Commissie: Verpleging Verzorging en Geboortezorg
Categorie: (On)bevoegdheid
Jaartal: 2023
Soort uitspraak: bevoegdverklaring
Uitkomst: bevoegd
Referentiecode:
130736/134436
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De uitspraak
in het geschil tussen
mevrouw [naam klaagster] (hierna te noemen: klaagster), in haar hoedanigheid van nabestaande van haar overleden vader (hierna te noemen: cliënt), wonende te [woonplaats klaagster]
en
Stichting Interzorg Groep, gevestigd te Ferwerd
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft op grond van de overgelegde stukken het volgende overwogen.
Uitgangspunt
De commissie heeft in haar voorbeslissing van 14 januari 2022 uitdrukkelijk en zonder voorbehoud beslist dat zij bevoegd is van het geschil tussen partijen kennis te nemen. Uitgangspunt is dat de commissie in beginsel voor het verdere verloop van de procedure aan een dergelijke beslissing is gebonden en zij mag daarvan niet op een later moment in de procedure terugkomen. Deze regel geldt echter niet onverkort. De commissie is bevoegd een eerdere door haar gegeven (maar niet in een einduitspraak) vervatte eindbeslissing, die berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, te heroverwegen. Dit om te voorkomen dat zij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen. Voordien behoren partijen de gelegenheid te krijgen zich daarover uit te laten. Dat is gebeurd.
In dit geval gaat het om de vraag of de commissie, toen zij op 14 januari 2022 in het geschil tussen partijen een voorbeslissing nam, daartoe bevoegd was (lees: dat de zorgaanbieder op 24 september 2021 bij de commissie was aangesloten). De zorgaanbieder stelt dat dit niet het geval is omdat hij zich voor de behandeling van geschillen door de commissie nimmer bij De Geschillencommissie heeft laten registreren/aangesloten en die registratie/aansluiting ook nimmer heeft gewild.
De kwestie van die registratie is bij de commissie ten tijde van de voorbeslissing geen onderwerp van beraadslaging geweest. Weliswaar stelt (de gemachtigde van) de zorgaanbieder zich op het standpunt dat hij de commissie al bij brief van 13 augustus 2021 heeft geïnformeerd over het feit dat de zorgaanbieder zich niet had aangesloten bij De Geschillencommissie, maar die brief heeft (zoals ook blijkt uit het daarin als referentie genoemde nummer 67698/95591 van De Geschillencommissie) betrekking op de klacht die klaagster op 10 januari 2021 voor de eerste keer bij De Geschillencommissie had ingediend. Op die datum was de zorgaanbieder inderdaad niet geregistreerd bij De Geschillencommissie, die de procedure onder voormeld zaaknummer daarom heeft beëindigd. In de voorbeslissing was aan de orde de klacht die klaagster op 24 september 2021 voor de tweede keer bij De Geschillencommissie had ingediend en door De Geschillencommissie was geregistreerd onder zaaknummer 130736/134436.
Na 10 januari 2021 hebben zich ten aanzien van de registratie/aansluiting bij de commissie nieuwe, de commissie op 14 januari 2022 niet bekende, feiten voorgedaan. Op die feiten zal de commissie hierna ingaan.
De feiten die zich na 10 januari 2021 hebben voorgedaan
Op 29 maart 2021 heeft de zorgaanbieder het formulier “Uw aanvraag voor aansluiting bij De Geschillencommissie” bij De Geschillencommissie ingediend. Dat formulier bevat – voor zover van belang – de volgende gegevens: de naam, het adres en de vestigingsplaats van de zorgaanbieder, zijn nummer bij de kamer van koophandel, het e-mailadres: [e-mailadres zorgaanbieder] en de vermelding dat de zorgaanbieder bij de branchevereniging is aangesloten.
Op 30 maart 2021 heeft de zorgaanbieder het “Registratieformulier de Geschillencommissie Verpleging, Verzorging en Geboortezorg” bij De Geschillencommissie ingediend. Dit formulier bevat dezelfde gegevens als die vermeld in het hiervoor genoemde aanvraagformulier alsmede – voor zover van belang – de gegevens van de contactpersoon bij de zorgaanbieder, en het e-mailadres: [e-mailadres contactpersoon zorgaanbieder], de mededeling dat de zorgaanbieder zich per direct wil registreren en de vermelding “Door akkoord te gaan verklaart u zich aan te sluiten bij de Geschillencommissie Verpleging, Verzorging en Geboortezorg onder de voorwaarden zoals die in de registratieverklaring zijn bepaald.”
Op 30 maart 2021 heeft De Geschillencommissie aan de zorgaanbieder op het
e-mailadres: [e-mailadres contactpersoon zorgaanbieder] meegedeeld dat de zorgaanbieder met ingang van
30 maart 2021 is aangesloten bij de Geschillencommissie Verpleging, Verzorging en Geboortezorg, dat hij dit aan zijn klanten kan laten weten en dat deze registratie betekent dat de Geschillencommissie Verpleging, Verzorging en Geboortezorg alle klachten kan behandelen die op of na die datum schriftelijk bij De Geschillencommissie worden ingediend.
De beoordeling
De zorgaanbieder is een stichting en als zodanig een rechtspersoon. In tegenstelling tot een natuurlijk persoon kan een rechtspersoon niet “zelf” handelen, maar zij doet dat bij wijze van vertegenwoordiging door middel van (een) handeling(en) van een of meer natuurlijke personen.
Een rechtshandeling van een rechtspersoon kan niet alleen tot stand worden gebracht door een handelen van de daartoe bevoegde bestuurder van die rechtspersoon, maar ook door een handelen van een onbevoegde vertegenwoordiger. In dit laatste geval moet dan wel sprake zijn van de schijn van volmachtverlening niet alleen als de wederpartij bij een namens de pseudo-volmachtgever verrichte rechtshandeling door een toedoen (toedoen-criterium) van de pseudo-volmachtgever gerechtvaardigd heeft vertrouwd op de volmachtverlening aan de pseudo-gevolmachtigde maar ook als dat vertrouwen is gegrond op feiten en omstandigheden die voor risico (risico-criterium) van de pseudo-volmachtgever komen en waaruit naar verkeersopvattingen zodanige schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid, daaronder mede begrepen het laten voortbestaan van een bepaalde situatie of een andersoortig niet-doen, die rechtvaardigen dat de pseudo-volmachtgever in zijn verhouding tot de wederpartij het risico van de onbevoegde vertegenwoordiging draagt (uitspraak Hoge Raad 14 oktober 2022; ECLI:NL:HR:2022:1456).
De zorgaanbieder stelt dat [naam directeur zorgaanbieder] zijn directeur en enig bestuurder is en wil daarmee kennelijk aangeven dat hij de enige persoon is die bevoegd is in naam van de zorgaanbieder met een derde rechtshandelingen te verrichten en als zodanig de zorgaanbieder rechtsgeldig te vertegenwoordigen. De zorgaanbieder heeft betwist dat [naam directeur zorgaanbieder] hem bij de commissie heeft geregistreerd/aangesloten en de commissie heeft ook geen aanwijzingen dat dat wel het geval is geweest. Reeds hierom kan van het toedoen-criterium niet worden uitgegaan.
Beoordeeld dient te worden of de schijn van vertegenwoordigingsbevoegd is gewekt bij De Geschillencommissie, die wat betreft de registratie/aansluiting als de wederpartij van de zorgaanbieder heeft te gelden. Bij deze beoordeling neemt de commissie de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking.
‒ De hiervoor genoemde aanvraag voor aansluiting en de hiervoor genoemde registratie kunnen in het maatschappelijk verkeer gezien worden als passend bij de aard en maatschappelijke functie van de zorgaanbieder. Daarbij speelt ook een rol dat die handelingen in de lijn lagen met de zorginstelling die de zorgaanbieder exploiteert.
‒ De zorgaanbieder heeft zijn zakelijke correspondentie via de e-mail ingericht. In de aanvraag voor aansluiting en in het registratieformulier staat namelijk een e-mailadres dat als laatste onderdeel van dat adres direct na het @-teken het e-maildomein van de zorgaanbieder vermeldt: [e-mailadres zorgaanbieder]. De Geschillencommissie heeft de bevestiging van de registratie per 30 maart 2021 dan ook gezonden aan het e-mailadres dat met voormeld e-maildomein genoemd is in het registratieformulier.
‒ Noch in de aanvraag tot aansluiting noch in het registratieformulier is een voorbehoud van instemming of goedkeuring door (de enig bestuurder van) de zorgaanbieder gemaakt.
‒ De aanvraag voor aansluiting is niet gedaan door een willekeurig medewerker van de zorgaanbieder, maar door [naam secretaresse directeur/bestuurder van de zorgaanbieder], die ‒ zo is achteraf gebleken ‒ de secretaresse van de directeur/bestuurder van de zorgaanbieder was.
‒ De zorgaanbieder heeft nagelaten in te grijpen en de registratie per 30 maart 2021 ongedaan te maken. Hij heeft die situatie geruime tijd laten voortduren zonder een beroep te doen op onbevoegde vertegenwoordiging; de kwestie van de registratie is immers weer actueel geworden toen klaagster haar klacht op 24 september 2021 voor de tweede keer bij De Geschillencommissie indiende.
‒ Het feit dat twee medewerkers van de zorgaanbieder de aanvraag voor aansluiting en de registratie hebben kunnen uitvoeren, is een aanwijzing dat de zorgaanbieder zich als pseudovertegenwoordigde onvoldoende heeft gekweten van zijn taak om zijn organisatie zodanig in te richten dat onbevoegde vertegenwoordiging zoveel mogelijk wordt voorkomen.
‒ Nog vóór de registratie van 30 maart 2021 een feit was, heeft de zorgaanbieder op de wijze als vermeld in de voorbeslissing van 14 januari 2022 openbaar gemaakt dat een klacht over hem bij de Geschillencommissie kon worden ingediend.
De commissie is van oordeel dat De Geschillencommissie gerechtvaardigd heeft vertrouwd op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, alle in onderlinge samenhang beschouwd, en dat zij terecht tot registratie van de zorgaanbieder heeft kunnen en mogen overgegaan.
Uit die feiten en omstandigheden kan en mag redelijkerwijs de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid worden afgeleid dat zowel de persoon die de aanvraag voor aansluiting als de persoon die de registratie heeft gedaan daartoe namens de zorgaanbieder bevoegd was. Een wederpartij van de pseudovertegenwoordigde mag er namelijk tot op zekere hoogte van uitgaan dat een organisatie als eenheid naar buiten treedt en dat degene die zij treft gebruikelijke rechtshandelingen mag verrichten. De eisen van een goedlopend rechtsverkeer brengen in de gegeven omstandigheden met zich dat De Geschillencommissie ‒ anders dan de zorgaanbieder heeft betoogd ‒ voorafgaand aan de registratie geen onderzoek hoefde te doen in het handelsregister van de Kamer van Koophandel naar wie bevoegd was namens de zorgaanbieder rechtshandelingen te verrichten. Genoemde feiten en omstandigheden komen dan ook voor risico van de zorgaanbieder en rechtvaardigen dat de zorgaanbieder in zijn verhouding tot De Geschillencommissie het risico van onbevoegde vertegenwoordiging draagt. Dat [naam directeur zorgaanbieder] nimmer de intentie of de wens heeft gehad zich bij de commissie aan te sluiten, maakt het voorgaande niet anders.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, is de commissie van oordeel dat de zorgaanbieder zich op 30 maart 2021 rechtsgeldig bij de commissie heeft geregistreerd/aangesloten. Als gevolg daarvan was de commissie op 24 september 2021 bevoegd kennis te nemen van de door klaagster tegen de zorgaanbieder ingediende klacht.
Door die registratie/aansluiting is de zorgaanbieder akkoord gegaan met de registratieverklaring. In de registratieverklaring is bepaald dat ‒ zakelijk weergegeven ‒ de registratieovereenkomst met inachtneming van een opzegtermijn van twaalf maanden met ingang van ieder kalenderjaar schriftelijk beëindigd kan worden. Opzegging van de registratieovereenkomst dient schriftelijk te geschieden ten minste drie maanden voor het begin van het nieuwe kalenderjaar. De gemachtigde van de zorgaanbieder heeft De Geschillencommissie bij brief van 13 augustus 2021 meegedeeld de registratieovereenkomst voor zoveel nodig te beëindigen. Daarmee had de beëindiging van de registratieovereenkomst pas effect op
1 januari 2023. Toen klaagster op 24 september 2021 haar klacht voor de tweede keer bij De Geschillencommissie indiende, was de zorgaanbieder nog steeds geregistreerd.
De commissie passeert de stelling van de zorgaanbieder dat de stellingname van De Geschillencommissie in de correspondentie om het geschil niet verder in behandeling te nemen onherroepelijk is en dat daarop niet meer kan worden teruggekomen. Die stelling mist een (juridische) grondslag.
Conclusie
De commissie is van oordeel dat haar voorbeslissing van 14 januari 2022 niet op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag berust en dat die beslissing daarom gehandhaafd dient te worden.
Op grond van het voorgaande acht de commissie zich bevoegd het geschil te behandelen.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
– handhaaft haar voorbeslissing van 14 januari 2022. De commissie verklaart zich bevoegd het geschil te behandelen;
– stelt partijen in de gelegenheid binnen veertien dagen na verzending van deze beslissing aan de commissie kenbaar maken of zij bij de inhoudelijke behandeling van dit geschil mondeling gehoord wensen te worden of dat de commissie het geschil verder kan behandelen op grond van de overgelegde stukken.
Aldus beslist op 22 december 2023 door de Geschillencommissie Verpleging Verzorging en Geboortezorg, bestaande uit de heer mr. J.M.P. Drijkoningen, voorzitter, mevrouw mr. M.B. van Leusden-Donker, de heer mr. P.C. de Klerk, leden, in aanwezigheid van de heer mr. L.G.H. Cox, secretaris.