Klacht over suïcide tijdens PAAZ-opname en inzage medisch dossier ongegrond

De Geschillencommissie Zorg




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: (On)Zorgvuldig handelenMedisch dossier    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies na Tussen Advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 1081422/1252268

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De cliënt verwijt het ziekenhuis onzorgvuldig handelen bij de behandeling van zijn dochter op de PAAZ-afdeling, waardoor zij door suïcide is overleden. Daarnaast klaagt hij over schending van het medisch beroepsgeheim en over de weigering om hem inzage te geven in het medisch dossier. De commissie stelt voorop dat op de zorgaanbieder een inspanningsverplichting rust. Uit de stukken blijkt dat het ziekenhuis herhaaldelijk suïciderisico’s heeft getaxeerd, vrijheden stapsgewijs heeft uitgebreid en ontvangen signalen van andere instanties heeft besproken en meegewogen. Niet is gebleken dat alarmerende signalen zijn genegeerd of dat de afwegingen onzorgvuldig zijn geweest. Ook bij zorgvuldig handelen kan suïcide niet altijd worden voorkomen. Ten aanzien van het medisch dossier oordeelt de commissie dat het ziekenhuis terecht zeer terughoudend is geweest, nu het beroepsgeheim ook na overlijden blijft gelden en geen wettelijke uitzonderingsgrond voor inzage door een nabestaande is vastgesteld. De klacht wordt in alle onderdelen ongegrond verklaard.

De uitspraak

in het geschil tussen
de heer [naam], wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de cliënt)
en
Stichting Catharina Ziekenhuis, gevestigd te Eindhoven
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen
(verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.
De behandeling van de zaak heeft – buiten aanwezigheid van partijen – plaatsgevonden op 5 september
2025. De commissie heeft na deze behandeling een tussenadvies gegeven, waarbij de zorgaanbieder is
verzocht een extra toelichting te geven op het gestelde in het verweerschrift. De zorgaanbieder heeft een
aanvullend verweer ingediend, waarop de cliënt vervolgens een schriftelijke reactie heeft gegeven.
Vervolgens heeft de commissie de verdere behandeling van het geschil op basis van de stukken, zonder
mondelinge behandeling, afgedaan.

Onderwerp van het geschil
De cliënt verwijt de zorgaanbieder nalatigheid/onzorgvuldig handelen, ten gevolge waarvan zijn dochter is
komen te overlijden door suïcide. Ook verwijt de cliënt de zorgaanbieder dat het medisch dossier van zijn
dochter aan hem is geweigerd en dat in strijd met het medisch beroepsgeheim wel mededelingen zijn
gedaan aan de partner van zijn dochter.

Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het
standpunt op het volgende neer.

De dochter van cliënt is op 27 september 2024 overleden door suïcide tijdens de behandeling op de PAAZ-afdeling van de zorgaanbieder. Ongeveer twee weken daarvoor had zijn dochter thuis haar eerste
suïcidepoging gedaan, waardoor ze op de IC en vervolgens op de PAAZ-afdeling terecht was gekomen.
De zorgaanbieder is ernstig tekortgeschoten in de behandeling en heeft willens en wetens de alarmerende
berichten van andere betrokken instanties genegeerd. Ook wilde de zorgaanbieder haar al in de eerste
week op straat zetten, waardoor ze dakloos zou worden. De dochter van de cliënt heeft een medewerkster
van de zorgaanbieder verteld dat ze dood wilde, zodat haar suïcidewens bekend was bij de zorgaanbieder.
De cliënt heeft de zorgaanbieder verzocht om de uitvaartkosten te betalen. Er is een aanbod gedaan tot
betaling van 25% van deze kosten, wat de cliënt heeft geweigerd, waarna de zorgaanbieder het aanbod
introk. De cliënt stelt verder dat de zorgaanbieder het medisch beroepsgeheim geschonden heeft en
mededelingen heeft gedaan aan de vriend van zijn overleden dochter. De cliënt heeft het medisch dossier
opgevraagd, maar dit is hem geweigerd.

Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern
komt het standpunt op het volgende neer.

Voor wat betreft het verwijt dat de zorgaanbieder tekort is geschoten in de behandeling van de dochter van
de cliënt stelt de zorgaanbieder dat het tragische beloop niet het gevolg is geweest van tekortkomingen in
de kwaliteit van de geleverde zorg. Gedurende de vrijwillige opname is steeds een zorgvuldige inschatting
gemaakt van het suïciderisico en de toegestane vrijheden en is gepoogd de dochter van de cliënt in
samenspraak met haar partner en maatschappelijke instanties te begeleiden naar een passend vervolg.
De zorgaanbieder heeft er alles aan gedaan om een zo zorgvuldig mogelijke inschatting te maken van de
risico’s die het uitbreiden van vrijheden met zich meebrengen. Door stapsgewijs de vrijheden uit te breiden
is vakinhoudelijk, medisch en juridisch lege artis gehandeld. Op basis hiervan was niet aannemelijk, maar
ook nooit uit te sluiten, dat de dochter van de cliënt suïcide zou plegen.

Ten aanzien van het klachtonderdeel schending van de geheimhoudingsplicht door het doen van
mededelingen aan de partner van de dochter stelt de zorgaanbieder dat de partner de eerste
contactpersoon was van de dochter en er regelmatig contact met hem is geweest gedurende en ook na de
opname van de dochter van de cliënt. De zorgaanbieder heeft daarin haar voorkeur gevolgd.
Over het derde klachtonderdeel ten aanzien van de weigering tot afgifte van het medisch dossier stelt de
zorgaanbieder dat er gelet op de wet- en regelgeving omtrent het inzagerecht van nabestaanden geen
geldige grondslag is om aan het verzoek van de cliënt tegemoet te komen. De zorgaanbieder verzoekt de
commissie de klacht kennelijk ongegrond te verklaren en het verzoek tot schadevergoeding af te wijzen.

Beoordeling van het geschil
Bij tussenadvies heeft de commissie overwogen dat de zorgaanbieder in het verweerschrift niet heeft
onderbouwd hoe de beoordeling, die de verpleegkundige van de zorgaanbieder op 27 september 2024 van
de dochter van de cliënt (hierna: de patiënte) heeft gemaakt, tot stand is gekomen. De zorgaanbieder is
verzocht om meer informatie over deze beoordeling van de verpleegkundige. Hierbij is aangegeven dat
deze informatie kan bestaan uit gegevens uit het medisch dossier dan wel uit een gedetailleerde weergave
daarvan.

In het aanvullend verweerschrift geeft de zorgaanbieder aan verbaasd te zijn dat in het tussenadvies wordt
gevraagd om een gedeelte van het medisch dossier van de patiënte in de procedure bij de commissie te
overleggen, nu de zorgaanbieder gelet op de wet- en regelgeving rondom het inzagerecht nabestaanden
geen geldige grondslag heeft om inzage of afschrift van het dossier te verstrekken. Het kan volgens de
zorgaanbieder niet zo zijn dat een nabestaande door het volgen van een klachtenprocedure toch inzage of
afschrift van het medisch dossier krijgt, terwijl hier geen wettelijke grondslag voor is. De commissie merkt
hierover op dat door de commissie geen inzage is verzocht in het medisch dossier; er is gevraagd extra
informatie aan te leveren over een bepaalde beoordeling die door de zorgaanbieder is gedaan. Op welke
manier dat gebeurt, is aan de zorgaanbieder. Indien het niet mogelijk zou zijn dergelijke informatie op te
vragen of opheldering te vragen over een bepaalde gebeurtenis/handeling, zou het voeren van een
gedegen klachtenprocedure ernstig worden belemmerd. Wat betreft het verzoek tot inzage in het medisch
dossier door de client, wordt verderop in deze uitspraak ingegaan.

Ten aanzien van het verwijt dat de cliënt de zorgaanbieder maakt over het ernstig tekortschieten van de
zorgaanbieder in de behandeling van zijn dochter en het willens en wetens negeren van de alarmerende
berichten van andere betrokken, stelt de commissie voorop dat tussen de patiënte en de zorgaanbieder
sprake was van een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 BW. Op grond
van de behandelingsovereenkomst die de patiënte met de zorgaanbieder is aangegaan, moet de
zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij
handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor
hulpverleners geldende professionele standaard (het goed hulpverlenerschap uit artikel 7:453 van het BW).

Het goed hulpverlenerschap houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk
bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.
De zorgplicht houdt in beginsel geen resultaatsverplichting in, maar wordt aangemerkt als een
inspanningsverplichting. Van een tekortkoming kan dan ook pas worden gesproken indien komt vast te
staan dat de hulpverlener zich onvoldoende heeft ingespannen of bij de inspanning een fout heeft gemaakt.
Het is de commissie op grond van de stukken niet gebleken dat de zorgaanbieder tekort is geschoten in
de op hem rustende zorgplicht. Duidelijk is beschreven dat de aan de patiënte toegekende vrijheden
stapsgewijs zijn uitgebreid en tussentijds zijn geëvalueerd. Dat alarmerende signalen van andere
organisaties zijn genegeerd, zoals de cliënt stelt, is de commissie evenmin gebleken. De zorgaanbieder
heeft de signalen van [naam betrokken maatschappelijke instantie], huisarts en de POH op 23 september vernomen en besproken in het MDO. Vervolgens vond de dag hierna, op 24 september, een nieuwe suïcidaliteitsbeoordeling plaats,
waarmee de zorgaanbieder een eigen inschatting heeft willen maken van de signalen die van andere
organisaties waren ontvangen. De zorgaanbieder geeft in het verweerschrift aan daarbij de voor- en
nadelen van de dan geldende vrijheden te hebben afgewogen. Dat die inschatting geen aanleiding gaf de
vrijheden aan te passen en daarmee niet volledig aansloot op de visie van bijvoorbeeld de POH, maakt niet
dat de inschatting die dag anders had moeten zijn. Gezien de herhaaldelijke risicotaxaties en inschattingen
lijkt de zorgaanbieder rekening te hebben gehouden met de mogelijke fluctuatie in suïcidaliteit door
wijzigende omstandigheden en (toekomst)perspectief.

Uit de stukken leidt de commissie af dat het dreigende verlies van haar woning bij de patiënte een
belangrijke rol speelde in de suïcidepoging, waardoor ze in het ziekenhuis van de zorgaanbieder
terechtkwam, maar ook daarna tijdens opname bij de zorgaanbieder. De zorgaanbieder heeft onderkend
dat er naast de dreigende dakloosheid ook andere, meer psychiatrische gronden aanwezig waren en
daarnaar gehandeld door in te zetten op het zoeken naar oplossingen voor het huisvestingsprobleem en
passende zorg, waarbij de ontslagdatum ook uitgesteld werd. Dat die oplossingen er nog niet waren op
24 september of de dagen erna tot 27 september, kan de zorgaanbieder niet aangerekend worden, omdat
de zorgaanbieder daarbij ook afhankelijk is van andere instanties en partijen. Het gaat ook daarbij voor de
zorgaanbieder om een inspanningsverplichting en niet om een resultaatsverplichting. De patiënte was
vrijwillig opgenomen bij de zorgaanbieder, er was geen sprake van een Wvggz-maatregel. De afwegingen
die de zorgaanbieder heeft moeten maken rond het toekennen van vrijheden zijn een moeilijke keuze
tussen het enerzijds willen beschermen van een patiënt en anderzijds de patiënt autonomie willen geven.
De commissie kan niet vaststellen, gelet op het bovenstaande, dat de zorgaanbieder in het maken van
deze afweging onzorgvuldig is geweest.

Hoe invoelbaar het verdriet van de cliënt ook is en hoe begrijpelijk het ook is dat hij vraagtekens stelt bij de
behandeling door de zorgaanbieder, kan de commissie niet de conclusie trekken dat de zorgaanbieder
onzorgvuldig heeft gehandeld en de suïcide van de dochter van de cliënt aan nalatigheid van de
zorgaanbieder te wijten is. Ook bij zorgvuldig en medisch/protoculair juist handelen is suïcide helaas niet in
alle gevallen te voorkomen. Dit klachtonderdeel is derhalve ongegrond.

Wat betreft de klacht van de cliënt dat de zorgaanbieder ten onrechte heeft geweigerd hem inzage in het
medisch dossier te verschaffen, is de commissie van oordeel dat de zorgaanbieder correct heeft gehandeld
door zeer terughoudend te zijn in het geven van inzage aan een nabestaande in een dossier van een
overleden patiënt. Het beroepsgeheim blijft immers ook na overlijden van kracht. Niet gebleken is dat
sprake is van één van de in artikel 7:458a lid 1 BW genoemde uitzonderingsgronden. Dit klachtonderdeel is
eveneens ongegrond.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is.
Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie:
– verklaart de klacht van de cliënt ongegrond;
– wijst af het door hem verzochte.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit de heer mr. dr. B. Wallage,
voorzitter, mevrouw drs. A.H. Hardy – den Besten, de heer mr. R.P. Gerzon, leden, in aanwezigheid van
mevrouw mr. M. Gardenier, secretaris, op 17 november 2025.