Commissie: Ziekenhuizen
Categorie: Behandeling
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: bindend advies
Uitkomst: ongegrond
Referentiecode:
1012851/1108647
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
Een vrouw met een beenamputatie liet zich in 2018 behandelen met een zogenaamde klikprothese in het Radboudumc. Zij hoopte daardoor beter te kunnen lopen en minder klachten te hebben. Volgens haar kreeg zij vooraf niet genoeg informatie over de risico’s van de behandeling. Ook vond zij dat haar pijnklachten na de operatie niet serieus werden genomen en dat de revalidatie slecht verliep. Daarom vroeg zij een schadevergoeding van €25.000. Het ziekenhuis stelde dat de patiënte wel degelijk goed was geïnformeerd en dat de behandeling volgens de regels is uitgevoerd. De commissie oordeelde dat de artsen voldoende uitleg hadden gegeven over de behandeling en de mogelijke risico’s. Ook zag de commissie geen bewijs dat de operaties of de nazorg onzorgvuldig waren. Daarom werd de klacht ongegrond verklaard en kreeg de patiënte geen schadevergoeding.
De volledige uitspraak
in het geschil tussen
[Naam], wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de cliënte)en
Radboudumc, gevestigd te Nijmegen
(hierna te noemen: de zorgaanbieder)
Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.
De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.
De behandeling heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2025 te Den Haag. De cliënte was fysiek ter zitting aanwezig. Namens de zorgaanbieder hebben digitaal aan de zitting deelgenomen: [naam] (jurist gezondheidsrecht), [naam] (chirurg) en [naam] (afdelingshoofd revalidatie).
Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft de behandeling die door de zorgaanbieder bij de cliënte is uitgevoerd, waarvan zij stelt nadeel te hebben ondervonden.
Standpunt van de cliënte
Voor het standpunt van de cliënte verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dit op het volgende neer.
De cliënte heeft door een verkeersongeval in 1978 een beenamputatie gehad. Zij had een bovenbeenprothese rechts en een slechte enkel links.
Vanaf ongeveer 2008 werd zij toenemend beperkt in haar bewegingen en kreeg zij veel klachten aan haar linkervoet. Rond 2016 werden ook de klachten aan de prothesezijde steeds groter; slechtere fitting van de prothese en veel klachten van de koker. De cliënte hoorde over osseointegratie (‘klikprothese’) – hierna te noemen: oi – en wilde er meer van weten.
Geen informed consent
De cliënte is op 10 maart 2017 naar een informatiedag bij de zorgaanbieder geweest. In een groepje werd een algemeen verhaal verteld over oi. Er werd aangegeven dat de operatie en revalidatie best pittig zouden zijn, maar dat het eindresultaat fantastisch zou zijn. Op de vraag van de cliënte of het implantaat er weer uit kon als het onverhoopt toch niet goed uitpakte, werd geantwoord dat dat geen enkel probleem was en dat daarna binnen twee weken weer gebruik kon worden gemaakt van een kokerprothese. Ook de aanwezige ervaringsdeskundige vertelde een overwegend positief verhaal.
Na de algemene bijeenkomst heeft de cliënte een persoonlijk gesprek met de betrokken artsen gehad. Tijdens het gesprek werd alleen even naar haar stomp gekeken. Naar haar slechte voet links werd niet gekeken. De revalidatiearts zei stellig: ‘Jij gaat weer lopen’. De cliënte kreeg geen kans om verdere vragen te stellen.
Dit was de gehele voorlichting en het enige contact voorafgaand aan de ingreep. Er is geen aanvullende informatie op papier gezet. De cliënte heeft ook nooit volledige uitleg over de risico’s van oi gehad. Er zijn valse beloften gedaan, er werd een mooier beeld geschetst dan de werkelijkheid en mogelijke nadelige gevolgen – zoals breuk van het implantaat, zenuwpijnen en botinfectie – zijn onbelicht gelaten.
Als de cliënte vooraf volledige informatie had gehad, dan had zij een betere afweging had kunnen maken.
De operatie
De operatie is in twee stappen gedaan. Eerst het plaatsen van het implantaat, waarbij de huid intact bleef. De tweede stap – een opening maken in de stomp en een onderdeel in de stomp draaien – zou ongeveer een maand na de eerste stap worden uitgevoerd.
Na het ontslag na de eerste ingreep had de cliënte meteen veel pijnklachten. Zij is verschillende keren naar de EHBO geweest, maar had het gevoel dat haar klachten niet serieus werden genomen. Uiteindelijk zag de cliënte haar stomp binnen een nacht blauw worden. Dit was vermoedelijk een nabloeding. Vervolgens heeft de chirurg besloten om met spoed de tweede operatie uit te voeren. Hij gaf de cliënte geen gelegenheid om vragen daarover te stellen. Ook op de afdeling heeft de cliënte geen uitleg gekregen. Zij heeft zich psychisch onder druk gezet gevoeld. Hoewel de cliënte te kennen had gegeven dat zij algehele narcose wilde, heeft zij een plaatselijke verdoving met een roesje gekregen.
Na een tijdje begon uit de stompstoma van de cliënte vocht te lopen. Toen de cliënte werd opgeroepen voor de revalidatie, heeft zij dit gemeld, maar ook dit werd in eerste instantie niet serieus genomen.
Revalidatie
De cliënte heeft uitstel gevraagd voor fysiotherapie, omdat zij totaal niet fit was. Na twee weken moest zij toch komen, omdat er plaats was. Tijdens de behandeling gaf de cliënte te kennen, dat zij last had van haar linkervoet. Stelselmatig werd geweigerd deze voet te bekijken en mee te nemen in het geheel. De fysiotherapeuten verwezen haar daarvoor terug naar de eerste lijn en schreven haar morfine voor tegen de pijn.
Omdat de cliënte ontevreden was over de gang van zaken, heeft zij de fysiotherapie beëindigd. Uiteindelijk is de linkerenkel in januari 2020 bij een andere zorgaanbieder vastgezet, omdat de pijnklachten ondraaglijk waren. Sindsdien zijn de klachten van de diepe pijn verdwenen. De andere pijnen kwamen terug in mei 2023, toen de uitlijning van de prothese van de cliënte weer was als in de begintijd van de fysiotherapie rond de oi. Pas toen werd haar duidelijk dat de pijnen werden veroorzaakt door de instelling en uitlijning van de prothesezijde.
Belangenverstrengeling
De cliënte is erachter gekomen dat één van de behandelaren van de zorgaanbieder een bedrijf heeft in implantaten en in adapters. Er is dus sprake van belangenverstrengeling. Inmiddels is een andere behandelaar ook een privékliniek gestart.
Er worden follow-up controles uitgevoerd door de fysio oi afdeling na één, drie en vijf jaar, met onder meer vragenlijsten. Deze vragenlijsten zijn erg sturend richting het positieve verhaal. Later is de cliënte gebleken dat de uitkomsten gebruikt worden om de oi methode wetenschappelijk te onderbouwen en hiermee vergoedingen te krijgen van zorgverzekeraars.
Verder verloop
De cliënte heeft instelling- en adapterproblemen van de prothese ondervonden. De wil en inzet van het team om gezamenlijk uit te gaan zoeken waarom oi bij de cliënte maar geen succes was, heeft de cliënte totaal gemist.
Inmiddels heeft de cliënte haar implantaat bij een andere zorgaanbieder laten verwijderen.
De cliënte heeft twee keer een klacht ingediend bij de zorgaanbieder. Naar aanleiding van de tweede klacht heeft de cliënte een gesprek gehad met de hoofden van de afdelingen revalidatie en traumatologie. Vervolgens heeft er een audit bij de zorgaanbieder plaatsgevonden. Hoewel de cliënte zich door de hoofden van de betrokken afdelingen gehoord voelde, is zij niet tevreden met de uitkomst van het klachtentraject. Haar negatieve signalen over het reilen en zeilen van de oi-afdeling zijn genegeerd en gebagatelliseerd. Er heerste een bias op de oi afdeling, waarbij alleen positieve zaken werden gezien en erkend. Problemen die de cliënte ervoer, werden al snel afgedaan met dat het aan haar lag, of dat zij de enige was met die klacht.
Dit is de reden dat zij de onderhavige klacht bij de commissie heeft ingediend
Schadevergoeding
Na de oi is de fysieke en emotionele toestand van de cliënte verslechterd. Ook heeft/zal zij veel extra (zorg) kosten moeten maken. De cliënte verzoekt haar een vergoeding van € 25.000,– toe te kennen voor de materiële en immateriële schade die zij door toedoen van de zorgaanbieder heeft geleden.
Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dit op het volgende neer.
De zorgaanbieder is primair van mening dat de cliënte niet-ontvankelijk is in de klacht, omdat zij deze niet binnen twaalf maanden na de afhandeling van de klacht door de zorgaanbieder bij de commissie heeft ingediend. Na een eerdere klacht in 2020 heeft de cliënte in 2023 opnieuw een klacht ingediend. Naar aanleiding van deze tweede klacht hebben op 28 juni 2023 en 20 september 2023 gesprekken plaatsgevonden tussen de afdelingshoofden en de cliënte. Daarin is afgesproken dat een interne audit zou worden gehouden op het zorgtraject rondom oi en dat de cliënte over de uitkomsten daarvan zou worden geïnformeerd. Deze audit en de afspraak om de cliënte te informeren, kan niet meer worden gerekend tot de strikte klachtafhandeling.
De zorgaanbieder doet voorts een beroep op verjaring. De cliënte heeft de zorgaanbieder weliswaar op 10 november 2023 een stuitingsbrief gestuurd en de zorgaanbieder daarbij aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van de behandeling, maar op dat moment was de rechtsvordering tot schadevergoeding al gedeeltelijk verjaard.
Inhoudelijk voert de zorgaanbieder het volgende aan.
De cliënte is op de informatiedag van 10 maart 2017 geweest. Dit was een dagvullend programma met eerst een bezoek aan de röntgenafdeling voor CT-scan en röntgenfoto’s, vervolgens een groepspresentatie van de chirurg en de revalidatiearts en daarna individuele consulten om de ins en outs nog eens op individueel niveau te bespreken. In de PowerPointpresentatie zoals deze tijdens deze dag is gebruikt, zijn de risico’s van oi benoemd. Tijdens het individuele gesprek is verder wel degelijk de mogelijkheid gegeven tot het stellen van vragen. Uit de aantekeningen in het medisch dossier van de cliënte blijkt dat is nagegaan of zij een geschikte kandidaat was voor oi en dat de specifieke (extra) risico’s met betrekking tot haar individuele situatie met haar zijn besproken.
De zorgaanbieder is van mening dat er aldus volledige (en eerlijke) informatie heeft plaatsgevonden over het oi-traject, inclusief informatie over de risico’s en complicaties.
Bij de indicatiestelling is wel degelijk rekening gehouden met de ‘slechte’ enkel van de cliënte. Dit ondersteunde juist de indicatie voor oi. De verwachting was juist dat er met oi winst was te behalen op de loopafstand en prothesedraagtijd.
Voor zover sprake is geweest van belangenverstrengeling, is door de cliënte niet gesteld en niet bewezen hoe zij hierdoor schade heeft geleden.
Na de eerste operatie op 28 mei 2018 had de cliënte veel pijnklachten. Vanwege verdenking wondabces is besloten de tweede stap versneld uit te voeren. De tweede operatie heeft plaatsgevonden op 8 juni 2018. Deze heeft conform de wens van de cliënte onder algehele narcose plaatsgevonden. Tijdens deze ingreep is geen wondabces aangetroffen, maar wel een vervloeid hematoom. Daarna is zij herhaalde malen door de zorgaanbieder gezien vanwege verdenking van een nabloeding. Er is een kortdurende opname geweest, waarbij het pijnteam is ingeschakeld.
De zorgaanbieder is van mening dat niet is komen vast te staan dat sprake is geweest van een nabloeding, waardoor er ook geen sprake is geweest van onvoldoende nazorg op dit punt. Er is veel aandacht geweest voor de pijnbehandeling.
Na de operaties in 2018 is veel aandacht besteed aan de uitlijning van de prothese van de cliënte en de oplossing van de problemen daarmee. In september 2020 heeft de cliënte ervoor gekozen de behandeling elders voort te zetten. Er hebben nog wel na twee en vijf jaar follow-upconsulten plaatsgevonden en een aantal (telefonische) consulten. Er was dus geenszins sprake van onwil of onvoldoende inzet op de momenten dat de cliënte zich tot de zorgaanbieder wendde. Die momenten waren na 2020 gering, omdat zij zelf had gekozen voor hulp en begeleiding elders.
Dat alle inspanningen in het oi-traject niet (direct) hebben geleid tot oplossing van de fysieke problemen van de cliënte wil niet zeggen dat er vanwege het tegenvallende resultaat ook sprake is geweest van verwijtbare tekortkomingen of nalatigheden door de zorgaanbieder.
Tijdens de fysiotherapie en revalidatie bij de zorgaanbieder is er aandacht geweest voor de linkerenkel.
Vanuit de uitgevoerde audit is er op het gebied van communicatie en bejegening van patiënten een verbeterpunt geformuleerd en ingezet, in de vorm van een casemanager. Deze is sindsdien de continue factor voor de patiënt door sociale-emotionele aspecten te bespreken en uitleg te geven over technische zaken en planning.
De zorgaanbieder is van mening dat geen sprake is geweest van een situatie die recht geeft op een schadevergoeding.
De zorgaanbieder verzoekt de commissie de klacht van de cliënte ongegrond te verklaren en de door haar verzochte schadevergoeding af te wijzen.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
Ontvankelijkheid
De zorgaanbieder beroept zich op niet-ontvankelijkheid. Gelet op dit verweer van de zorgaanbieder dient te commissie te onderzoeken of de cliënte kan worden ontvangen in de klacht.
De commissie dient deze vraag te beantwoorden aan de hand van de bepalingen van haar reglement; de niet-ontvankelijkheidsgronden staan vermeld in artikel 6 van het reglement. De zorgaanbieder doet op een beroep op artikel 6 lid 1 sub c van het reglement. Hierin is bepaald:
“De commissie verklaart op verzoek van het ziekenhuis – gedaan bij eerste gelegenheid – de cliënt in zijn klacht niet ontvankelijk:
c. (indien) de cliënt zijn geschil vervolgens niet binnen 12 maanden, na afhandeling van de klacht door het ziekenhuis, bij de commissie aanhangig heeft gemaakt”.
De zorgaanbieder stelt dat met de gesprekken tussen de cliënte en de afdelingshoofden in juni en september 2023 de klacht is afgehandeld. De audit die daarna heeft plaatsgevonden, kan volgens de zorgaanbieder niet meer tot de strikte klachtafhandeling worden gerekend.
De cliënte heeft daartegenover gesteld dat zij de audit als onderdeel van de interne klachtenprocedure heeft opgevat en dat zij meende de uitkomst te kunnen afwachten, alvorens eventueel verdere stappen te ondernemen.
De commissie stelt vast dat de zorgaanbieder de cliënte niet uitdrukkelijk heeft medegedeeld dat de klachtafhandeling met de gesprekken van juni en september 2023 in zijn visie was beëindigd. Gelet op de onduidelijkheid die de zorgaanbieder aldus heeft laten bestaan, is de commissie van oordeel dat de cliënte van haar interpretatie geen verwijt kan worden gemaakt. De brief van de cliënte van 9 november 2023 maakt dit niet anders. Immers, daarin heeft de cliënte onder meer geschreven:
“Er zijn voor mij nog onaffe eindjes, ik ben mezelf nog aan het beraden hoe ik daarmee omga. Mogelijk ga ik verdere stappen nemen”.
Vaststaat dat de zorgaanbieder de cliënte bij brief van 20 juni 2024 heeft geïnformeerd over de uitkomsten van de audit. De cliënte heeft zich vervolgens in januari 2025 tot de commissie gewend. Dit is dus binnen de hiervoor genoemde termijn van twaalf maanden.
Gelet op het voorgaande zal de commissie de cliënte ontvankelijk verklaren in de klacht en het geschil inhoudelijk behandelen.
Het beoordelingskader
De rechtsverhouding tussen partijen is aan te merken als een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Naast hetgeen partijen in die overeenkomst hebben afgesproken, gelden tussen hen – voor zover in het concrete geval van toepassing – de overige bepalingen van het BW. Bij de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moeten de hulpverleners – in dit geval de chirurg, de fysiotherapeut en de revalidatiearts – de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hen rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 BW). Deze zorgplicht houdt in dat de hulpverleners in de te onderscheiden fasen van de behandeling – te weten de voorfase (informed consent), de hoofdfase (de operatie) en de nafase (de nazorg) – die zorg moeten betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot/hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.
Het gaat bij de beoordeling daarvan niet om de vraag of het betreffende handelen van de hulpverleners anders of mogelijk zelfs beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de hulpverleners binnen de grenzen van een redelijk handelend en redelijk bekwame vakgenoot/hulpverlener in dezelfde omstandigheden zijn gebleven.
Voor een goed begrip van de hiervoor genoemde maatstaf is het van belang te weten dat die zorgplicht in beginsel niet wordt aangemerkt als een resultaatsverplichting, waarbij de hulpverlener moet instaan voor het bereiken van een bepaald resultaat, maar als een inspanningsverplichting, waarbij de hulpverlener zich verbindt zich voor het bereiken van een bepaald resultaat in te spannen. De reden hiervoor is dat het bij een geneeskundige behandeling meestal niet mogelijk is een bepaald resultaat te garanderen, omdat het menselijk lichaam in het (genezings-)proces een onzekere factor vormt. Zelfs bij onberispelijk medisch handelen kan het beoogde resultaat uitblijven. Van een tekortkoming kan dan ook pas worden gesproken indien komt vast te staan dat de hulpverlener zich onvoldoende heeft ingespannen of bij zijn inspanning een fout heeft gemaakt en dus niet heeft gehandeld als een redelijk handelend en redelijk bekwaam hulpverlener.
De voorfase (informed consent)
Voor verrichtingen ter uitvoering van een geneeskundige behandelovereenkomst is de toestemming van de patiënt vereist (artikel 7:450 BW). Een patiënt kan in beginsel slechts toestemming voor een behandeling geven indien hij daarover door de hulpverlener adequaat is geïnformeerd. Die informatieplicht is neergelegd in artikel 7:448 BW. De hulpverlener moet de patiënt op duidelijke wijze inlichten over de voorgestelde behandeling. Bij het verstrekken van informatie dient de hulpverlener zich te laten leiden door hetgeen de patiënt voor het nemen van een afgewogen beslissing redelijkerwijs dient te weten, onder meer ten aanzien van de te verwachten gevolgen en de normale, voorzienbare risico’s van de behandeling.
Het belangrijkste doel van de informatieplicht is de patiënt in staat te stellen een weloverwogen keuze te maken voor een bepaalde behandeling. De hulpverlener hoeft de patiënt daarom niet over alle in theorie denkbare risico’s en/of complicaties te informeren en evenmin over zijn keuze voor een specifieke prothese en de fabrikant of het merk daarvan.
De cliënte stelt dat op de informatiedag van de zorgaanbieder van 10 maart 2017 een mooier beeld werd geschetst dan de werkelijkheid en dat mogelijk nadelige gevolgen en risico’s van oi onbelicht zijn gebleven. In het individuele gesprek dat zij op die dag met de betrokken artsen had, kreeg zij geen kans om verdere vragen te stellen en er is geen aanvullende informatie op papier gezet.
De zorgaanbieder heeft deze stellingen gemotiveerd weersproken. Hij heeft met name verwezen naar de PowerPointpresentatie, die als productie 4 bij het verweerschrift is overgelegd. De zorgaanbieder heeft gesteld dat deze presentatie standaard werd gegeven tijdens het multidisciplinair spreekuur (het algemene gedeelte) op de informatiedag, die destijds maandelijks werd gehouden. Dat dit in het geval van de cliënte – zoals zij ter zitting heeft verklaard – niet zou zijn gebeurd, acht de commissie niet aannemelijk.
De commissie stelt vast dat in deze presentatie de risico’s van oi (infectie van het bot, infectie van de weke delen en breuk van het implantaat) uitgebreid zijn beschreven. Uit het medisch dossier van de cliënte blijkt voorts dat ook tijdens het individuele gesprek met de cliënte op 10 maart 2017 over de risico’s is gesproken. De commissie heeft geen reden daaraan te twijfelen.
De cliënte heeft ter zitting nog verklaard dat zij een contra-indicatie voor oi had, omdat haar spieren niet goed functioneerden en zij een slechte enkel had. De zorgaanbieder heeft dit weersproken en gesteld dat bij de indicatiestelling wel degelijk rekening is gehouden met de slechte enkel. Ter zitting heeft de chirurg voorts verklaard dat de spieren kunnen worden opgebouwd in het fysiotherapie- en revalidatietraject dat de zorgaanbieder aanbiedt na oi.
Naar het oordeel van de commissie heeft/hebben (de betrokken artsen van) de zorgaanbieder zich met de verstrekte informatie in voldoende mate van zijn (hun) zorgplicht gekweten. Het beroep van de cliënte op het ontbreken van informed consent gaat dan ook niet op.
De hoofdfase (de operaties)
Op basis van de stukken en de toelichting die de zorgaanbieder tijdens de zitting heeft gegeven heeft de commissie geen aanwijzingen dat de operaties van 28 mei 2018 en 6 juni 2018 niet goed zijn uitgevoerd.
Niet gebleken is dat de chirurg bij de operaties onzorgvuldig heeft gehandeld of een fout heeft gemaakt.
Uit de operatieverslagen blijkt dat de operaties ongecompliceerd zijn verlopen. Verder blijkt – anders dan de cliënte stelt – dat de tweede operatie onder algehele narcose heeft plaatsgevonden.
De nafase (nazorg)
De cliënte stelt allereerst dat de zorgaanbieder haar pijnklachten na de eerste operatie op 28 mei 2018 niet serieus heeft genomen. Het dossier biedt geen aanknopingspunten voor deze stelling. Naar het oordeel van de commissie is de benadering van de zorgaanbieder om vanwege de verdenking van een wondabces de tweede operatie (step 2) versneld uit te voeren, adequaat geweest. Van een psychisch onder druk zetten van de cliënte door de chirurg is de commissie niet gebleken.
Ook na de tweede operatie had de cliënte pijnklachten. Onbetwist is dat de zorgaanbieder veel aandacht heeft gehad voor de pijnbehandeling door een kortdurende opname en inschakeling van het pijnteam.
Er is destijds geen wondabces, ontsteking of nabloeding aangetroffen, maar wel een vervloeid hematoom.
De commissie betreurt het dat de cliënte na de operaties zoveel pijn en ongemak heeft ervaren en hier nog steeds last van ondervindt, maar komt tot het oordeel dat dit de zorgaanbieder niet valt te verwijten.
De cliënte stelt voorts dat zij problemen heeft ondervonden met de uitlijning van de prothese en dat het oi-team nalatig is geweest om zich daarin te verdiepen. Verder is zij niet tevreden over het fysiotherapie- en revalidatietraject. Echter, ook op deze punten is de commissie niet gebleken van ongerechtigheden. Dat de cliënte er kennelijk voor heeft gekozen zich na september 2020 voor hulp en begeleiding tot andere zorgaanbieders te wenden en de nazorg door de zorgaanbieder op deze punten daardoor beperkt is gebleven, kan de zorgaanbieder niet worden verweten.
Belangenverstrengeling
Wat er ook zij van de vermeende belangenverstrengeling, de commissie kan niet vaststellen dat de cliënte daarvan nadeel heeft ondervonden.
Conclusie
De commissie is van oordeel dat (de betrokken artsen van) de zorgaanbieder tegenover de cliënte (hebben) heeft gehandeld, zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot in gelijke omstandigheden mocht worden verwacht. Dit betekent dat de commissie de klacht van de cliënte in al zijn onderdelen ongegrond acht.
Het verzoek tot schadevergoeding
De cliënt heeft om toekenning van een schadevergoeding verzocht. Voor toekenning van een schadevergoeding is – in een geval als dit waarin het een contractuele relatie tussen partijen betreft – ten minste vereist dat er sprake is van een toerekenbare tekortkoming (wanprestatie). Hiervoor heeft de commissie overwogen dat zij de klacht van de cliënte ongegrond acht en dat betekent dat een toerekenbare tekortkoming niet is komen vast te staan. Reeds op deze grond moet het desbetreffende verzoek van de cliënte worden afgewezen.
Aan de bespreking van het verweer van de zorgaanbieder met betrekking tot de bevoegdheid van de commissie en de verjaring van de aansprakelijkheid komt de commissie daarom niet meer toe.
Klachtengeld
Nu de klacht van de cliënte in al zijn onderdelen ongegrond wordt verklaard, blijft het klachtengeld voor haar rekening.
Hetgeen partijen voorts nog naar voren hebben gebracht, behoeft geen bespreking, nu dit niet tot een ander oordeel kan leiden. De commissie merkt daarbij op dat de omvang van het geschil wordt begrensd door hetgeen de cliënte in het vragenformulier als klacht heeft geuit. Hetgeen de cliënte daarna als nieuwe klachten nog naar voren heeft gebracht (het korter worden van het bot en het achterblijven van operatieclips), maakt geen onderdeel uit van het geschil en wordt daarom niet besproken.
Derhalve wordt beslist als volgt.
Beslissing
De commissie:
– verklaart de cliënte ontvankelijk in de klacht;
– verklaart de klacht van de cliënte in al zijn onderdelen ongegrond;
– wijst de door de cliënte verzochte schadevergoeding af.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit de heer mr. L. Verheij, voorzitter, de heer prof. dr. B.J. van Royen en mevrouw mr. I. van den Hoven-van Vogelpoel, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. drs. I.M. van Trier, secretaris, op 22 oktober 2025.