Commissie: Zelfstandige Klinieken
Categorie: -
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: bindend advies
Uitkomst: ongegrond
Referentiecode:
671694/802608
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De uitspraak
in het geschil tussen
[naam] wonende te [plaats] (hierna te noemen: de cliënt)en
Equipe Zorgbedrijven, gevestigd te Rotterdam
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).
Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Zelfstandige Klinieken (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.
De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.
De behandeling heeft plaatsgevonden op 4 februari 2025 te Utrecht. De cliënt was samen met zijn oom, de [naam], ter zitting aanwezig. Namens de zorgaanbieder zijn verschenen [naam] (plastisch chirurg), [naam] (jurist) en [naam].
Onderwerp van het geschil
De cliënt heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder.
Het geschil betreft de vraag of de zorgaanbieder onzorgvuldig heeft gehandeld door niet direct bij aanvang van de behandeling van de cliënt in 2019 een röntgenfoto te maken.
Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De cliënt meldde zich in 2019 bij de zorgaanbieder nadat hij klachten ondervond naar aanleiding van een val van zijn fiets in 2017. Door de zorgaanbieder is toen niet het juiste onderzoek gedaan naar de oorzaak van zijn klachten. Wel is de cliënt bijna vijf jaar behandeld, zonder resultaat.
Op eigen initiatief heeft de cliënt in augustus 2023 elders een röntgenfoto laten maken. Daaruit bleek dat sprake was van posttraumatische duimbasisslijtage. Indien de handchirurg van de zorgaanbieder – conform de richtlijn handfracturen van de FMS – eerder een röntgenfoto had gemaakt, was de breuk ontdekt en had slijtage voorkomen kunnen worden.
De cliënt wenst dat het eigen risico dat hij de afgelopen vijf jaar onnodig heeft moeten betalen, vergoed wordt.
Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Zowel het stellen van de diagnose als de initiële conservatieve behandeling zijn conform de geldende richtlijn voor duimbasisslijtage. Tijdens het consult op 22 januari 2019 waren de klachten zoals ontstaan na de val al over met behulp van manuele therapie. Er bestond op dat moment dan ook geen indicatie voor het maken van een röntgenfoto. De MRI-scan die in juni 2021 is gemaakt vertoont geen afwijkingen, behalve een veelvoorkomende minimale degeneratie, passend bij de leeftijd en daarom niet klinisch relevant. Daaruit kan worden geconcludeerd dat in 2019 zeker nog geen duimbasisslijtage was opgetreden. Het maken van een foto in 2019 had dan ook niet tot ander medisch handelen geleid.
Nu geen sprake is van medisch onzorgvuldig handelen, bestaat geen grond voor toekenning van een schadevergoeding. Ook is de schadevordering niet nader onderbouwd.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
Toetsingskader
De overeenkomst die de cliënt met de zorgaanbieder heeft gesloten, betreft een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Op grond van de behandelingsovereenkomst die de cliënt met de zorgaanbieder is aangegaan, moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (het goed hulpverlenerschap uit artikel 7:453 BW), die mede bepaald wordt door de stand en inzichten van de medische wetenschap, richtlijnen en protocollen. Het goed hulpverlenerschap houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.
Wat aan het geschil vooraf is gegaan
In 2019 heeft de cliënt zich bij de zorgaanbieder gemeld met diverse klachten, waaronder tintelingen in de handen, armen en schouders. De cliënt heeft hierbij aangegeven dat hij in 2017 van zijn fiets is gevallen. De cliënt was al met manuele therapie begonnen, wat tijdelijk tot verbetering van zijn klachten heeft geleid.
Uitgaande van deze klachten heeft de zorgaanbieder ingezet op manuele handtherapie en een nachtspalk, omdat zij een neurologische oorzaak vermoedde. In juli 2019 zijn door de zorgaanbieder nog twee injecties met steroïden gezet. De manuele therapie heeft tijdelijk tot verbetering van de pijnklachten van de cliënt geleid.
In 2021 heeft de cliënt zich opnieuw met variabele klachten gemeld bij de zorgaanbieder. Omdat deze klachten niet goed te duiden waren heeft de zorgaanbieder een MRI-scan gemaakt, een CT-scan en een artroscopie van de pols. Uit deze onderzoeken bleek een minimale slijtage aan de duimbasis. Ook is een interne second opinion geregeld bij de revalidatiearts.
Oordeel commissie
De cliënt stelt dat de zorgaanbieder in 2019 onzorgvuldig heeft gehandeld door op dat moment geen röntgenonderzoek te verrichten, wat in strijd is met de richtlijn ‘Diagnostiek bij handfracturen’. Volgens de cliënt had een röntgenfoto een botbreuk kunnen aantonen en daarmee latere duimbasisslijtage kunnen voorkomen.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge toelichting ter zitting blijkt dat de zorgaanbieder destijds een diagnose heeft gesteld op basis van klinisch onderzoek en dat er geen medische indicatie was voor het maken van een röntgenfoto. De zorgaanbieder heeft toegelicht dat duimbasisslijtage doorgaans klinisch wordt vastgesteld en dat röntgenonderzoek hiervoor een beperkte diagnostische waarde heeft. Dit is in lijn met de geldende professionele standaard.
Tijdens de zitting is door de cliënt een röntgenfoto overgelegd, waarop volgens hem een eerdere botbreuk zichtbaar zou zijn. De commissie is van oordeel dat uit deze röntgenfoto niet eenduidig kan worden afgeleid dat er in 2019 sprake was van een botbreuk. Zelfs indien dit wel het geval was geweest, zou dit niet zonder meer hebben geleid tot een andere beoordeling door de zorgaanbieder of een andere behandelstrategie vanwege de aard van de door de cliënt geuite klachten die ook in beide armen voorkwamen en niet alleen de pols/arm waarop was gevallen. Bovendien is niet aannemelijk geworden dat de slijtage aan de duimbasis een direct gevolg is van de val in 2017.
Op basis van de diverse klachtenpresentatie in 2019 heeft de zorgaanbieder in 2021 aanvullende medische onderzoeken verricht, waaronder een MRI-scan, CT-scan en artroscopie, om tot een behandelbeleid te komen. Dit beleid heeft tijdelijk tot verlichting van de klachten geleid. Gezien de medische inzichten en de destijds aanwezige klachtenpresentatie acht de commissie het niet verwijtbaar dat de zorgaanbieder in 2019 geen röntgenfoto heeft gemaakt.
De commissie acht voldoende aannemelijk dat de zorgaanbieder zorgvuldig te werk is gegaan door, gelet op de klachtenpresentatie van de cliënt, stapsgewijs aanvullende diagnostiek te verrichten en een beleid in te zetten dat past binnen de geldende professionele standaard, waaronder de richtlijn ‘Primaire artrose van de duimbasis’. Daarmee heeft de zorgaanbieder voldaan aan de op hem rustende inspanningsverplichting.
Schadevergoeding
Nu de klacht van de cliënt ongegrond wordt verklaard, komt de commissie niet toe aan de beoordeling van de schadevordering.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
– verklaart de klacht van de cliënt ongegrond;
– wijst het verzoek tot schadevergoeding af.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Zelfstandige Klinieken, bestaande uit mevrouw mr. S.W.M. Speekenbrink, voorzitter, mevrouw dr. M. van Hal, de heer mr. S. Sierksma, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. S.M.E. Balfoort, secretaris, op 4 februari 2025.