergoeden binnen 14 dagen na verzending van dit bindend advies;
– wijst de gevorderde schadevergoeding af.

Overeenkomstig artikel 22 van het reglement van de commissie is de zorgaanbieder aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit mevrouw mr. A.D.R.M. Boumans, voorzitter, de heer prof. dr. M. Poeze, de heer J. Donga, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. J.M. Bouter-Bijsterveld, secretaris, op 23 oktober 2025.