Commissie: Ziekenhuizen
Categorie: -
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: bindend advies
Uitkomst: ongegrond
Referentiecode:
908634/1041427
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De cliënt diende een klacht in tegen het Catharina Ziekenhuis omdat hij voortaan moest dialyseren in een speciale behandelstoel in plaats van in een bed. Volgens hem veroorzaakte dit pijnlijke klachten, waaronder rusteloze benen, en voelde hij zich niet gehoord door zijn internist. De zorgaanbieder stelde dat de nieuwe dialysestoelen even comfortabel zijn als bedden, meer veiligheid bieden voor medewerkers en dat alleen bij medische noodzaak nog in een bed wordt gedialyseerd. Tijdens de zitting werd afgesproken dat een neuroloog zou beoordelen of er sprake was van een medische noodzaak en dat technische aanpassingen aan de stoel zouden worden onderzocht. De neuroloog kon echter geen medische reden vaststellen om in een bed te dialyseren, en de technici toonden aan dat de stoel zodanig kon worden aangepast dat de klachten zouden verminderen. De cliënt weigerde de aangeboden aanpassingen. De commissie oordeelde dat het ziekenhuis voldoende heeft gedaan om de dialyse zo comfortabel mogelijk te maken en dat er geen verplichting bestaat om de cliënt in een bed te laten dialyseren. Ook vond de commissie geen aanwijzingen voor nalatig of passief handelen van de internist. De klacht werd daarom ongegrond verklaard.
De uitspraak
in het geschil tussen
[Naam], wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de cliënt)en
Stichting Catharina Ziekenhuis, gevestigd te Eindhoven
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).
Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.
De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.
De behandeling heeft plaatsgevonden op 26 mei 2025 te Utrecht.
Partijen zijn ter zitting verschenen. Namens de zorgaanbieder waren aanwezig [naam], jurist, [naam], afdelingsmanager dialyse en [naam], internist/nefroloog.
Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft de nieuwe handelwijze van de zorgaanbieder waarbij dialyseren van de cliënt plaatsvindt in een stoel in plaats van in bed, zoals voorheen.
Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De cliënt moet driemaal per week vier uur dialyseren. Voorheen gebeurde het dialyseren bij de zorgaanbieder in een bed. Dit maakte het leven voor de cliënt een stuk makkelijker en hij had geen pijn meer in de benen tijdens het dialyseren. Tevens kon de cliënt tijdens het dialyseren computeren.
De verpleging van de dialyseafdeling heeft beoordeeld dat de cliënt in de daarvoor bestemde behandelstoel kan dialyseren. Dat is gedaan op afstand en er is niet de moeite genomen om dit met hem te bespreken. De cliënt stelt dat de verpleging ook niet is opgeleid om dit te kunnen beoordelen. Verder verwijt de cliënt de behandelend internist/nefroloog passief gedrag. De internist/nefroloog is in de breedste zin van het woord verantwoordelijk voor een goede dialyse. De cliënt vindt het ook zeer kwalijk dat de dokter hem niet wil aanhoren wat zijn problemen zijn met de dialyse in de stoel. Deze dokter is nalatig en geeft geen goede patiëntzorg. Dit zou een dokter wel moeten doen. De cliënt wenst opnieuw vanuit een bed te mogen dialyseren.
Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dit op het volgende neer.
De zorgaanbieder stelt dat sinds medio december 2024 nieuwe behandelstoelen op de dialyse afdeling worden gebruikt. Dit betreffen speciale dialysestoelen, die elektrisch bediend kunnen worden, zodat de patiënt in elke gewenste stand kan zitten of liggen. De stoelen hebben hetzelfde comfort als een bed. De keuze om deze dialysestoelen aan te bieden is tweeledig, enerzijds zijn de stoelen ‘state of the art’ en erg comfortabel wat bijdraagt aan een positieve beleving van de dialyse door de patiënt en daarnaast nemen de stoelen minder ruimte in dan een bed en is er meer beweeg- en werkruimte voor de zorgverleners op de zaal. Dit komt de behandeling van de patiënt en de veiligheid van de medewerkers ten goede. De zorgaanbieder hanteert het uitgangspunt dat een patiënt in een dialysestoel behandeld wordt, tenzij dit om medische redenen niet mogelijk is. Voorbeeld van deze medische redenen zijn dat de patiënt elders bij de zorgaanbieder klinisch is opgenomen en in en met bed wordt vervoerd naar de dialyseafdeling voor dialyse of als er sprake is van chronische pijn of wonden van of bij de patiënt. Op 3 december 2024 heeft de zorgaanbieder aan alle dialysepatiënten een brief gestuurd, waarin duidelijk is aangegeven wat de nieuwe stoelen voor de behandeling van de dialysepatiënt betekenen en staat ook beschreven dat de verpleegkundige en de arts samen bekijken en beslissen of het voor de individuele patiënt nodig blijft om in een bed te dialyseren. De cliënt heeft naar aanleiding van de brief geen aanvullende vragen gesteld, dan wel aangegeven dat hij het er niet mee eens was. De zorgverleners van de dialyseafdeling hebben beoordeeld dat er voor de cliënt geen medische noodzaak bestond om in een bed te dialyseren. Deze beslissing is, anders dan de cliënt stelt, niet door een verpleegkundige genomen maar door het gehele behandelteam tezamen.
Op 11 december 2024 stond de eerste dialyse van de cliënt in de nieuwe stoel gepland. De cliënt heeft toen meteen kenbaar gemaakt dat hij dit niet wilde en dat hij alleen in een bed wilde dialyseren. Hierover heeft een gesprek plaatsgevonden met de teamleider van de dialyseafdeling. De afdelingsmanager en de hoofdbehandelaar hebben nadien telefonisch contact opgenomen met de cliënt. Hij gaf tijdens dit telefoongesprek aan dat hij ontstemd is over het gegeven dat de hoofdbehandelaar niet met hem heeft gesproken over de overgang van dialyse in bed naar een dialysestoel. Ook heeft de cliënt gevraagd op basis waarvan de keuze is gemaakt om een patiënt al dan niet in een bed te laten dialyseren. Hierop is aan de cliënt uitgelegd dat deze beslissing gemaakt wordt op basis van de afweging of er een medische noodzaak is om in een bed te dialyseren en dat er geen medische reden is om de cliënt in een bed te laten dialyseren. De cliënt heeft daarop aangegeven geen andere oplossing meer te zien dan te stoppen met dialyseren zolang dat in een stoel moest gebeuren. Hij is gewezen op de risico’s van het niet ondergaan van de dialyse, maar is desondanks toch naar huis gegaan.
Medio april 2025, tijdens het opstellen van het verweerschrift, dialyseert de cliënt al ruim vier maanden (drie keer per week) in een dialysestoel. Bij navraag geeft de cliënt aan hier geen klachten van te ervaren en hij ligt tijdens de dialyse rustig in de stoel (te slapen). De zorgverleners begrijpen dat de cliënt er voorkeur aan geeft om in een bed te dialyseren, maar dit is geen reden om hem dan ook een bed aan te bieden.
De keuze voor de stoelen is juist gemaakt in het belang van de patiënt én ook vanwege de veiligheid van de medewerkers. Het is hierdoor niet mogelijk om de keuze voor een stoel of bed te laten afhangen van de wensen van de patiënt. De zorgverleners doen er alles aan om het de patiënten tijdens de dialyse naar de zin te maken, maar de keuze voor een bed of stoel is voorbehouden aan het behandelteam. Het is niet mogelijk om hier een uitzondering op te maken.
Wat betreft het verwijt van de cliënt dat de behandelend internist zich passief heeft gedragen, stelt de zorgaanbieder zich niet in dit beeld te herkennen. De arts heeft zich vanaf het eerste moment ingespannen om met de cliënt in gesprek te treden. Er is meerdere keren aan de cliënt gevraagd of hij nog vragen had of iets met de arts wilde bespreken. Ook tijdens de wekelijkse visites is dit gevraagd. De cliënt heeft hierop steeds aangeven dat hij niets te bespreken had. De behandelend arts heeft gehandeld zoals van hem verwacht mag worden als een redelijk handelend arts in dezelfde situatie.
De zorgaanbieder verzoekt de commissie de klacht ongegrond te verklaren.
Ter zitting gemaakte afspraken en de uitkomsten daarvan
Ter zitting heeft de cliënt zijn klacht nader toegelicht en benadrukt dat hij door dialyse in de stoel meer last heeft van rusteloze benen. Hij gebruikt medicijnen om het dialyseren in de stoel vol te houden. De cliënt stelt dat hij in bed geen klachten heeft, maar in de stoel wel. Verder geeft hij aan dat in de nieuwe stoelen weliswaar ook een lighouding kan worden aangenomen, maar dit voor hem geen oplossing is, omdat de stoelen te smal zijn.
Namens de zorgaanbieder is aangegeven dat de internist niet op de hoogte was van de verklaring van de cliënt dat hij last heeft van rusteloze benen in de stoel. De internist gaf ter zitting aan dat hij bereid was om na te gaan of dit onder medische noodzaak valt. Hiervoor is van belang dat de neuroloog dat kan bevestigen. Verder is door de zorgaanbieder aangegeven dat in overleg met de fabrikant/technische dienst gekeken kan worden naar mogelijkheden om de voeten te ontlasten, zodat de cliënt geen of minder klacht zal ervaren. De zorgaanbieder meent dat hier oplossingen voor mogelijk zijn.
Ter zitting is de afspraak gemaakt dat partijen een maand de tijd krijgen om gezamenlijk naar een oplossing te zoeken. In die periode zou de zorgaanbieder contact opnemen met de neuroloog om de klachten van de cliënt te bespreken en zou gekeken worden naar mogelijkheden om de dialysestoel aan te passen zodat geen/minder klachten worden ervaren.
De zorgaanbieder heeft na ommekomst van deze termijn laten weten dat aan de medewerkers van de technische dienst is gevraagd of het mogelijk is om de dialysestoel zodanig aan te passen dat de houding gelijk is aan de houding die de cliënt heeft wanneer hij in een bed dialyseert. De technici hebben aangegeven dat het inderdaad mogelijk is om de dialysestoel zo in te stellen dat de houding die voor de cliënt prettig is behaald kan worden. De dialysestoel kan namelijk zo worden ingesteld dat de cliënt niet op zijn rug of voeten hoeft te steunen. Ook kan de voetensteun geheel verwijderd worden zodat er geen druk op de voeten komt. De twee medewerkers van de technische dienst zijn ook apart van elkaar bij de cliënt langsgelopen om hem uitleg te geven over hoe hij de stoel het beste kan instellen om de ervaren klachten in de stoel niet meer te ervaren. De cliënt heeft daarop aangegeven hierop geen prijs te stellen.
Verder heeft de zorgaanbieder zoals afgesproken een neuroloog in consult gevraagd om te beoordelen of er een medische verklaring is voor de stelling van de cliënt dat hij in een bed minder klachten ervaart van zijn rusteloze benen dan in een dialysestoel. De geconsulteerde neuroloog heeft aangegeven dat zij geen uitspraak kan doen over een medische voorkeur ten aanzien van het dialyseren in een bed of dialysestoel bij patiënten met restless legs. Voor patiënten die deze klachten ervaren kan lang stilzitten (in het algemeen) als lastig worden ervaren. De klachten en voorkeuren wisselen van patiënt tot patiënt. Hierna is geen poliklinisch vervolg meer afgesproken. De zorgaanbieder stelt dat zij zich wederom heeft ingespannen om voor de cliënt een zo prettig mogelijke dialysebehandeling te bewerkstelligen. Er zijn aan de dialysestoel vele aanpassingen te maken waardoor de ervaren klachten die de cliënt ervaart niet nodig hoeven zijn. Door de neuroloog is geoordeeld dat zij geen uitspraak kan doen over een medische voorkeur c.q. noodzaak ten aanzien van het dialyseren in een bed of dialysestoel. Hiermee is de medische noodzaak om in een bed te dialyseren dus niet gegeven.
De cliënt heeft de commissie bericht dat hij na de zitting bij de neuroloog op consult is geweest en dat het nog steeds nodig is dat er uitspraak wordt gedaan. De cliënt is niet ingegaan op de stelling van de zorgaanbieder dat de cliënt niet openstaat voor aanpassingen aan de stoel.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
De commissie dient te beoordelen of de zorgaanbieder is tekort geschoten in de nakoming van de geneeskundige behandelingsovereenkomst die tussen cliënt en de zorgaanbieder is gesloten. Bij de uitvoering van de overeenkomst moet de hulpverlener de zorgplicht in acht nemen. Deze zorgplicht houdt in dat de hulpverlener die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot/hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht. De zorgplicht houdt in beginsel geen resultaatsverplichting in, maar wordt aangemerkt als een inspanningsverplichting.
Van een tekortkoming kan dan ook pas worden gesproken indien komt vast te staan dat de hulpverlener zich onvoldoende heeft ingespannen of bij de inspanning een fout heeft gemaakt.
De commissie dient te onderzoeken of (de artsen/verpleegkundigen van) de zorgaanbieder bij de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst in de gegeven omstandigheden al dan niet de hiervoor omschreven zorgplicht heeft nageleefd.
Gelet op de het verhandelde ter zitting, de stukken in het dossier, de uitkomst van het nadere overleg tussen partijen en de berichtgeving daarover aan de commissie, heeft de commissie het volgende overwogen.
De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder voldoende is tegemoetgekomen aan de bezwaren van de cliënt tegen het dialyseren in de stoel. De zorgaanbieder heeft aangegeven dat de dialysestoel kan worden aangepast op zodanige wijze dat er geen druk op de voeten ontstaat. Dit zou de klachten van de cliënt (grotendeels) moeten wegnemen. De cliënt lijkt niet genegen aan deze aanpassingen mee te werken. Het kan niet van de zorgaanbieder worden verwacht andere oplossingen – zoals een dialysebed als door de cliënt gewenst – aan te dragen nu de door de zorgaanbieder voorgestelde oplossingen door de cliënt zonder meer van de hand worden gewezen. Het is niet onredelijk dat de zorgaanbieder is overgegaan tot het dialyseren op een stoel. De zorgaanbieder heeft ter zitting en in het verweerschrift duidelijk toegelicht waarom hiervoor is gekozen en dat hierop slechts uitzonderingen mogelijk zijn als sprake is van een medische noodzaak. Daarvan is in het geval van de cliënt niet gebleken, ook niet uit de door de cliënt overgelegde stukken na zijn bezoek aan de neuroloog.
De commissie is gelet op het bovenstaande tot het oordeel gekomen dat de zorgaanbieder heeft
gehandeld zoals een redelijk handelend en redelijk bekwaam zorgverlener betaamt en de zorgaanbieder niet gehouden is de cliënt de mogelijkheid te bieden om in een bed te dialyseren.
Ook wat betreft het verwijt dat de cliënt de behandelend internist maakt heeft de commissie in het dossier of hetgeen partijen mondeling naar voren hebben gebracht geen aanwijzingen gevonden dat sprake is van passief dan wel nalatig gedrag.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
– verklaart de klacht ongegrond.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit de heer mr. L. Verheij, voorzitter, de heer prof. dr. R.J.A. van Moorselaar, de heer mr. M.H.J.N. van Berckel Smit, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. M. Gardenier, secretaris, op 26 mei 2025.