Geen verband tussen val en latere knieklachten

De Geschillencommissie Zorg




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: (On) zorgvuldigheid    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 1019522/1249227

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De cliënt klaagde dat het ziekenhuis in 2015 onvoldoende onderzoek deed na haar val en dat zij zich niet serieus genomen voelde door de artsen. Ze heeft later langdurige pijnklachten gekregen en vindt dat dit komt doordat haar klachten toen niet goed zijn onderzocht. De zorgaanbieder zegt dat zij de elleboogbreuk volgens de richtlijnen heeft behandeld en dat er pas een jaar later knieklachten ontstonden, waardoor daar toen geen onderzoek naar kon worden verwacht. De commissie oordeelt dat niet is gebleken dat het ziekenhuis onzorgvuldig heeft gehandeld: er is geen verband tussen de latere knieklachten en de val, en er zijn geen feiten vast te stellen waaruit blijkt dat de cliënt onjuist is bejegend. Daarom wordt de klacht ongegrond verklaard.

De volledige uitspraak

in het geschil tussen

mevrouw [naam], wonende te [plaatsnaam] (hierna te noemen: de cliënt)

en

Albert Schweitzer ziekenhuis, locatie Dordwijk, gevestigd te Dordrecht
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Onderwerp van het geschil

De cliënt heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder.

Het geschil betreft het onderzoek van de zorgaanbieder naar de klachten van de cliënt en de bejegening van de cliënt.

Standpunt van de cliënt

Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dat op het volgende neer.

De cliënt heeft in oktober 2015 een val meegemaakt, waar zij een elleboogfractuur aan overhield. De zorgaanbieder heeft deze breuk conservatief behandeld. De zorgaanbieder heeft toen onvoldoende onderzoek gedaan naar de klachten van de cliënt. Ook is de cliënt door de chirurg en de orthopeed onvoldoende serieus genomen en onvoldoende gehoord.

De cliënt heeft hieraan blijvende (pijn)klachten overgehouden.

Standpunt van de zorgaanbieder

Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dat op het volgende neer.

Het is de zorgaanbieder niet duidelijk waarom de cliënt van mening is dat haar klacht door de Raad van Bestuur ten onrechte ongegrond is verklaard.

Na haar val op 22 oktober 2015 had de cliënt pijnklachten aan haar rechter elle boog. Logischerwijs was het onderzoek op de SEH die dag met name daarop gericht. Tegelijk blijkt uit het SEH-verslag dat fysiek onderzoek is gedaan naar andere mogelijke drukpijnplekken. Er is ook een röntgenfoto gemaakt. Daar was een radiuskopfractuur in de rechter elle boog op te zien. Die breuk werd conservatief behandeld: drukverband, mitella, pijnstilling en poliklinische controle. Protocollair was dit een juiste beslissing.

Later heeft de cliënt meerdere pijnklachten ontwikkeld, die zij wijt aan de valpartij uit 2015. Er is echter geen direct verband aan te wijzen tussen de val in 2015 en de huidige pijnklachten van de cliënt, voor zover die niet de elle boog betreffen. Naar aanleiding van een in november 2023 gemaakte echo is als bevinding vermeld dat sprake is van gonartrose in de knie. Dat duidt erop dat de afwijking in de knie het gevolg is van slijtage door artrose en dus los staat van de val in 2015.

Hoewel de cliënt dit naar haar zeggen wel als zodanig heeft ervaren, heeft de klachtencommissie niet in objectieve zin kunnen vaststellen dat zij door de betrokken artsen niet serieus is genomen. Veeleer zijn er aanwijzingen voor het tegendeel: door meerdere specialismen is onderzoek gedaan om de oorzaak van de toegenomen pijnklachten te achterhalen. Daarbij is gebruik gemaakt van röntgenfoto’s, een CT- en MRI-scan. Ook is het pijnbehandelcentrum ingeschakeld.

Wel begrijpt de zorgaanbieder dat de cliënt zich heeft gestoord aan een uitlating die volgens haar door de arts is gedaan. Los van die ongelukkige opmerking heeft de zorgaanbieder niet de indruk dat arts niet serieus naar de klachten van de cliënt heeft gekeken. Hij heeft haar immers enkele gerichte adviezen gegeven.

Beoordeling van het geschil

Toetsingskader
De overeenkomst die de cliënt met de zorgaanbieder heeft gesloten, betreft een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Op grond van de behandelingsovereenkomst die de cliënt met de zorgaanbieder is aangegaan, moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (het goed hulpverlenerschap uit artikel 7:453 van het BW), die mede bepaald wordt door onder meer de stand en inzichten van de medische wetenschap, richtlijnen en protocollen. Het goed hulpverlenerschap houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

Medisch handelen
De cliënt verwijt de zorgaanbieder onvoldoende onderzoek te hebben gedaan naar de klachten die zich hebben voorgedaan na een val van de cliënt op de werkvloer. De zorgaanbieder heeft geen onderzoek gedaan naar haar knie, terwijl zij daar later in toenemende mate last van heeft gekregen. Ook op de pijnpoli van de zorgaanbieder is slechts naar de elle boog en niet naar de knie gekeken.

Ter zitting heeft de cliënt uitdrukkelijk bevestigd na de val geen last van de betreffende knieklachten te hebben. Ook bij de controleafspraak, enkele dagen na de opname, was nog geen sprake van pijnklachten. De betreffende knieklachten hebben zich pas een jaar later geopenbaard.

Naar het oordeel van de commissie kan gezien het tijdsverloop dan ook geen causaal verband worden vastgesteld tussen de knieklachten en de val van de cliënt. Nu de cliënt direct na de val geen pijn had aan haar knie en dit ook niet als zodanig heeft aangegeven bij de zorgaanbieder, kan van de zorgaanbieder niet worden verwacht dat hiernaar zelfstandig onderzoek is gedaan.

In dit kader merkt de commissie nog op dat niet is aangetoond dat ooit sprake was van een beenfractuur. In de overgelegde documenten wordt slechts gesproken van artrose aan de knie.

Bejegening
De cliënt voelt zich niet serieus genomen door de zorgaanbieder, mede door de woordkeuze die door de zorgaanbieder is gehanteerd. Het is voor de commissie op grond van de overgelegde stukken en de verklaringen ter zitting niet vast te stellen wat daadwerkelijk is gezegd en voorgevallen; de commissie was immers niet bij de betreffende interacties aanwezig.

Het is vaste jurisprudentie van de commissie in gevallen als deze waarbij de lezingen van beide partijen uiteenlopen en niet kan worden vastgesteld wat de feitelijke gang van zaken is geweest, dat het verwijt van cliënt op het desbetreffende onderdeel niet gegrond kan worden bevonden. Dit oordeel berust niet op het uitgangspunt dat het woord van cliënt minder geloof verdient dan dat van de zorgaanbieder, maar op de omstandigheid dat voor een oordeel of onzorgvuldig is gehandeld eerst moet worden vastgesteld welke feiten daaraan ten grondslag gelegd kunnen worden. Deze feiten kan de commissie niet vaststellen.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie:
– verklaart de klacht van de cliënt ongegrond.

Overeenkomstig het reglement van de commissie is de zorgaanbieder aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit mevrouw mr. A.D.R.M. Boumans, voorzitter, de heer drs. B. van Wageningen, de heer J. Donga, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. S.M.E. Balfoort, secretaris, op 18 november 2025.