Facelift onder lokale verdoving zonder voorafgaand informed consent; klacht deels gegrond

De Geschillencommissie Zorg




Commissie: Zelfstandige Klinieken    Categorie: (On)Zorgvuldig handelen    Jaartal: 2026
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ten dele gegrond   Referentiecode: 1270050/1312224

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De commissie vindt dat de cliënt haar klacht op tijd heeft ingediend en dus ontvankelijk is. De chirurg had vooraf met de anesthesist moeten overleggen over de narcose en dit tijdig met de cliënt moeten bespreken, waardoor er op de operatiedag geen goed geïnformeerde toestemming was voor het uitvoeren van de ingreep onder lokale verdoving; dit deel van de klacht is gegrond. De facelift zelf is volgens de commissie wel correct uitgevoerd, en er is geen bewijs dat de zorgaanbieder fouten heeft gemaakt of dat de ingreep de door de cliënt gestelde nierschade heeft veroorzaakt, waardoor dit deel van de klacht ongegrond is. Omdat er geen verband is tussen het gegronde onderdeel en de door de cliënt gestelde schade, krijgt zij geen schadevergoeding, maar wel haar klachtengeld terug.

De volledige uitspraak

in het geschil tussen

mevrouw [naam], wonende te [plaatsnaam] (hierna te noemen: de cliënt)

en

Boerhaave Medisch Centrum, gevestigd te Amsterdam
(hierna te noemen: de zorgaanbieder)
gemachtigde: mevrouw [naam]

Onderwerp van het geschil

De cliënt heeft een facelift laten uitvoeren in de kliniek van de zorgaanbieder. Zij verwijt de zorgaanbieder dat de operatie, tegen de afspraak in, op het laatste moment onder lokale verdoving in plaats van onder algehele narcose is uitgevoerd, waardoor het resultaat van de ingreep onvoldoende is en complicaties zijn opgetreden.

Standpunt van de cliënt

De cliënt had de wens een ‘deep plane’ facelift te laten uitvoeren. Twee consulten met plastisch chirurg [naam], werkzaam in de kliniek van de zorgaanbieder, gaven de cliënt het vertrouwen dat zij de ingreep door hem wilde laten verrichten. Het was de chirurg bekend dat de cliënt diabetes type 1 patiënt is.
Op 9 november 2023 vond de operatie plaats. Op de operatiekamer ontstond een vreemde en verontrustende discussie en situatie omdat de anesthesist de cliënt niet onder narcose wilde brengen vanwege haar diabetes; er was geen apparatuur om haar glucose te monitoren.
Uiteindelijk stelde de chirurg voor de operatie onder lokale verdoving uit te voeren. De cliënt was hierdoor overrompeld en heeft ingestemd met de lokale anesthesie maar dat de ingreep hierdoor anders zou zijn en het ‘deep plane’ effect niet kon worden bereikt is haar niet verteld. Het resultaat van de ingreep was dan ook teleurstellend. Het liftende effect was onvoldoende en er trad een complicatie op die ‘pixi ears’ wordt genoemd. Andere klinieken die de cliënt na de ingreep heeft bezocht hebben haar dit bevestigd.
Tijdens een diabetes controle in het ziekenhuis bleek bovendien dat de cliënt nierschade heeft opgelopen door de hoge dosis lokale verdoving die bij haar op 9 november 2023 is toegediend. Sinds de ingreep moet de cliënt daar medicijnen voor gebruiken. De cliënt heeft haar onvrede aan de kliniek kenbaar gemaakt en vervolgens een klacht ingediend. Haar klachten zijn echter niet naar tevredenheid afgehandeld. De zorgaanbieder heeft de waarheid verdraaid in het dossier dat aan de VvAA is gestuurd waardoor de aansprakelijkheid is afgewezen. De zorgaanbieder heeft een hersteloperatie voorgesteld maar die betreft alleen de oorlellen. Daarbij zal die ingreep weer onder dezelfde schadelijke lokale verdovingsmiddelen worden uitgevoerd, waardoor de cliënt vanwege de gezondheidsrisico’s die ingreep niet kan ondergaan.
De cliënt verwijt de zorgaanbieder dat bij haar een andere ingreep is uitgevoerd dan was afgesproken en waarvan het resultaat niet is zoals mag worden verwacht.
Door de als gevolg van de ingreep verminderde nierfunctie leidt de cliënt aan ernstige vermoeidheid en heeft zij mentale problemen. Haar werkprestaties worden hierdoor negatief beïnvloed waardoor haar werkgever het dienstverband met haar wil beëindigen. Voor de ingreep heeft de cliënt 12 jaar lang goed gefunctioneerd.
De cliënt verlangt een vergoeding van de schade die zij door toedoen van de zorgaanbieder heeft geleden. Die schade bestaat uit de kosten van de operatie van € 10.350,-; de kosten van een haarstuk en fillers van € 1.700,-; de reiskosten naar de kliniek en verschillende andere klinieken van € 970,- en een vergoeding voor de opgenomen vakantiedagen en overige vrije dagen van €10.800,-. In totaal verlangt zij een vergoeding van € 25.000,- van de zorgaanbieder.

Standpunt van de zorgaanbieder

Niet ontvankelijk
De zorgaanbieder stelt zich primair op het standpunt dat de cliënt niet ontvankelijk is in haar klacht omdat zij haar geschil niet binnen 12 maanden na de datum waarop zij de klacht bij de zorgaanbieder indiende bij de commissie aanhangig heeft gemaakt. De cliënt heeft haar klacht op 12 april 2024 ingediend bij de klachtmedewerker van de zorgaanbieder. Door de zorgaanbieder is op 28 mei 2024 schriftelijk gereageerd op de klachten van de cliënt. Op 29 mei 2024 heeft chirurg [naam] nog telefonisch contact opgenomen met de cliënt om haar klachten te bespreken. Op 18 augustus 2025 heeft de cliënt het vragenformulier pas bij de commissie ingediend. Dit is ruim 15 maanden na de datum waarop zij haar klacht bij de zorgaanbieder indiende (28 april 2024) en daarmee te laat.

Inhoudelijk verweer
Op 13 maart 2023 meldde de cliënt zich voor het eerst bij chirurg [naam] vanwege haar wens om een facelift te laten uitvoeren. Zij gaf te kennen dat ze 15 kilo was afgevallen en voornemens was om nog meer gewicht te verliezen. De chirurg adviseerde de cliënt te wachten met de ingreep tot zij haar gewenste gewicht had bereikt. Ook dienden de fillers die zij in een andere kliniek had laten plaatsen opgelost te zijn. Op 23 september 2023 kwam klaagster voor een vervolgconsult bij chirurg. Zij had het door haar gewenste gewicht bereikt en had nog steeds de wens om een hals-/facelift te laten uitvoeren. De medische voorgeschiedenis van de cliënt werd daarbij besproken, zoals het feit dat zij diabetes heeft en een insulinepomp gebruikt. Van nierproblemen maakte de cliënt geen melding. De risico’s die horen bij het ondergaan van een hals-/facelift werden besproken en ook werd besproken dat een resultaat dat overeenstemt met de verwachtingen niet kan worden gegarandeerd. De cliënt heeft het benodigde informed consentformulier vervolgens ondertekend. Op 9 november 2023 werd de voorgestelde behandeling uitgevoerd. Vanwege de aanzienlijke duur van de ingreep (drie á vier uur) en mogelijk ongemak voor de patiënt wordt doorgaans, zo ook voor de cliënt, voor algehele narcose gekozen. Gelet op de diabetes van de cliënt genoot in haar geval echter lokale anesthesie de voorkeur. De bloedsuikerspiegel van de cliënt kon anders niet worden gemeten. Dit is op 9 november 2023 aan de cliënt uitgelegd en zij heeft hiermee ingestemd. De toegediende medicatie heeft geen effect op de nierfunctie. Een hals-/facelift wordt vaker onder lokale verdoving uitgevoerd. Voor de aard of het resultaat van de ingreep maakte de wijze van anesthesie niet uit, die kon ongewijzigd en zoals afgesproken worden uitgevoerd. De ingreep van de cliënt verliep ongecompliceerd en zonder bijzonderheden.
De zorgaanbieder betreurt het dat de cliënt niet tevreden is over het resultaat van de behandeling maar dit betekent niet dat de (chirurg van de) zorgaanbieder onzorgvuldig heeft gehandeld. Nadat de cliënt haar onvrede had geuit heeft de zorgaanbieder daar met zorg en aandacht op gereageerd. De cliënt heeft een verhelderend gesprek gehad met chirurg [naam] en voorts is zij voor een second opinion binnen de kliniek van de zorgaanbieder gezien door [naam] en [naam]. Ook vond een telefonisch consult plaats met plastisch chirurg [naam]. Mogelijkheden van aanvullende behandelingen werden uitvoerig met de cliënt besproken.
De cliënt heeft de zorgaanbieder aansprakelijk gesteld voor de door haar beweerdelijk geleden schade. De beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van de zorgaanbieder, de VvAA, heeft die aansprakelijkheid op 28 maart 2025 gemotiveerd afgewezen. De zorgaanbieder heeft oog voor de door de cliënt ervaren klachten maar meent dat hem geen verwijt kan worden gemaakt.

Beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid

De zorgaanbieder heeft primair een ontvankelijkheidsverweer gevoerd. De zorgaanbieder verwijt de cliënt dat zij de termijn waarbinnen zij haar klacht aan de commissie had moeten voorleggen heeft overschreden.

Het reglement schrijft voor dat de commissie een cliënt op verzoek van de zorgaanbieder in zijn/haar klacht niet ontvankelijk dient te verklaren indien hij/zij het geschil niet binnen 12 maanden, na de datum waarop de cliënt de klacht bij de zorgaanbieder indiende, bij de commissie aanhangig heeft gemaakt (zie artikel 6 lid 1 sub b. van het reglement).
De klachtenregeling van de zorgaanbieder schrijft in artikel 21 sub a. echter voor dat een klacht binnen een jaar nadat de behandeling daarvan is afgesloten aan de geschillencommissie kan worden voorgelegd.

De cliënt heeft haar klacht op 12 april 2024 bij de zorgaanbieder ingediend. Op 28 mei 2024 heeft de zorgaanbieder per email op de klacht van de cliënt gereageerd middels het verwoorden van de reactie van de behandelend chirurg. De zorgaanbieder stelt zich op het standpunt dat met dit – korte – bericht de behandeling van de klacht van de cliënt is afgesloten. Deze mededeling is echter niet in het bericht opgenomen en dit standpunt blijkt op geen enkele wijze uit het dossier van de cliënt. Blijkens dit door de zorgaanbieder overgelegde medische dossier heeft de behandelend chirurg vervolgens op 29 mei 2024 telefonisch contact opgenomen met de cliënt, heeft op 7 juli 2024 een interne second opinion door [naam] plaatsgevonden en hebben op 9 en 18 juli 2024 telefoongesprekken plaatsgevonden tussen de cliënt en de klachtenfunctionaris van de zorgaanbieder. Op 20 juli 2024 heeft de cliënt de zorgaanbieder aansprakelijk gesteld voor de schade die zij stelt te hebben geleden. Hierna hebben op 3 en 10 september 2024 telefoongesprekken plaatsgevonden tussen de cliënt en [naam], plastisch chirurg en heeft op 24 september 2024 een gesprek plaatsgevonden tussen de cliënt en [naam] over een herstelbehandeling. Uit het dossier blijkt voorts dat de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van de zorgaanbieder, de VvAA, de aansprakelijkheid naar aanleiding van de klacht van de cliënt op 28 maart 2025 heeft afgewezen. Vervolgens heeft op 2 mei 2025 wederom een interne second opinion plaatsgevonden ditmaal door plastisch chirurg [naam].
Middels het meldingsformulier heeft de cliënt op 20 juli 2025 haar geschil bij de commissie aanhangig gemaakt. Op diezelfde datum heeft zij de VvAA hiervan in kennis gesteld waarna haar – eveneens op 20 juli 2025 – te kennen is gegeven: “Dank voor uw bericht. Wij zullen de verdere berichten van de geschillencommissie afwachten.” Op 18 augustus 2025 heeft de cliënt het ‘Vragenformulier’ bij de commissie ingediend.

De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder aan de cliënt, die anders dan de zorgaanbieder zonder advocaat procedeert, niet kan tegenwerpen dat zij de klachtenregeling van de zorgaanbieder zelf heeft gevolgd en een inhoudelijke beoordeling van haar klacht heeft afgewacht.
De cliënt heeft uit de houding van de zorgaanbieder niet kunnen afleiden dat de behandeling van haar klacht eerder dan met de afwijzing van de VvAA op 28 maart 2025 of anders met de second opinion op 2 mei 2025 was afgesloten. Een zodanige mededeling van de zorgaanbieder of uitspaak van de klachtencommissie of oordeel van de raad van bestuur ontbreekt immers.
De reactie van de (verzekeraar van de) zorgaanbieder van 20 juli 2025 kan voorts niet anders worden gezien dan als een bevestiging dat de cliënt het klachten- en geschillentraject op een juiste wijze heeft gevolgd. Gelet op het voorgaande was de cliënt met de melding van haar klacht op 20 juli 2025 bij de geschillencommissie ruimschoots op tijd.
De commissie verwerpt het verweer van de zorgaanbieder en verklaart de cliënt ontvankelijk in haar klacht.

Inhoudelijke beoordeling

Beoordelingskader
Bij de beoordeling van deze klacht geldt het volgende beoordelingskader. De overeenkomst die is gesloten tussen de cliënt en de zorgaanbieder, is aan te merken als een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Bij de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet de hulpverlener – in dit geval de plastisch chirurg – de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen. Daarbij moet de hulpverlener handelen in overeenstemming met de op hem/haar rustende verantwoordelijkheid die voortvloeit uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 van het BW), die mede bepaald wordt door onder meer de stand en inzichten van de medische wetenschap, richtlijnen en protocollen. Deze zorgplicht houdt in dat de hulpverlener die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot/hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.
De zorgplicht houdt in beginsel geen resultaatsverplichting in, maar wordt aangemerkt als een inspanningsverplichting. Van een tekortkoming kan dan ook pas worden gesproken indien komt vast te staan dat de hulpverlener zich onvoldoende heeft ingespannen of bij de inspanning een fout heeft gemaakt.
De commissie dient te onderzoeken of de plastisch chirurg bij de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst in de gegeven omstandigheden al dan niet de hiervoor omschreven zorgplicht heeft nageleefd.

De commissie heeft het volgende overwogen.

Informed consent
Tussen partijen is een behandelingsovereenkomst gesloten op grond waarvan de plastisch chirurg van de zorgaanbieder een hals-/facelift onder algehele narcose bij de cliënt zou uitvoeren. Die ingreep werd uitgevoerd op 9 november 2023. Vaststaat dat de chirurg pas op dat moment, na overleg met de anesthesist, heeft besloten tot lokale anesthesie in plaats van een algehele narcose. De zorgaanbieder heeft naar voren gebracht dat de cliënt met die wijze van anesthesie heeft ingestemd. De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder aan de cliënt een langere tijd had moeten gunnen om een weloverwogen beslissing ten aanzien van de narcose te kunnen nemen. De zorgaanbieder heeft erkend en bevestigd dat hem bekend was dat de cliënt diabetespatiënt is. De chirurg had dan ook vooraf met de anesthesist dienen te overleggen over de wijze van anesthesie voor deze cliënt en vervolgens contact met haar moeten opnemen om de verschillende mogelijkheden van anesthesie en mogelijke risico’s met haar te bespreken. Nu de chirurg dat heeft nagelaten ontbrak op 9 november 2023 het informed consent ten aanzien van de wijze van anesthesie. Wat dit betreft is de klacht van de cliënt gegrond.
Dit betekent echter niet dat het informed consent ten aanzien van de uit te voeren ingreep ontbrak. Door de zorgaanbieder is zoals afgesproken en overeengekomen op 9 november 2023 een hals-/facelift uitgevoerd.

Resultaat van de behandeling en opgetreden complicaties
Dat de cliënt niet tevreden is met het resultaat van de ingreep wil niet zeggen dat de chirurg die ingreep op onjuiste wijze heeft uitgevoerd. Zoals hiervoor is toegelicht rust op de zorgaanbieder een inspanningsverplichting. De commissie is niet gebleken dat de zorgaanbieder niet aan die inspanningsverplichting heeft voldaan. Toen de cliënt haar onvrede met het resultaat van de facelift aan de zorgaanbieder kenbaar maakte heeft de zorgaanbieder zich blijkens het dossier ingespannen om met haar mee te denken over een herstelbehandeling en mogelijke aanvullende behandelingen. De cliënt heeft hierover met drie plastisch chirurgen binnen de kliniek consulten gehad. De commissie is dan ook van oordeel dat zorgaanbieder heeft voldaan aan zijn zorgplicht ten opzichte van de cliënt.
De commissie is niet gebleken dat de zorgaanbieder onzorgvuldig heeft gehandeld of de ingreep op onjuiste of ondeugdelijke wijze heeft uitgevoerd. De nierschade die de cliënt stelt te hebben geleden heeft zij op geen enkele wijze aangetoond of onderbouwd. Van enig causaal verband met de op 9 november 2023 uitgevoerde ingreep is de commissie ook anderszins niet gebleken. Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat niet is gebleken dat de zorgaanbieder zich onvoldoende voor de cliënte heeft ingespannen, of bij die inspanning een fout heeft gemaakt. Dit klachtonderdeel is dan ook ongegrond.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ten dele gegrond is.

Schadevergoeding
De cliënt heeft gesteld dat zij door toedoen van de zorgaanbieder schade heeft geleden. Tussen het gegrond verklaarde klachtonderdeel (het gebrekkig informed consent ten aanzien van de anesthesie) en de door de cliënt gestelde geleden schade bestaat echter geen causaal verband. De schade die de cliënt
naar voren heeft gebracht ziet immers op het resultaat van de facelift en de opgetreden complicaties, welke klachtonderdelen ongegrond worden verklaard. Het verzoek tot het toekennen van schadevergoeding wordt daarom afgewezen.
Omdat de klacht deels gegrond is zal de commissie wel bepalen dat de zorgaanbieder het klachtengeld aan de cliënt dient te vergoeden.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie:

– verklaart de cliënt ontvankelijk in haar klacht;
– verklaart de klacht van de cliënt dat het informed consent ontbrak ten aanzien van het uitvoeren van de ingreep onder lokale anesthesie gegrond;
– verklaart de klacht van de cliënt voor het overige ongegrond;
– wijst het verzoek tot het toekennen van schadevergoeding af;
– bepaalt dat de zorgaanbieder overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 52,50 aan de cliënt dient te vergoeden ter zake van het klachtengeld.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Zelfstandige Klinieken, bestaande uit mevrouw mr. A.D.R.M. Boumans, voorzitter, de heer dr. E.J.F. Timmenga en de heer mr. R.P. Gerzon, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. J.C. Quint, secretaris, op 19 januari 2026.