Commissie: Klachtencommissie Onvrijwillige Zorg
Categorie: Medicatie
Jaartal: 2026
Soort uitspraak: voorbeslissing
Uitkomst: Schorsingsverzoek afgewezen
Referentiecode:
1360354/1361311
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
Twee familieleden hebben een klacht ingediend tegen zorgorganisatie Stichting Laurens over de verhoging van de dosering risperidon bij hun vader en schoonvader. Dit medicijn wordt gebruikt om onder andere ernstige angst, wanen en agressief gedrag te verminderen. De familie vindt dat de man te veel last heeft van bijwerkingen en wil dat de hogere dosering voorlopig wordt gestopt. Volgens de zorgorganisatie was de verhoging noodzakelijk omdat de man agressief gedrag vertoonde en last had van angst en wanen. Hierdoor kwam de veiligheid van medewerkers en andere bewoners in gevaar. Gesprekken en andere vormen van begeleiding hielpen volgens de behandelaars onvoldoende. De voorzitter van de klachtencommissie vindt dat de zorgorganisatie voldoende heeft uitgelegd waarom meer medicatie nodig was. Ook erkent de voorzitter dat de man waarschijnlijk vervelende bijwerkingen heeft, maar dat betekent niet dat de hogere dosering op dit moment onverantwoord is. Er zijn onvoldoende redenen om de beslissing tijdelijk stop te zetten. Daarom wordt het verzoek tot schorsing afgewezen. De hogere dosering mag voorlopig worden voortgezet. De commissie moet de eigenlijke klacht over de onvrijwillige zorg nog inhoudelijk beoordelen.
De volledige uitspraak
Beslissing op het verzoek tot schorsing van:
[naam] en [naam],ten deze handelend als vertegenwoordigers van hun vader respectievelijk schoonvader, [naam], wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: klagers)
en
Stichting Laurens, gevestigd te Rotterdam
(hierna te noemen: de zorgaanbieder)
Verzoek en procedure
De commissie heeft op 5 oktober 2026 de klacht van klagers ontvangen. De klacht heeft betrekking op de beslissing van de zorgaanbieder tot verhoging van de dossering van het middel resperidon (hierna te noemen: de medicatie), dat aan de (schoon) vader van klagers (hierna te noemen: de cliënt) wordt verstrekt. Ten aanzien van deze beslissing hebben klagers een verzoek tot schorsing ingediend.
De voorzitter van de commissie heeft in het kader van het schorsingsverzoek klagers en de zorgaanbieder, in de personen van: [naam] (locatiemanager), [naam] en [naam] (beiden specialist ouderengeneeskunde) digitaal gehoord.
De voorzitter acht zich op basis daarvan voldoende voorgelicht om op het verzoek te beslissen.
Overwegingen ten aanzien van de bevoegdheid van de commissie
In het kader van de beoordeling van het schorsingsverzoek wordt ervan uitgegaan dat sprake is van onvrijwillige zorg die wordt verleend op de basis van de Wet Zorg en Dwang (Wzd). Hierover kan een klacht worden ingediend op grond van artilkel 55 Wzd. De commissie is bevoegd om van de klacht kennis te nemen en klagers zijn als wettelijk vertegenwoordigers van de cliënt ontvankelijk in hun klacht. Op grond van artikel 56a Wzd heeft de commissie de bevoegdheid de beslissing tot het toepassen van onvrijwillige zorg te schorsen.
Vooropgesteld wordt dat bij een verzoek om schorsing slechts ruimte bestaat voor een voorlopige beoordeling. De voorzitter beoordeelt alleen of de beslissing waartegen de klacht zich richt zodanig onredelijk of onbillijk is en/of dat er een spoedeisend belang is om op dit moment de verdere tenuitvoerlegging van de beslissing te schorsen tot aan het moment dat de commissie een
beslissing over de klacht heeft genomen. De zaak wordt om die reden in een schorsingsprocedure wel zorgvuldig onderzocht en de partijen worden gehoord, maar deze procedure is qua omvang
beperkter dan het onderzoek ter zitting.
Dit betekent dat – zoals de voorzitter tijdens het horen reeds te kennen heeft gegeven – thans alleen ter beoordeling de vraag voorligt of de beslissing tot verhoging van de dosering van de medicatie gehandhaafd dient te worden dan wel of de tenuitvoerlegging van deze beslissing moet worden geschorst. In die beoordeling wordt hetgeen klagers verder nog hebben aangevoerd met betrekking tot de behandeling van de cliënt door de zorgaanbieder, niet meegenomen.
De klacht
Klagers stellen dat de bijwerkingen die de cliënt heeft van de verhoging van de dosering van de medicatie van dien aard zijn, dat de dosering die thans wordt gegeven, weer moet worden verlaagd.
Het verweer
De zorgaanbieder heeft ter zitting aangegeven dat de verhoging van de dosering van de medicatie noodzakelijk was vanwege het agressieve gedrag van de cliënt, alsmede vanwege zijn wanen en angsten. Door het gedrag van de cliënt kan de veiligheid van medewerkers van de zorgaanbieder en van medebewoners niet worden gewaarborgd. Bovendien zijn de wanen voor de cliënt zelf erg beangstigend.
Eén van de specialisten ouderengeneeskunde heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat de gedragingen en psychotische klachten van de cliënt enkel door psychosociale interventie (verbale benadering) niet dan wel onvoldoende konden worden beïnvloed c.q. verholpen. Naast psychosociale zorg is daarom verhoging van de dosering van de medicatie noodzakelijk geacht.
Overwegingen
Zoals hiervoor vermeld, bestaat bij een verzoek tot schorsing slechts ruimte voor een voorlopige beoordeling.
Op basis van de thans beschikbare informatie en hetgeen partijen tijdens het horen hebben verklaard is de voorzitter van oordeel dat het gedrag van de cliënt jegens de medewerkers en zijn wanen en angsten de verhoging van de dosering van de medicatie noodzakelijk maakten.
Weliswaar is aannemelijk dat deze verhoging ongewenste bijwerkingen heeft voor de cliënt, maar dat laat de noodzaak daartoe onverlet. Klagers hebben niet weersproken dat de cliënt last heeft van angsten en wanen en dat zich meerdere incidenten hebben voorgedaan, waarbij de cliënt agressief gedrag vertoonde.
De zorgaanbieder heeft genoegzaam toegelicht dat de beslissing tot verhoging niet lichtvaardig is genomen. Op dit moment is er geen aanleiding te concluderen dat er sprake is van een (kennelijk) onjuiste beoordeling door de zorgaanbieder van de situatie van de client en daardoor van een onredelijke of onbillijke beslissing. Er is dan ook geen reden gebruik te maken van de bevoegdheid tot schorsing van de door de zorgaanbieder genomen beslissing.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
Het verzoek tot schorsing van de beslissing tot het toepassen van onvrijwillige zorg in de vorm van verhoging van de dossering van de medicatie wordt afgewezen.
Deze uitspraak is vastgesteld op 8 oktober 2026 door mevrouw mr. A.D.R.M. Boumans