Commissie: Ziekenhuizen
Categorie: -
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: bindend advies
Uitkomst: ongegrond
Referentiecode:
577149/679549
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
Een vrouw diende een klacht in tegen het ziekenhuis vanwege de behandeling van haar moeder, die overleed na een ERCP-procedure. Volgens de klaagster werd er door het ziekenhuis onvoldoende onderzoek gedaan naar complicaties, zoals een mogelijke galweglekkage. De diagnose bleef steken op post-ERCP pancreatitis (PEP), terwijl haar moeder in werkelijkheid een ernstige infectie ontwikkelde. Pas later, toen zij in septische shock raakte, werd ingegrepen, maar een spoedoperatie kon haar niet meer redden. De klaagster stelde dat haar moeder had kunnen overleven bij eerder ingrijpen en vorderde € 25.000 schadevergoeding.
De zorgaanbieder betwistte de verwijten en stelde dat de werkdiagnose PEP terecht was en dat er geen signalen waren die eerder ingrijpen rechtvaardigden. De behandeling verliep volgens protocol, en pas toen de situatie verslechterde, werd direct gehandeld. Een onafhankelijk onderzoek door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) concludeerde dat er geen sprake was van een calamiteit.
De Geschillencommissie oordeelde dat het ziekenhuis heeft gehandeld zoals een redelijk bekwaam hulpverlener zou doen. Er was geen sprake van medisch verwijtbaar handelen, en de klacht werd ongegrond verklaard. Ook de schadevergoeding werd afgewezen.
De uitspraak
in het geschil tussen
[naam], wonende te [plaats] (hierna te noemen: de klaagster)en
Noordwest Ziekenhuisgroep, gevestigd te Alkmaar
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).
Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.
De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.
De behandeling heeft plaatsgevonden op 12 februari 2025 te Utrecht.
Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen ter zitting te verschijnen. Namens de zorgaanbieder zijn verschenen [naam], advocaat en [naam] en [naam], MDL-artsen.
De klaagster is ter zitting verschenen met haar echtgenoot, [naam]
Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft de zorgverlening aan de moeder van de klaagster. De klaagster verwijt de zorgaanbieder nalatig handelen ten gevolge waarvan haar moeder is overleden.
Standpunt van de klaagster
Voor het standpunt van de klaagster verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De moeder van de klaagster is op 30 juli 2023 overleden, nadat zij twee dagen daarvoor bij de zorgaanbieder een ERCP had ondergaan. Als gevolg van de ERCP ontstond er waarschijnlijk een scheurtje in de galwegen en lekkage. Dit werd niet herkend en de diagnose werd gesteld op PEP. EWS is zeer matig afgenomen en urine niet gemonitord. Er is niet verder gekeken of er wel sprake was van PEP. Tijdens de ERCP werd een biopt genomen en een stent geplaatst. Er is niet gekeken naar bloedingen of perforatie. Pas op 30 juli toen de moeder van de klaagster in septische shock raakte en naar de IC ging werd er gedacht aan perforatie door de stent en onderging zij een spoedlaparotomie. Daar bleken de darmen ischemisch te zijn en stond er veel “rommel” in de buikholte. Galblaas en darmpakketten zijn verwijderd. Ze was te slecht om te vervoeren. Later die dag is zij overleden aan de gevolgen hiervan. Na obductie bleek dat de stent niet in de juiste ductus geplaatst was, maar dat hij wel goed zat en er geen perforatie was. De meest waarschijnlijke oorzaak is dat door de ingebrachte lucht een galgang is gescheurd en er lekkage is ontstaan. Pas op 13 maart 2024 kreeg de klaagster de uitslag van het Interne Onderzoek van het ziekenhuis. De conclusie was dat geen sprake was van een calamiteit.
De klaagster is van mening dat het wel een calamiteit is, dat er met tunnelvisie is gekeken naar haar moeder, dat sepsis niet herkend is en dat EWS plus urine monitoren niet volgens protocol zijn gedaan. Bij eerder ingrijpen had haar moeder gered kunnen worden. De klaagster vordert € 25.000, — schadevergoeding voor geleden emotionele schade en gederfde inkomsten wegens een half jaar niet hebben kunnen werken en opzeggen van baan.
Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De werkdiagnose post-ERCP pancreatitis is op juiste gronden gesteld. Dat achteraf bezien gesteld kan worden dat deze diagnose niet juist was, leidt niet vanzelfsprekend tot de conclusie van medisch onzorgvuldig handelen. In de avond van 28 juli 2023 (dag van de ERCP) en overdag op 29 juli 2023 waren bij de patiënte geen tekenen van SIRS of sepsis, of multi-orgaan falen. In de ochtend van 29 juli 2023 is genoteerd dat de patiënte alert was. Wegens deze observaties waren er geen redenen om aan SIRS of sepsis te denken en de klachten pasten goed bij een post-ERCP pancreatitis. Er was dan ook geen reden om het beleid aan te passen en om de werkdiagnose te heroverwegen. Er is geen sprake geweest van tunnelvisie. Pas in de nacht/vroege ochtend van 30 juli 2023 veranderden de waarden snel. Daarop is dan ook direct actie ondernomen. Het SIT team werd in consult gevraagd, de patiënte werd overgeplaatst naar de IC en er werd een CT-scan gemaakt. Eerder was er geen indicatie voor het maken van een CT-scan.
De IGJ heeft geoordeeld dat het incident door de zorgaanbieder op de juiste manier is onderzocht en dat passende verbetermaatregelen zijn genomen. De IGJ kan zich vinden in het oordeel dat geen sprake is van een calamiteit in de zin van de Wkkgz.
Gelet op het bovenstaande is de zorgaanbieder van mening dat geen sprake is van onzorgvuldig handelen. Mocht de commissie toch van oordeel zijn dat de zorgaanbieder onzorgvuldig medisch handelen kan worden verweten, dan zou het beloop niet anders zijn geweest. Nu er niet medisch onzorgvuldig is gehandeld, is er ook geen recht op schadevergoeding, omdat de zorgaanbieder daarvoor niet aansprakelijk is. Mocht de commissie wel tot het oordeel komen dat de zorgaanbieder onzorgvuldig handelen kan worden verweten, dan betwist de zorgaanbieder de hoogte van de claim die de klaagster heeft ingesteld.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
De commissie dient te beoordelen of de zorgaanbieder op grond van de zorgovereenkomst die bestaat tussen de zorgaanbieder en de patiënt bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht heeft genomen en daarbij heeft gehandeld in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (de zorgplicht uit artikel 7:453 van het BW). Deze zorgplicht houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.
Voor een goed begrip van de hiervoor genoemde maatstaf is van belang dat die zorgplicht in beginsel niet wordt aangemerkt als een resultaatsverplichting, waarbij de hulpverlener moet instaan voor het bereiken van een bepaald resultaat, maar als een inspanningsverplichting, waarbij de hulpverlener zich verbindt zich voor het bereiken van een bepaald resultaat in te spannen. De reden hiervoor is dat het bij een geneeskundige behandeling meestal niet mogelijk is een bepaald resultaat te garanderen, omdat het menselijk lichaam in het (genezings-)proces een ongewisse factor vormt: de hulpverlener is namelijk afhankelijk van en heeft geen invloed op de lichamelijke condities en de reacties van de patiënt op de geneeskundige behandeling. Zelfs bij onberispelijk medisch handelen kan het beoogde resultaat uitblijven. Van een tekortkoming kan dan ook pas worden gesproken indien komt vast te staan dat de hulpverlener zich onvoldoende heeft ingespannen of bij zijn inspanning een fout heeft gemaakt en dus niet heeft gehandeld als een redelijk handelend en redelijk bekwaam hulpverlener.
De commissie dient te onderzoeken of (de artsen/verpleegkundigen van) de zorgaanbieder bij de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst in de gegeven omstandigheden al dan niet de hiervoor omschreven zorgplicht heeft nageleefd.
De commissie is op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting tot het oordeel gekomen dat de zorgaanbieder heeft gehandeld zoals een redelijk handelend en redelijk bekwaam hulpverlener betaamt en hem geen verwijt kan worden gemaakt van het overlijden van de moeder van de klaagster op 30 juli 2023.
Het is hierbij van belang dat uit gegaan moet worden van de situatie en de beschikbare informatie ten tijde van de behandeling van de moeder van de klaagster. Met de gegevens en informatie die op dat moment beschikbaar waren kan niet gesteld worden dat verwijtbaar is gehandeld. De gevolgde procedure en de gestelde werkdiagnose post-ERCP pancreatitis zijn begrijpelijk en terecht op basis van de bloedwaarden, de presentatie en de ERCP die verricht was. Met deze werkdiagnose is dan ook geen CT nodig. Op het moment dat de patiënte achteruit ging is er direct gehandeld, met helaas de bekende afloop. Dat achteraf gesteld kan worden dat niet de juiste diagnose is gesteld en eerder/andere acties genomen hadden moeten worden, kan niet leiden tot de conclusie dat dus onzorgvuldig is gehandeld door de zorgaanbieder. De zorgaanbieder heeft volgens protocol gehandeld. De stelling van de klaagster dat niet volgens protocol is gehandeld is door de zorgaanbieder gemotiveerd weerlegd. De commissie is gelet op de stukken en de mondelinge toelichting van oordeel dat bestaande protocollen zijn gevolgd en de klaagster niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat dit niet het geval is geweest.
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) heeft eveneens een onderzoek ingesteld naar aanleiding van een melding van de klaagster. De IGJ heeft geconcludeerd dat geen sprake is van een calamiteit. De klaagster stelt in haar klacht – opnieuw – dat wel sprake is van een calamiteit. Met verwijzing naar het rapport van de IGJ en het ontbreken van argumenten van de zijde van de klaagster waarom dit rapport en de daarin gestelde conclusie dat geen sprake was van een calamiteit niet juist zou zijn, is de commissie van oordeel dat geen sprake is van een calamiteit.
De commissie kan zich het verdriet van de klaagster om het verlies van haar moeder, waar zij op geen enkele wijze rekening mee had gehouden op het moment dat haar moeder voor behandeling bij de zorgaanbieder werd opgenomen, goed voorstellen en betreurt het dat dit is gebeurd. De commissie heeft echter geen aanwijzingen dat de zorgaanbieder verwijtbaar heeft gehandeld. De klacht zal daarom ongegrond worden verklaard.
Nu geen sprake is van een toerekenbare tekortkoming (wanprestatie) door de zorgaanbieder, zal de schadevordering van de klaagster reeds op deze grond worden afgewezen.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
– verklaart de klacht van de klaagster ongegrond;
– wijst af de door de klaagster ingestelde vordering tot schadevergoeding.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit mevrouw mr. A.D.R.M. Boumans, voorzitter, de heer dr. M.W. Mundt, de heer mr. P.O.H. Gevaerts, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. M. Gardenier, secretaris, op 12 februari 2025.